Index         Samenvatting

 

Het kabinet liegt en bedriegt over belastingen en werkgelegenheid

 

 

Het kabinetsplan voor de ‘belastingen voor de 21e eeuw’ is een grote leugen. De burgers wordt een rad voor de ogen gedraaid en de wetenschap wordt verkracht. Er wordt een verkeerde voorstelling van zaken gegeven ten aanzien van de heffingskorting en de rol van de belastingvrije voet voor de werkgelegenheid. Wetenschappelijk onderzoek van een econometrist van het CPB wordt gebreideld en deze medewerker is met machtsmisbruik ontslagen. Er is alles te zeggen voor een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid van de laastste decennia en de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid.

 

 

Minister Zalm (VVD) en staatssecretaris Vermeend (PvdA) hebben medio december 1997 namens het kabinet een ‘belastingplan voor de 21e eeuw’ voorgelegd aan het parlement. Dit belastingplan beperkt zich tot het presenteren van verschillende opties. Echter, naarmate de maanden verstrijken wordt een begin van een keuze herkenbaar. De belastingvrije som dreigt uit de belastingen te verdwijnen, en zou dan plaats maken voor een ‘heffingskorting’ zoals ook in de VS bestaat. Althans, het blad Economisch Statistische Berichten heeft een themanummer aan deze materie gewijd waarin de heffingskorting als ‘de naast-beste oplossing’ naar voren komt (zie de titel van dat themanummer en bijvoorbeeld de bijdrage daarin van hoogleraar Theeuwes). (1) Deze ontwikkeling acht ik zorgelijk omdat het kabinet over de heffingskorting nogal wat onwaarheden vertelt.

Alvorens tot bespreking van de onwaarheden te komen is het nodig om enkele begrippen te behandelen. Daartoe volgt hieronder eerst een paragraaf met definities.

Daaropvolgend ontstaat het probleem dat wanneer onwaarheden verteld worden, er mogelijk ook bewust gelogen wordt. We ontkomen niet aan de constatering dat de bewindslieden op het onderwerp gestudeerd hebben, en dus moet het wel zo zijn dat zij bewust liegen. Wanneer helder is vastgesteld dat het kabinet liegt en bedriegt, ontkomen we er niet aan dit nader te onderzoeken. Immers, iemand die wat te verbergen heeft kunnen we weliswaar betrappen op een leugen, maar het is vaak veel belangrijker dat we gaan zien wat hij te verbergen heeft.
 

 

Definities

 

In ons belastingstelsel wordt alleen met lineare of stuksgewijze lineaire belastingfuncties gewerkt. Figuur 1 geeft de gestyleerde belastingsituatie voor twee schijven waar wordt geabstraheerd van aftrekposten.

 
Figuur 1: Gestyleerde belastingen
  

Merk op dat ons stelsel ook een belastingvrije voet kent, soms aangeduid als het zogenaamde ‘nul-tarief’. Dit is geen aftrekpost zoals de andere, maar het is een fundamenteel verschijnsel in ons stelsel dat is gebaseerd op het draagkrachtbeginsel. Sommige personen hanteren de term ‘basisaftrek’, maar dat is dan vooral een teken dat zij niet goed begrijpen welke fundamentele rol de voet in het belastingstelsel naar draagkracht inneemt. In de officiele belastingwetten wordt de term ‘belastingvrije som’ gehanteerd, en over die term komen we nog te spreken.

In formules kan de situatie voor de eerste schijf weergegeven worden als


 

tax(y) = r (y - x) (y > x)

met y het inkomen, x (‘exemption’) de voet en r (‘rate’) het marginale tarief.

Zou er alleen maar één schijf zijn, dan valt direct in te zien dat een stelsel met een belastingvrije voet equivalent, zo niet identiek, is aan een stelsel met een heffingskorting. Immers, voor de laatste geldt de formule (hef i.p.v. tax):


 

hef(y) = r y - k (y > x)

en k de heffingskorting. Ergo hef is wiskundig gelijk aan tax, dan en slechts dan als k = r x.

Tussenconclusie: wanneer er maar één schijf zou zijn, dan is er geen verschil tussen een systeem met een belastingvrije voet en een systeem met een heffingskorting. In zo’n situatie gaat de ‘keuze tussen beide stelsels’ in technisch opzicht eigenlijk nergens over.

Hoe zit het met een systeem met meer schijven ? Hier is Figuur 2 van toepassing. Het blijkt dat wanneer we de belastinglijnen verticaal verschuiven, zodanig dat de schijfgrenzen gelijk blijven, dat er dan een nieuw belastingregime ontstaat waarbij de lijnstukken parallel blijven aan het voorgaande, en dus overal op een gelijke afstand daarvan blijven liggen. Dit geldt ook voor meer dan twee schijven. Indien we de nieuwe lijnstukken zolang verschuiven dat de lijn van de eerste schijf door het nulpunt gaat, dan kan de afstand tot het oude regiem de ‘heffingskorting’ worden genoemd.

 

Figuur 2: Voet of heffingskorting

 

In aansluiting op de bovenstaande tussenconclusie is nu de eindconclusie: Ook bij meer schijven is er wiskundig geen verschil tussen een systeem met een voet ('som') en een systeem met een heffingskorting. Dit blijkt wiskundig te gelden omdat we alleen naar stuksgewijze lineaire functies kijken.
 
 
 

Het kabinet liegt

 
Het kabinet beweert:
"(...) voor (alleenstaande) belastingplichtigen in de eerste schijf betekent f 100 verhoging van de belastingvrije som in het algemeen een belastingvoordeel (1998) van circa f 36 (...), voor de tweede schijf een voordeel van f 50 en voor de derde schijf een voordeel van f 60." (paragraaf 8.2.2 uit de kabinetsnota)

"Aan een keuze voor het invoeren van een heffingskorting ligt de gedachte ten grondslag dat de belastingvrije som voor belastingplichtigen in dezelfde omstandigheden – behalve dus de hoogte van het belastbaar inkomen – eenzelfde (netto) waarde dient te vertegenwoordigen, ongeacht de hoogte van het inkomen." (paragraaf 8.2.3.3)

De ESB van 27 februari 1998 p160 (boven aangehaald) die zich baseert op de nota "Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning" van het Ministerie van Financiën stelt: "Ten tweede is het mogelijk, de belastingvrije sommen, die voor hogere inkomens meer ‘waard’ zijn dan voor lage inkomens, om te zetten in een voor alle inkomens gelijke korting bij de belastingafdracht. Dit maakt een tariefverlaging van enkele procenten mogelijk voor inkomens in de tweede en derde schijf."

Dit is dus apert onwaar.

In het huidige stelsel met een belastingvrije som ligt reeds een voor ieder gelijke korting op de belastingafdracht besloten. De operatie, zoals door het kabinet voorgesteld, is een hersenschim. Mocht er inderdaad iets veranderen aan de marginale tarieven, dan moet de financiering daarvan uit een andere bron komen dan uit de invoering van een heffingskorting.

 

Pro memorie: Negatieve inkomstenbelasting

 

Merk op dat we hierboven de voorwaarde opleggen dat y > x. Deze voorwaarde geldt voor beide systemen, zodat ook hier gelijkheid bestaat t.a.v. een systeem met een voet of een systeem met een heffingskorting. De betekenis van deze voorwaarde is dat we hier niet kijken naar de mogelijkheid van een negatieve inkomstenbelasting.

In de kabinetsnota wordt weliswaar van zo’n negatieve belasting gewag van gemaakt, maar de facto is in de nota alleen sprake van vermindering van een hoog belastingniveau. In Amerika kan wel sprake zijn van een negatieve inkomstenbelasting, wanneer burgers met hele lage inkomens daadwerkelijk geld ontvangen van de fiscus. Deze situatie wordt afgebeeld in Figuur 3, waarbij we het ‘vlakke gedeelte’ uit de Amerikaanse EITC ten behoeve van de leesbaarheid hebben weggelaten.

Gezien de geheel verschillende systeem-omgevingen en betekenissen van de Amerikaanse EITC en de heffingskorting zoals voorgesteld door het kabinet, is het vreemd dat zo vaak overeenkomsten worden beschreven. Dit alles is overigens slechts PM.

 

 
Figuur 3: Negatieve inkomstenbelasting
  
 
 

Hoe de leugen te werk gaat

 
In het ‘belastingplan’ geeft het kabinet de voorstelling van zaken dat bij invoering van een heffingskorting de schijfgrenzen meeschuiven, en dat aldus de schijflengtes gelijk blijven. Te denken is hier niet aan een verticale translatie maar aan een horizontale translatie. Figuur 4 geeft het beeld van die horizontale verschuiving, vooralsnog zonder verticale compensatie voor de extra belasting die deze veroorzaakt. Indien men zich in deze figuur voorstelt dat aanvullend een heffingskorting wordt ingevoerd - aldus een verticale verschuiving bij de nieuwe schijfgrenzen - dan ontstaat het nieuwe regiem in de voorstelling van zaken van het kabinet. Er ontstaat met andere woorden een ander heffingspatroon, en de maatregel is niet inkomensneutraal.

 

Figuur 4: Horizontale translatie
 

In concreto blijkt één van de kabinetsvoorstellen te zijn om de eerste schijf eerst nog iets te verlengen voordat de heffingskorting wordt toegepast. Ook zo’n maatregel is niet inkomensneutraal wanneer de nieuwe schijven niet precies boven de oude schijfgrenzen uitkomen.

In feite gaat het kabinet schuiven, verlengen en knippen. Het kabinet schrijft:

"8.2.3.2 Afschaffing van de belastingvrije sommen
Het laten vervallen van de basisaftrek, onder instandhouding van de extra aftrek voor alleenverdieners en alleenstaande ouders, geeft een budgettaire ruimte van circa f 32 miljard. Dit bedrag kan worden aangewend voor tariefsverlaging en/ofschijfverlenging. Met de huidige schijflengtes is het niet mogelijk om – onder de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit –op minimumniveau tot aanvaardbare inkomenseffecten te komen. Om tot meer evenwichtige inkomenseffecten te komen zou gedacht kunnen worden aan het in tweeën knippen van de eerste schijf, waarbij de tariefsverlaging vooral wordt geconcentreerd in het eerste deel van die geknipte eerste schijf. Een mogelijke uitwerking bestaat uit het knippen van de huidige eerste schijf in een eerste deel met een lengte van f 20 500 en een tarief van 19,5% en een tweede deel, waarin voor het restant van de huidige eerste schijf het huidige tarief (36,35%) wordt gehandhaafd. Met de resterende opbrengst is het mogelijk het tarief in de tweede en derde schijf te verlagen naar bijvoorbeeld 47% en 58%. Deze tariefsverlaging kan worden gezien als compensatie voor de hogere netto waarde van de vervallen basisaftrek voor belastingplichtigen in de tweede en derde schijf. Uit tabel 8.1 wordt evenwel duidelijk dat een (budgettair neutrale) geïsoleerde afschaffing van de belastingvrije som zonder nadere maatregelen vooral vanwege de onevenwichtige inkomenseffecten bij ouderen geen realistische optie is. Daar komt nog bij dat onder het minimum negatieve inkomenseffecten optreden. In hoofdstuk 9 wordt nader ingegaan op de gevolgen van het laten vervallen van de basisaftrek voor (de kosten van) het inkomensbeleid."

 

Deze andere heffingspatronen hadden vanzelfsprekend ook bereikt kunnen worden via de standaard maatregelen van de instelling van een andere som en andere schijfgrenzen. Het kabinet heeft daar niet voor gekozen, maar heeft gekozen voor de - aangetoond onware - rhetoriek dat belastingvrije sommen "voor hogere inkomens meer ‘waard’ zijn dan voor lage inkomens".
 
 
 

Marginale tarieven

 

Waarom toch die rhetoriek ? Het blijkt het kabinet te gaan om de marginale tarieven. Aangehaald citaat uit ESB stelt immers: "Dit maakt een tariefverlaging van enkele procenten mogelijk voor inkomens in de tweede en derde schijf."

Het kabinet stelt de zaken dus zo voor dat de schijflengtes voor de marginale tarieven van belang zouden zijn.

Hoe zit dit nu werkelijk ? Bezien we andermaal Figuur 4, waarin de schijflengtes inderdaad gelijk zijn gehouden, en laten we een verticale translatie aanbrengen tot het punt dat de nieuwe tarieflijn raakt aan de oude, zodat op dit punt voldaan is aan de eis van neutraliteit. We constateren dan dat het statutaire tarief van de tweede schijf reeds ingaat op een eerder moment dan voorheen, en dat de nieuwe belastingen boven de oude uitkomen. Door dit statutaire tarief van de tweede schijf nu te verlagen, komen we dichter in de buurt van het oude niveau. Eenzelfde operatie is mogelijk wanneer de eerste schijf eerst nog ‘geknipt’ en verlengd wordt, zoals in één van de voorstellen van het kabinet.

(Deze situaties zijn niet afgebeeld.)

Vertalen we deze operaties echter naar het bekende model met een belastingvrije voet, dan betekent e.e.a. dat de schijflengte van het nul-tarief wordt ingekort. En dan komen we uit bij de banale waarheid dat indien de voet verlaagd wordt, een lager marginaal tarief volstaat om eenzelfde opbrengst te verkrijgen. (2) Deze waarheid is banaal, omdat dit effect ook direct verkregen had kunnen worden binnen het huidige stelsel, indien men maar openlijk had aangegeven dat de voet en de schijfgrenzen werden verlaagd. Invoering van de heffingskorting verheldert hier niets, en maakt het alleen ingewikkelder. Zeggen dat je ‘de som afschaft’ is onzinnig en leugenachtig omdat je eigenlijk bezig bent de voet te verlagen.

Tevens sjoemelt het kabinet met de marginale tarieven. Ook al worden de marginale tarieven in het algemeen verlaagd, krijgen sommigen toch met forse verhogingen te maken, en wel doordat de schijfgrenzen verschoven worden. Het kabinet erkent die problematiek, en schrijft er openlijk over, maar alleen in de technische paragrafen en niet in de publiekspresentatie. Gedaan wordt alsof de tarieven verlaagd worden, terwijl dat dus niet zo is. Bovendien is het onwaar dat het nul-tarief, de voet, irrelevant zou zijn.

Mogelijk hebben de bewindslieden zich e.e.a. niet gerealiseerd. Echter, dit kunnen mensen die op belastingen gestudeerd hebben niet geloofwaardig beweren. Aannemelijker is dat men hier knollen voor citroenen zit te verkopen.

Voor de goede orde: de preoccupatie van het kabinet ten aanzien van de marginale tarieven gaat voorbij aan mijn analyse ten aanzien van het dynamisch marginaal tarief. (3)

 

Reacties vanuit de Kamer

 

De Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (KVS) organiseerde op 24 april 1998 het zogeheten ‘Economendebat’ waarin de financieel woordvoerders van de vier grootste partijen zitting namen in een panel over vier jaar ‘paars’ en de verkiezingsprogramma’s ten behoeve van de verkiezingen van 6 mei 1998. Aan de zaal en dit panel heb ik de tekst en grafieken uit de bijlage voorgelegd, en de voorzitter van het panel, de heer K. de Vries (voorzitter van de SER) heeft het panel gevraagd hoe zij dachten over de stelling:

"Wiskundig is er geen verschil tussen een systeem met een voet en een systeem met een heffingskorting."
Kamerlid Van der Ploeg (PvdA) onderschreef de stelling.

Van der Ploeg meende echter ook dat de stelling alleen ‘statisch’ opgaat, bij een eenmalige stelselwijziging, maar niet ‘dynamisch’ bij jaarlijks terugkerende begrotingsonderhandelingen. In dat laatste geval zou eerder politieke overeenstemming te bereiken zijn over het toekennen aan gelijke heffingskortingen aan alle inkomensgroepen.

Deze laatste positie van Van der Ploeg is natuurlijk onhoudbaar. Statica en dynamica zijn in dit geval wiskundig aan elkaar gelijk. Willen politici alle inkomensgroepen een gelijk bedrag toekennen, dan kan dat ook in het huidige stelsel, en wel via een verticale translatie.

Het is jammer dat de voorzitter alleen vragen uit de zaal toestond, en de zaal niet de gelegenheid gaf om te reageren op de beweringen van de politici. Van der Ploeg vroeg ook niet of zijn antwoord mij had overtuigd, zodat ik ook daarom niet in de gelegenheid werd gesteld om aan te geven dat dit niet het geval is. De voorzitter deed ook alsof de kwestie ‘moeilijk’ was, daarmee geen recht doend aan het wetenschappelijk karakter van de KVS. Wellicht moet men in Nederland anno 1998 überhaupt dankbaar zijn dat men een vraag mag stellen.

Kamerlid Terpstra (CDA) merkte op dat hij het kabinetsargument niet kon plaatsen dat het ongewenst zou zijn dat f 100 verhoging van de belastingvrije som een belastingvoordeel van circa f 36 (...) aan de basis betekent maar voor de derde schijf een voordeel van f 60. Hij achtte dit laatste onverbrekelijk verbonden met het bestaan van een progressief stelsel, en kon zich niet indenken dat het kabinet zou voorstellen om deze progressiviteit ongedaan te maken.
 
 
 

Beleidsleugen

 

Als altijd wanneer er onwaarheden worden verteld, rijst de vraag of dat gewild of ongewild gebeurt. Zijn het leugenaars of is men slechts incompetent ? Voor velen zal dit aanvankelijk een weinig relevante vraag zijn, omdat de onwaarheid op zich al diskwalificeert. Echter, men moet rekening te houden met de achterliggende belangen. Bij incompetentie heeft betrokkene vooral het belang dat hij niet incompetent wil lijken; en hoewel dat al tamelijk complicerend is, deinst menigeen er toch voor terug om het algemeen belang ondergeschikt te maken aan de eigen schone schijn. Bij leugenaars ligt dat anders. Zij wisten reeds waaraan zij begonnen, en waar zij het algemeen belang reeds aan hun belangen ondergeschikt hebben gemaakt, mogen we er van uit gaan dat zij ook al hun macht zullen gebruiken om de ontmaskering van hun leugen tegen te werken. Het maakt aldus wel wat uit of men de burger ‘neutraal’ bericht dat de overheidsinformatie niet correct is, of dat men de burger moet waarschuwen dat hij met opzet voorgelogen wordt. Het ontmaskeren van een leugenaar vereist denkelijk toch ook een wat andere opzet van het betoog.

Bij politici wordt de vraag naar de bron van de onwaarheid gecompliceerd door het feit dat, waar zij zelf niet ter zake kundig hoeven zijn, zij door ambtenaren geadviseerd worden, zodat de verantwoordelijkheden hier verdeeld raken, of, volgens sommigen zelfs verdwijnen in een soort Bermuda Driehoek. In het onderhavige geval echter hebben minister Zalm en staatssecretaris Vermeend op het terrein gestudeerd, terwijl ook Van der Ploeg in de kwestie is ingevoerd, en dus kunnen we ongecompliceerd constateren dat zij klaarblijkelijk, en ook volgens Van Dale, liegen. (4) Ten aanzien van bovengenoemde hoogleraar Theeuwes mogen we concluderen dat hij minder goed thuis kan zijn op het terrein van de belastingen, en dat is iets wat hij, na lezen van het onderstaande, mogelijk grif zal toegeven. Theeuwes’ artikel is ook maar een enkele pagina en geen doorwrochte studie ten behoeve van het regeringsbeleid, dus zijn aandeel in dit onverkwikkelijke geheel kan buiten de orde vallen. In dit artikel beperken we ons aldus tot het ontmaskeren van de politieke leugenaars. Welk belang hebben zij ?

 

Cover up

 

Wat bezielt staatssecretaris Vermeend om zo te liegen ? Zolang Vermeend niet bekent, zal iedere uitspraak over het motief een speculatief karakter hebben. Maar, zoals ook detectives de kapstokken ‘motief, gelegenheid, wapen’ hanteren, zo heeft ook nu het motief enige relevantie. Het volgende geeft mijn beste vermoeden.

Het laat zich constateren dat Vermeend zonder de heffingskorting eigenlijk met lege handen staat. Hij heeft wel vernieuwingen in de aanbieding voor de vermogenden, maar ten aanzien van de laagstbetaalden heeft hij eigenlijk niets te bieden. De gangbare economische theorie biedt Vermeend geen andere mogelijkheden dan de marginale tarieven te verlagen, en daartoe dan ook de voet te verlagen. Dit is niet spectaculair. En het levert nauwelijks iets op aan werkgelegenheid, terwijl Nederland wordt geconfronteerd met een gigantisch werkgelegenheidsprobleem. Toch heeft Vermeend een reputatie hoog te houden als vernieuwer, als ‘smartie’, als degene die de PvdA-inbreng in een sterk liberaal kabinet veilig stelt, als degene die het belastingstelsel op een nieuwe leest schoeit en die daarmee de weg bereidt naar groeiende werkgelegenheid. Tja, dan is de keuze voor een schimmenspel en voor de opgeklopte leugen wel heel erg verleidelijk. De keizer probeert zijn naaktheid te verhullen. Ten minste, dat lijkt me de meest voor de hand liggende verklaring.

En wat bezielt minister Zalm om te liegen ? Nu, van Zalm is al een poging tot cover up bekend. De CPB-studie ‘Nederland in drievoud’ (1992) die onder Zalm tot stand kwam, bevat een scenario met een basisuitkering (‘basisinkomen’). Dit scenario laat zien dat met die basisuitkering ook volledige werkgelegenheid ontstaat. (5) Ieder die iets van belastingen weet, weet ook dat de basisuitkering duur is door het bestaan van huishoudende partners, en dat het goedkoper is, als tussenstap vóór de eventuele introductie van zo’n basisuitkering, éérst de belastingvrije voet op te hogen naar het bestaansminimum. Het is ook evident, op grond van de kosten en van de bestaande arbeidsethos, dat de maatschappelijke belangstelling voor zo’n verhoging van de belastingvrije voet groter zal zijn dan die voor de introductie van een basisuitkering. Waarom is dat goedkopere en interessantere scenario niet in de ‘Nederland in drievoud’ opgenomen ? Dat Zalm alleen de basisuitkering presenteert is een cover up voor het feit dat hij niet de verhoging van de voet presenteert. De discussie binnen het CPB over de voet is met machtsmisbruik tegengehouden. Ondergetekende, econometrist van het CPB die zo’n scenario met de belastingkwijtschelding voorstelde, adviseerde ook tot een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid en naar de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid, en het laat zich vermoeden dat Zalm het pijnlijk vindt indien blijkt dat de verhoging van de belastingvrije voet reeds het herstel van volledige werkgelegenheid mogelijk kan maken.

Voor de goede orde: In 1989/90 maakte ik deel uit van het projectteam voor ‘Nederland in drievoud’ en maakte de berekeningen voor het eerste ‘technische pad’. In april 1990 werd ik door Zalm uit mijn normale werkzaamheden en naar een kamer apart geplaatst. De ambtenarenrechter heeft deze verplaatsing in 1993 vernietigd, en gesteld dat hier sprake was van machtsmisbruik (détournement de pouvoir). Gevraagd om een nieuw besluit ten aanzien van die verplaatsing heeft de minister van Economische Zaken in 1997 besloten geen nieuw besluit te nemen, en te accepteren dat ik ben teruggeplaatst. Tevens meent de minister van EZ dat deze terugplaatsing geen verdere gevolgen heeft, omdat ik inmiddels ben ontslagen. Echter, feitelijk betekent het wel dat de studie ‘Nederland in drievoud’ met machtsmisbruik tot stand is gekomen, en dat kopers van dit boek niet krijgen van wat de kaft hen aan ‘wetenschappelijk onderzoek’ voorspiegelt. Tevens verzoek ik om een onderzoek van de gehele kwestie, en acht ik mijn ontslag een dwaling van het recht. De rechter heeft al in 1995 over het ontslag besloten nog voordat het besluit van de minister van 1997 over de verplaatsing bekend was.

Anno 1998 is het voor Zalm voordelig dat de heffingskorting wordt ingevoerd, omdat ook dan weer betoogd kan worden dat de verbetering van de werkgelegenheid door andere maatregelen ontstaat dan door de verhoging van de belastingvrije voet. Aldus wederom een cover up.

 

Ontkennen van het falen

 

De stukjes van de puzzle vallen op hun plaats wanneer we zien dat het kabinet dit belastingplan presenteert ‘in antwoord op de globalisering’. (Ook punten als milieu en vergrijzing worden genoemd, maar deze zijn voor ons onderwerp niet relevant.) Echter, menig wetenschapper heeft vastgesteld dat er geen sprake is van globalisering. Er is wel regionalisering, hetgeen betekent dat Nederland zijn belastingbeleid het beste met de Europese Unie kan coördineren. Maar toch beweert het kabinet dat er globalisering is.

Sterker nog, sinds 1989/90 presenteer ik een economische analyse die laat zien dat de huidige werkloosheid wordt verklaard, niet door globalisering of technologie, maar door ... het belastingbeleid ten aanzien van de belastingvrije voet.

Waar het kabinet grote kapitaalstromen Nederland ziet verlaten en stelt dat dit gebeurt door de globalisering, is een alternatieve analyse dat dit gebeurt door het falen van het eigen economisch beleid. Deze kapitaalstromen uit Nederland ontstaan door het overschot op de betalingsbalans. CPB-medewerker Van Schaaijk beschreef in 1983 dat het overschot op de betalingsbalans wordt veroorzaakt door de politiek van algemene loonmatiging, en hij deed het voorstel van een gedifferentieerde loonmatiging, met name t.a.v. de loonkosten aan de onderkant van het loongebouw. (6) Een van mijn bijdragen aan deze alternatieve visie is dat ik een verkeerd beleid constateer ten aanzien van de belastingvrije voet. Goed beleid zou zo’n gedifferentieerde loonmatiging mogelijk maken.

 

Voor het betere begrip t.a.v. de voet

 

De term ‘voet’ verwijst naar een analytisch concept. Dit kernbegrip verschilt van de juridische vormgeving van de ‘belastingvrije som’ in de belastingwetgeving. De ‘voet’ is de vrijstelling die resteert na verrekening van alle lasten en bijschrijvingen. De ‘som’ is de officiële vrijstelling exclusief andere condities. Voorbeelden van het verschil zijn:

Wellicht krijgt met hier enig beeld van de mogelijke bronnen van spraakverwarring. Om deze te vermijden spreek ik liever over de belastingvrije voet wanneer dit maar mogelijk is. Pas wanneer we overgaan van de analytische fase naar een feitelijke planfase, heeft het zin om een en ander te concretiseren. Overigens beschikt ondergetekende niet over de middelen om tot die planfase over te gaan.

 

Het belang van de voet

 

Hoewel het stelsel met een voet of som en het stelsel met een heffingskorting wiskundig aan elkaar gelijk zijn, is er een begripsmatig verschil.

In theorie is het denkbaar dat de staat de belastingheffing laat aanvangen bij A miljoen gulden per persoon, en tevens een heffingskorting hanteert van A miljoen plus of minus B wat men relevant acht voor de minima. Dit moge verduidelijken dat zo’n stelsel wat in de lucht hangt. Het lijkt dan economisch zinvoller dat het belastingstelsel verankerd wordt in de realiteit, hetgeen betekent dat de som gebaseerd is op het draagkrachtbeginsel.

Eind vorige eeuw gebruikte de Nederlandse econoom Cohen Stuart nog de analogie dat een brug alleen belast kan worden wanneer hij zijn eigen gewicht kan dragen. Deze analogie  verheldert dat iemand met een laag inkomen toch vooral in staat moet worden gesteld om eerst zichzelf te verzorgen, voordat hij of zij in staat kan worden geacht bij te dragen in de belastingen. De voet is dan het bestaansminimum.

Het verschil is met andere woorden:

In herinnering is te roepen wat Jan Pen en Jan Tinbergen in 1977 schreven:
"In de eerste plaats is het volstrekt strijdig met de rechtvaardigheid, dat inkomens beneden de welstandsgrens worden belast. De Nederlandse IB (inkomstenbelasting) treedt reeds in werking bij iemand die een Bijstandsuitkering ontvangt (al wordt deze belasting in de praktijk doorgaans niet geïnd). Dit is natuurlijk een verkeerd beginsel en zelfs een heffing over het minimumlooninkomen lijkt ons onjuist. Dat wil zeggen, dat de zogenaamde belastingvrije som behoort te worden opgetrokken. Om de gedachten te bepalen: tot een bedrag dat het minimumloon met bijvoorbeeld 20% overschrijdt, en dus voor 1976 in de buurt van de f 20.000,- ligt." (7)
Een stelsel waarin de allerarmsten ook belast worden kan niet rechtvaardig zijn. Daarnaast is er het economisch principe dat wie door belastingen te duur wordt gemaakt, minder snel werk vindt. Dat de belastingvrije voet een hoog niveau moet hebben en in de buurt moet liggen van het netto minimumloon, is een wijsheid die eigenlijk al eeuwen oud is, en die op wonderlijke wijze steeds in de vergetelheid raakt.

Waar Pen en Tinbergen in 1977 meenden dat een hoge belastingvrije voet gepaard kon gaan met grote kosten, heeft ondergetekende geconstateerd dat er zich beneden het bruto minimumloon een belastingvacuüm bevindt, waardoor het mogelijk is om belastingen kwijt te schelden, of de voet te verhogen, zonder dat dit iets hoeft te kosten. Immers, voor voltijds werkenden geldt, dat beneden het minimumloon mag niet gewerkt worden, en belastingen in dat gebied genereren dan geen inkomsten. Zij hebben daar wel een nadelig hefboom-effect op het bruto minimumloon.

Mijn analyse laat ook zien dat de belastingtarieven aangepast worden voor alleen de inflatie zodat de voet de ontwikkeling van de welvaart niet heeft bijgehouden. De overheid heeft hier geen consistent beleid gevoerd. Dit blijkt een internationaal verschijnsel te zijn, wat het internationale karakter van de huidige werkloosheid verklaart.

Niet onbelangrijk in mijn analyse is dat het overheidsbeleid een verkeerde rol toekent aan de marginale tarieven (zie boven). Men gaat uit van dogma’s in plaats van empirische gegevens.
 
 

Belastinguitgaven

 

Voor het betere begrip kan de problematiek in het licht worden geplaatst van de algemene problematiek van de ‘belastinguitgaven’. In het algemeen kan de overheid voor de stimulering of begunstiging van maatschappelijke activiteiten gebruik maken van (a) subsidies of (b) vrijstelling van belasting. Historisch is de situatie gegroeid dat subsidies wel als kostenpost in de begroting verschijnen, maar vrijstellingen niet. Deze vrijstellingen worden ook wel ‘belastinguitgaven’ genoemd om te benadrukken dat de rijksbegroting hier een groot manco vertoont. Voor onze bespreking kan dan de vraag opgeworpen worden of de belastingvrije voet ook zo’n belastinguitgave is. Hier moet het antwoord ontkennend zijn. Immers, de voet is gebaseerd op het draagkrachtbeginsel, en de voet is daarmee een noodzakelijk gegeven en geen kostenpost. Aldus, ook, waar het kabinet zich eigenlijk zou moeten inspannen de belastinguitgaven in de begroting op te nemen, begaat zij de fout om de heffingskorting daarin op te nemen, die juist geen belastinguitgave is.

 

Tweede orde effect

 

Bovenstaande bespreking geeft aan dat ondanks de wiskundige identiteit van een stelsel met belastingvrije voet en een stelsel met een heffingskorting, er toch een inhoudelijk filosofisch verschil bestaat. Dit roept de vraag op of het kabinet wellicht toch gezuiverd kan worden van de beschuldiging van leugen en bedrog. Immers, het parlement en de kiezers wordt wel degelijk een keuze voorgelegd, ook al wordt niet duidelijk aangegeven dat de belastingstelsels wiskundig gelijk zijn.

Te constateren is echter dat het kabinet nergens duidelijk verklaart dat men het draagkrachtbeginsel wil verlaten. Sterker nog, het kabinet stelt het draagkrachtbeginsel te willen versterken, door de grondslag voor de belastingen te vergroten (door het schrappen van diverse aftrekposten). Tevens doet men afbreuk aan het draagkrachtbeginsel door de belastingvrije voet als een ‘kostenpost’ te beschouwen. Aldus, waar sprake zou kunnen zijn van een reële keuze wordt deze niet door het kabinet gepresenteerd.

Het feit dat men iets ter keuze aan het parlement voorlegt, is geen voldoende argument. De wijze waarop een en ander gepresenteerd wordt is wel degelijk van belang.

 

Breidel van de wetenschap

 

Waar de verschillende opties van het kabinetsplan zijn doorgerekend door het Centraal Planbureau, is de grootste leugen van het kabinet het bedrog omtrent de status van dit bureau. De directie van dit bureau, gesteund door het kabinet, breidelt al jaren het onderzoek naar de invloed van de belastingen op de werkgelegenheid, en verkracht de wetenschap. Als wetenschappelijk medewerker van dit bureau protesteer ik al jaren tegen de breidel van de wetenschap en het mij op valse voorwendselen aangezegde ontslag in 1991. In plaats van dit te onderzoeken doet het kabinet het echter voorkomen, zonder onderzoek en gelovend op de mooie blauwe ogen van zijn directie, (8) alsof het CPB op nette wijze de wetenschap beoefent.

Het huidige gemankeerde CPB is niet in de positie om correct wetenschappelijk advies te geven. Het gevolg is dat aan de diverse CPB berekeningen grote gebreken kleven. In het bijzonder wordt de belastingvrije voet opgevoerd als een kostenpost, en ontbreekt een scenario waarin wordt uitgegaan van een voet op het niveau van het bestaansminimum. (9)

Ook wordt mijn analyse t.a.v. de belastingen en de werkgelegenheid al jaren door de directie van het CPB genegeerd, gebreideld en tegengewerkt. Door mij ingevoerde begrippen als ‘belastingvacuüm’, ‘differentiële indexatie’, ‘hefboom-werking van de voet t.a.v. het bruto minimumloon’, ‘dynamische marginale tarief’ en dergelijke zijn essentieel voor het onderwerp van belastingen en werkgelegenheid, maar worden met wetenschappelijk bedrog uit de discussie gehouden. (10)
 
 

 

Vertrouwenscrisis

 

In het algemeen is mijn conclusie dat er sprake is van een vertrouwenscrisis. Minister Zalm (VVD) was de CPB-directeur die mij met valse voorwendselen ontsloeg. Dit gebeurde onder minister Andriessen (CDA) die geen onderzoek instelde. Kamerlid Melkert (PvdA) heeft geen kamervragen gesteld, en is nu minister van SZW die bovengenoemde kabinetsnota onderschrijft. Minister Wijers (D66) van EZ is nu verantwoordelijk voor het CPB, en hoewel nog steeds beroepszaken lopen en ik hem met kracht van argumenten om een onderzoek heb verzocht, heeft ook hij geen onderzoek ingesteld.

Met Zalm, Andriessen, Melkert en Wijers zijn slechts enkele namen van hoofdrolspelers genoemd. Er zijn vele anderen en andere instellingen te noemen. Bijvoorbeeld Groen Links. Daar weet bijvoorbeeld Kees Vendrik al jaren van mijn ontslag door het CPB, maar hij heeft daar verder nooit belangstelling voor getoond. En met een raar verhaal ten aanzien van de EMU staat hij nu op een verkiesbare plaats voor de kamerverkiezingen van 1998. Of bijvoorbeeld de Koninklijke Academie van Wetenschappen, die een onderzoek naar mijn ontslag afwijst, met het argument dat men zich niet bemoeit met arbeidsrechtelijke problemen bij andere instellingen; terwijl mijn stelling is dat de directie van het CPB misbruik maakt van het zwakke ambtenarenrecht om de wetenschap te breidelen. Of de journalistiek, die al sinds 1990 van mijn advies tot een parlementaire enquête weet, en die er niet over bericht.

Waar burgers denken te kunnen vertrouwen op hun overheid, is wezenlijk de grond voor dat vertrouwen weggeslagen. Mijn analyse is in het algemeen dat de Trias Politica een onvoldoende scheiding van machten geeft, waardoor de bestaanszekerheid van vele burgers onvoldoende waarborgen krijgt (op. cit.).
 
 
 

Boek

 

Onlangs hebben journalisten Hans Hulst en Auke Hulst met mijn medewerking een boek gepubliceerd waarin een en ander wordt uitgewerkt voor het grotere publiek. (11) De recensent schreef van LEF schrijft:

"Dit boek is van groot belang, een absolute must voor sociaal en klassiek liberalen. Sterker nog, het behoort tot de noodzakelijke literatuur van iedereen - ongeacht zijn politieke kleur - die zich met het werkgelegenheidsvraagstuk bezighoudt." (12) De recensent van "DISK" schrijft: "(...) een interessant, goed leesbaar boek, dat voor vuurwerk zorgt en degelijke argumentatie aandraagt. Nuttig voor eigen studie. Bruikbaar in groepswerk. Ondersteunend voor de armoedebeweging in het publieke debat. Wij raden het gaarne aan." (13) Er zijn twee reacties geweest van economen die het boek weliswaar lezenswaardig vonden, maar die ook kritiek hadden t.a.v. de analyse. Hopelijk tonen de universiteiten interesse voor de analyse, zodat een en ander nader uitgelegd kan worden.
 
 
 

Conclusie

 

Aangetoond is dat het kabinet liegt en bedriegt ten aanzien van de betekenis van de heffingskorting, terwijl men de burger maar wat voorspiegelt ten aanzien van de kwaliteit van de uitgebrachte adviezen. Tevens hebben we laten zien dat het kabinet een gevestigd belang heeft om de zaken verkeerd voor te stellen. Het staatsapparaat wordt erop ingericht om de burger te belazeren.

Ik ben, voor de goede orde, niet ingegaan op de belangen die bestaan ten aanzien van het voortduren van werkloosheid. Die diepere belangen zijn hier niet aan de orde. Wel aan de orde is dat de huidige voorgestelde operatie ten aanzien van de invoering van een heffingskorting betekent dat het voor anderen minder zichtbaar wordt wat de werkelijke oorzaken van de aanhoudende werkloosheid zijn. Met een heffingskorting wordt het veel moeilijker om te zien dat de huidige werkloosheid veroorzaakt wordt door een verkeerd beleid ten aanzien van de belastingvrije voet. De invoering van de heffingskorting zal het velen nog moeilijker maken om in te zien waarom het overheidsbeleid al jaren economisch incorrect is. De invoering van de heffingskorting is met andere woorden ook een ‘cover-up’ ter afdekking van decennia lang beleidsfalen.

Te hopen is dat wetenschappers en burgers ook door deze gang van zaken rond dit belastingplan gaan beseffen dat er veel waarde zit in mijn advies tot een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid van de laastste decennia en de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid. Zie hier ook de informatie op het internet: http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/TPnCPB/TPnCPB.html

Voor de goede orde benadruk ik dat ik slechts spreek ter verdediging van de integriteit van de wetenschap. Ik heb hier geen politiek doel ten aanzien van belastingvrije voet of heffingskorting. Het is aan de politiek om de constructies te kiezen. De wetenschap heeft hier slechts een dienende rol, en de wetenschap moet zwijgen wanneer de discussie zich in toespitst op de preferenties.

In de huidige fase echter ligt nog de vraag voor naar de wetenschappelijke correctheid van de analyses. In dit stadium is het gepast om uiterst verontwaardigd te protesteren tegen het huidige gigantische bedrog, en tegen de breidel en de verkrachting van de wetenschap. (14)

 

26 april 1998, Thomas Cool, Scheveningen
 


Voetnoten

 
  1. ESB, Themanummer “Belastingen in de 21 eeuw”, 27 februari 1998; ESB Themanummer, “De earned income tax credit, het (naast-) beste plan voor de arbeidsmarkt”, 3 april 1998
  2. Althans, met voorbijgaan aan de hefboom-effecten op het minimumloon.
  3. Thomas Cool, “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap 1994
  4. Deze leugen staat dus vast, onafhankelijk van de vraag of er nog complexere constructies zijn, bijvoorbeeld dat de één de ander in het bedrog meesleurt, en dergelijke.
  5. Centraal Planbureau, “Nederland in drievoud”, SDU 1992
  6. Schaaijk, M. van (1983), “Loondifferentiatie en werkloosheid”, ESB 21/9/83; Bakhoven, A. (1988), “Een marktgerichte oplossing voor het werkloosheidsprobleem”, ESB 13/1/88
  7. J. Pen en J. Tinbergen, “Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling”, Elsevier 1977, pagina 188
  8. Er zijn weliswaar gerechterlijke uitspraken die nadelig voor mij lijken te zijn, maar deze zijn gebaseerd op het ontbreken van onderzoek. Want het ambtenarenreglement schijnt geen recht op onderzoek te verlenen. Dit is een soort catch 22, waar machthebbers misbruik maken van de mantel van het recht.
  9. De CPB-varianten met de som kunnen dus irrelevant of zelfs misleidend zijn voor een analyse t.a.v. de voet.
  10. Cool, CPB-notities, en “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap 1994
  11. H. Hulst en A. Hulst m.m.v. Th. Cool, “Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt”, Thesis Publishers 1998
  12. C. Stalpers, “Een brug mag pas belast worden, als hij zijn eigen gewicht kan dragen. Bespreking van Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt”, LEF, blad van de JOVD, april 1998
  13. H. Crijns, 'Recensie "Werkloosheid en armoede"', DISKkrant leestafel armoede, april 1998
  14. Paul Krugman gebruikte de term ‘sheer intellectual outrage’ voor een soortgelijke situatie.
 

BIJLAGE: Samenvatting