Paul Krugman en sociologie

 

 

 
Paul Krugman is misschien wel de populairste econoom van onze tijd. Hij combineert vakmatige gedegenheid met helder taalgebruik en hoge maatschappelijke relevantie. Zijn werk is mijns inziens van betekenis voor de sociale wetenschappen. Hieronder bespreek ik de verschillende aspecten, daarbij gebruikmakend van eigen werk.

 

 

Krugman

 

Prof. dr. P. Krugman is een 45-jarige hoogleraar economie van MIT, die ook een reputatie heeft opgebouwd onder het grotere publiek met artikelen in Foreign Affairs, Science en ‘overige publieksbladen’. Ook in Nederland is zijn roem groeiende. Eind 1996 hield hij op uitnodiging van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde de 10e Tinbergen-lezing. Zijn bezoek aan Nederland ging vergezeld van paginagrote besprekingen en interviews in de Volkskrant (1) en Intermediair (2). Kamerlid prof. dr. F. van der Ploeg (UvA): "Ik heb hem genomineerd voor de Nobelprijs." (3) Ikzelf kan zijn werk ook van harte aanbevelen. Dit alles schrijvend besef ik dat een en ander op zichzelf natuurlijk geen aanbeveling hoeft te zijn. Populariteit is geen garantie voor kwaliteit, en zeker sociologen zullen an sich critisch staan ten opzichte van economie. Hoe dan ook: Krugman combineert de kwantitatieve degelijkheid van een modern econometrist met het schrijftalent van John Kenneth Galbraith, en hij heeft inmiddels een aantal publieksboeken doen verschijnen die zo langzamerhand het sine qua non van het maatschappelijk debat worden. (4)

Paul Krugman steekt al zo’n vijf jaar de draak met de wijze waarop mensen (5) over het economisch beleid besluiten. Het grote economische probleem is de productivity slowdown, de vermindering van de groei van de productiviteit sinds de jaren zeventig en de omslag van een lange periode van hoge verwachtingen naar een lange periode van tegenslag, werkloosheid en lage verwachtingen. Krugman kijkt dan naar het beleid ten aanzien van de handel en technologie, en het effect op de werkloosheid. Hij geeft vervolgens vooral aan wat de werkloosheid niet verklaart. Zijn positie is ‘negatief’ - hoewel dat negatiever kan klinken dan het is. Hij constateert namelijk dat wat regeringen en ook vele economen beweren onzin is. Krugman stelt: De werkloosheid wordt dus niet veroorzaakt door handel (‘globalisering’, lage lonen landen) en ook niet door technologie. De oorzaak van de werkloosheid is zodoende denkelijk niet extern, maar intern aan de economieën van de rijke landen. Terwijl deze aannames van ‘globalisering’ en technologie juist wel de peilers zijn van het macro-economisch beleid van de rijke landen ! (6)

Hoe kan het toch, dat het economisch beleid van hoogontwikkelde westerse regeringen is gebaseerd op onzin ? Krugman hanteert hier de term conventional wisdom - een term die via Galbraith in de voertaal gekomen is - en sociologen zullen wel een beeld hebben hoe deze conventional wisdom tot stand komt. Veel meer zegt Krugman er niet over.

Nuttig is te melden dat Krugmans eigen werk werd misbruikt - gebruikt met evident verkeerde interpretatie, terwijl hijzelf bovendien niet gehoord werd. Hij werd aanvankelijk zeker niet gehoord toen hij het misbruik aan de kaak stelde. Krugman merkt op dat hij als persoon helemaal niet ‘negatief’ is ingesteld. Zijn artikelen zijn niet geschreven omdat hij er behagen in zou scheppen om op het werk van anderen af te geven - ook al erkent hij dat dit zijn leuke kanten kan hebben. Hij wekt inderdaad in woord en geschrift het beeld van een positief ingesteld en begrijpend persoon. Het punt is, blijkbaar, dat wanneer iemand onzin verkoopt, dit opvalt, en dat goede wetenschappers gaan tegensputteren, zeker wanneer het de spuigaten uitloopt.

Een wat langer citaat verduidelijkt veel:

"In 1992 had Krugman ‘een openbaring’. Dat klinkt zwaar, geeft hij toe. ‘Een psycholoog zal je er waarschijnlijk op willen wijzen dat ik in dat jaar veertig werd.’ Maar toch. ‘Ik realiseerde me ineens dat de wereld niet lette op wat er in mijn dorpje [academie / TC] gebeurde. Dat de kletskoek over economie voor waar werd gehouden. Dat mensen echt niet beter weten. Dat het beleid op kletskoek werd gebaseerd.’ Krugman ontstak in woede, ‘sheer intellectual outrage’. (...) Krugman werd, in elk geval in de Verenigde Staten, een publieke figuur. ‘Paul Krugman, The Great Debunker’, kopte Newsweek in maart van dit jaar." (7) Het debunken, volgens Rick van der Ploeg: "Hij heeft reputaties van big shots naar de kloten geholpen. Van Bill Clinton, Jacques Santer, en bijvoorbeeld ook van Lester Thurow. In Nederland zou hij mensen aanpakken als Paul Kalma, Arie van der Zwan en Jan Timmer vanwege hun protectionistische uitlatingen." (8) Vervolgens kunnen we ons de vraag stellen: Krugman kan wel allerlei kletskoek debunken, maar wat wat heeft hij positief te melden ? Echter, hij stelt helder dat hij niet goed weet wat de productivity slowdown en de daarmee gemoeide massale werkloosheid en armoede verklaart. Hij is daarmee treffend de arts die niet meedoet met het aderlaten omdat hij ziet dat het niet helpt, maar die ons ook niet kan vertellen wat er dan wel moet gebeuren.

 

Sociologie

 

Krugman’s werk is van belang voor de sociologie. Ten eerste heeft hij een ‘case’.

Wat Krugman in de publieksartikelen aan de orde stelt, is onder goede economen al lang gemeengoed. Als communicator naar het grote publiek blijkt Krugman nogal effectief, en een belangrijke reden daarvoor is dat hij eigenlijk geen tegenstand van vakgenoten krijgt: omdat zij het nogal met hem eens zijn. (9)

Sociologen zouden willen verklaren hoe het toch kan dat het beleid zich baseert op gedachten die geen draagvlak hebben onder deskundigen.

In het aangehaald citaat van Van der Ploeg is het woord "reputatie" interessant. Van der Ploeg’s verklaring klinkt redelijk. Klinkt. Kunnen we, namelijk, constateren dat door hun geknakte reputaties Clinton niet herkozen is ... en dat Santer en Thurow ontslagen zijn ... ?? Nee, men is nog in functie. Van der Ploeg’s verklaring zou alleen juist zijn wanneer de beleidsmakers en opinion leaders hun invloed baseren op pure macht - een machtspositie die blijft bestaan ondanks hun geknakte reputaties. Dit lijkt minder waarschijnlijk. Waarschijnlijker is het dat genoemde reputaties beschadigd zijn in de ogen van mensen als Van der Ploeg zelf, maar nog niet in de ogen van het grote publiek. De reputaties zijn dus niet ‘naar de kloten’, en Rick van der Ploeg is dus ook een grote kletskous - en deel van het probleem. (10)

Het citaat met het woord "reputatie" is overigens van Van der Ploeg, en niet van Krugman. Dat is niet onbelangrijk. Krugman zelf is minder expliciet in zijn verklaring. Krugman stelt zich minder analytisch en meer beschrijvend op. Hij gaat vooral in op wat iemand zegt, en besteedt minder aandacht aan het proces. Bijvoorbeeld beschrijft hij wel hoe mensen als Lester Thurow of Ira Magaziner in feite na de ene ramp veroorzaakt te hebben doorpromoveren naar een ander gebied waar ze de volgende ramp mogen maken, maar Krugman beperkt zich hier tot een beschrijving en geeft aldus weinig analyse. Het meest sociologisch is zijn gebruik van de term conventional wisdom.

De lezer moet altijd in gedachten houden dat de hier besproken boeken van Krugman vooral publieksboeken zijn. Zijn vakgebied is internationale economie en niet bestuurskunde of zo. Krugman kan vakmatig alleen ingaan op wat mensen over economie beweren, en hij is - intellectueel zuiver - terughoudend op andere terreinen. Het onderscheid is hier scherp. De internationale economie is zijn vakgebied, en niet de political economy. Van der Ploeg beschouwt zichzelf wel nadrukkelijk als politiek econoom, en zijn ‘reputatie-analyse’ hierboven valt wel onder zijn competentie (ook al is die incorrect).

De tweede reden waarom Krugman voor de sociologie interessant is, is het citaat:

"Ik denk dat de groeiende inkomensongelijkheid ook te maken heeft met veranderende normen en waarden. Maar dan kom je al gauw terecht in wat (de Amerikaanse econoom) Solow ooit heeft aangeduid als de hete lucht van amateur-sociologie." (11) Voordat nu sociologen blij worden dat de zoveelste econoom tot het inzicht komt dat hij beter sociologie had kunnen studeren - en tegelijk bang dat men nu ‘sociologie’ gaat doen zonder zich er goed in verdiept te hebben - breng ik gaarne de definitie van staathuishoudkunde in herinnering. "Economie" heette van oorsprong "political economy", in het Nederlands "Staathuishoudkunde". Aldus, alles wat het reilen en zeilen van de staat aangaat, hoort per definitie hier thuis. De staathuishoudkunde benut overigens waar nodig de ‘andere’ wetenschappen. Dat kan alles zijn, maar vooralsnog blijkt het economischer om eerst naar sociologie en bijvoorbeeld ook politicologie te kijken. Dat is ook de richting die Krugman aangeeft. Hij geeft het aan, maar is bescheiden ten aanzien van zijn eigen bijdrage hier.
 
 
Relatie tot mijn eigen werk
 

Ik kom er niet zomaar toe een artikel aan Krugman en sociologie te wijden. Mijn eigen werk begeeft zich al enige jaren op hetzelfde terrein van (a) economisch beleid dat is gebaseerd op apert onjuiste aannames en beweringen, (b) analyse van de processen hoe dat falen mogelijk is.

Ikzelf heb een positieve analyse t.a.v. de werkloosheid geformuleerd, en deze analyse vult heel mooi (en niet ontoevallig) het ‘negatieve’ werk van Krugman aan. Krugman erkent dat hij geen expert is op het terrein van de belastingen, terwijl mijn verklaring juist innovatief is op dat terrein van de belastingen. (12) Ik zeg meer over de relatie van mijn werk en dat van Krugman in een recent paper. (13)

Ik verklaar het falen van het economisch beleid met het bestaan van een zwakke plek in de Trias Politica, een weeffout waardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met de bestaanszekerheid van de burgers. Zowel in de Grote Depressie als in de laatste 25 jaar bestaat er een massale werkloosheid die overbodig blijkt, en die te voorkomen was geweest wanneer voldoende aandacht zou zijn gegeven aan het advies van ter zake kundige wetenschappelijke economen. Destijds Tinbergen en Keynes, momenteel van mij, Krugman en anderen. De zwakke plek in de Trias Politica is aan te pakken met de grondwettelijke instelling van een Economisch Hof met welomschreven taken ten aanzien van het bewaken van de kwaliteit van de informatie. Hierdoor blijft het budgetrecht van het parlement onaangetast, maar bestaan er betere waarborgen voor de informatie op grond waarvan de keuzes worden gemaakt. Het gaat om betere informatie, en niets anders. Dit voorstel staat haaks op de huidige praktijk, waarin overheden er niet voor terugdeinzen om de burger maar wat voor te spiegelen, en om wetenschappers tot zwijgen te verleiden of met machtsmisbruik de mond te snoeren.

In de huidige constellatie komt menigeen in de verleiding om waar economisch advies faalt, alle economie maar weg te doen. Maar, de uitdaging is juist om die constellatie te vinden, waarbij het bruikbare economisch advies tot stand komt. Die constellatie moet er ook voor zorgen dat de juiste raadspersonen worden geselecteerd. Waar de huidige selectie op ellebogenwerk gebaseerd is, raakt het economisch beleid vast in een suboptimale situatie.

Voor Nederland zijn mijn proposities: (1) dat Nederland de correcte analyse van de werkloosheid misloopt door machtsmisbruik binnen de rijksoverheid, en (2) dat dit machtsmisbruik ongedaan gemaakt moet worden wil de situatie verbeteren. Mensen die alleen over de werkloosheid willen praten, met voorbijgaan aan deze situatie en het machtsmisbruik, zijn dan slachtoffer van de bekende ‘partiële rationaliteit’ (of niet zo moedig).

Het is interessant om deze analyse te stellen tegenover de ‘reputatie-analyse’ van Van der Ploeg. Van der Ploeg erkent dat het beleid niet gebaseerd is op (reeds bestaande !) wetenschappelijke inzichten. ‘Opinion leaders’ negeren wetenschappelijke inzichten, en ze negeren ook de dragers en ontwikkelaars daarvan. Doodgewoon ellebogenwerk, dus. Toch trekt Van der Ploeg die conclusie (nog) niet.

Op de NVMC onderzoeksdag van 1996 heb ik een paper gepresenteerd waarin ik poog krachten te identificeren die op dit terrein spelen. (14)

Mijn analyse is betrekkelijk onbekend. Anderen hebben ellebogenwerk toegepast om mijn analyse uit de aandacht te houden. Mocht deze bewering ‘negatief’ overkomen: ook ikzelf ben een positief en begrijpend ingesteld persoon, maar ook ik heb een sheer intellectual outrage. (15)

Voor de volledigheid: Krugman zoekt de oplossing eerder in normen en waarden, bijv. de bereidheid om de inkomens te verdelen, en niet in de structuur van de besluitvorming. Wat zegt mijn analyse over normen en waarden ? In mijn analyse zijn deze in het onderhavige geval vooral volgend, d.w.z. dat vele kiezers (16) en beleidsmakers berusten in werkloosheid en armoede omdat er geen alternatief lijkt te bestaan. Normen en waarden zijn dus niet zozeer leidend zoals Krugman vooralsnog suggereert. Sociologen zouden goed werk kunnen doen door een en ander te toetsen.
 

Conclusie
 

Het sociologisch probleem betreft de wijze waarop over het economisch beleid wordt besloten. Bij Krugman is de reden waarom de kletskousen zoveel aandacht krijgen en invloed hebben welbeschouwd nogal vaag - de genoemde conventional wisdom. Bij mij is het uitgewerkt: er is een structuurfout in de Trias Politica, waardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met de bestaanszekerheid van de burgers. Er bestaat hier aldus een structurele analyse - op het terrein van zowel economie en sociologie (en politicologie).

Van belang blijkt: Noch mijn analyse noch mijn protest tegen de breidel door de directie van het CPB van die analyse, hebben toereikend respons gehad. Ook dat is een empirisch bewijs voor het bestaan van zwakke structuren die een productivity slowdown in de hand werken.

Aan de faculteiten voor economische wetenschappen en econometrie en de faculteiten voor sociale wetenschappen (en die der politicologie) wordt ongetwijfeld vaak goed werk gedaan. Punt blijft dat de wetenschappelijke motivatie die van de waarheidsvinding is: en deze raison d’être raakt in de knel wanneer men de ogen sluit voor machtsmisbruik als verklarende factor. Een mogelijk voorbeeld zijn de recente artikelen van Koch (16) en Van Schendelen (17). Zij gaan over ‘de staat’, ‘klokkenluiders’ en ‘wachtgelden’, en zijn gezien mijn analyse en genoemde breidel relevant. Het is natuurlijk niet correct om algemene conclusies te trekken uit slechts twee - expliciet geselecteerde - artikelen. Toch hebben genoemde artikelen niet de diepgang die gezien het door Krugman en mij gestelde probleem mogelijk is. Het laat zich dan hopen - en welbeschouwd verwachten - dat in ieder geval Krugman’s werk zoveel aandacht zal trekken, dat het probleem op den duur wel gezien en opgepakt zal worden.

 

Thomas Cool, 5 mei 1997

(Niet geplaatst door Facta.)
 
 

Voetnoten

PM ewp referenties zijn van het Economic Working Papers Archive, beschikbaar via mijn home page.
  1. Frank Kalshoven, “Kruisvaarder tegen kletseconomen”, de Volkskrant 19 oktober 1996
  2. Ed Lof, interview met Krugman, “‘Centrale banken houden de werkloosheid in Europa hoog’”, Intermediair 25 oktober 1996
  3. De Volkskrant, 19/10/96 op. cit.
  4. Krugman, P. (1994a), “The Age of diminished expectations”, 4th revised and updated edition, MIT

  5. Krugman, P. (1994b), “Peddling prosperity”, Norton
    Krugman, P. (1996), “Pop internationalism”, MIT (in Nederland het boek “De borreltafeleconomie”)
  6. Ik schreef eerst “moderne staten”, maar “mensen” is beter. Zie onder.
  7. Zie voor Nederland bijvoorbeeld de directeur van het Centraal Planbureau prof. dr. F.J.H. Don, “Arbeidsmarktstrategie in een mondiale economie”, opgenomen in “De Nederlandse ArbeidsmarktDag 1995”, CBS/NAD 1996. Zie ook mijn bespreking daarvan.
  8. De Volkskrant, 19/10/96 op. cit.
  9. De Volkskrant, 19/10/96 op. cit.
  10. Voor de goede orde: ook mijzelf was reeds bekend wat Krugman in zijn publieksboeken naar voren brengt (op enkele details na, en vervolgens zegt hij het wel heel mooi).
  11. Van der Ploeg is minder critisch, en lijkt rekening te houden met machtsposities. Bijv. is Van der Ploeg nog betrekkelijk aardig voor Kalma, en hij noemt niet de voor het Nederlandse beleid belangrijke Don, die op. cit. ook onzin over ‘globalisering’ verkoopt.
  12. Intermediair, 25/10/96 op. cit.
  13. Zie Thomas Cool, “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap 1994. Zie de bespreking daarvan door Ed Lof, “Roepende in de woestijn”, Intermediair 23/12/94. Een overzichtsartikel is: Thomas Cool, “Belastingstructuur, inflatie en werkloosheid” opgenomen in “De Nederlandse ArbeidsmarktDag 1995”, CBS/NAD 1996 p173-188
  14. Thomas Cool, “Unemployment solved: An answer to Krugman, Phelps, Ormerod and Heilbroner”,1997, ewp-get/9704002
  15. Thomas Cool, “An institutional explanation of stuctural unemployment of low income labour”, Presentation for the 7th Research Day of the Social Sciences, Amsterdam 1996, ewp-oth/9605001
  16. Het ellebogenwerk is overigens feitelijk aangetoond, maar dat wist u al, want anders zou ik het niet zeggen. Het “Verslag NVMC-commissie inzake Th. Cool versus het CPB” (dit had “directie CPB” moeten zijn, en niet “het CPB”) is een begin, en er is een stapel stukken van een meter hoog.
  17. Vele, en niet alle. Want in cruciale gevallen wordt machtsmisbruik gepleegd om onwelgevallige informatie tegen te houden.
  18. Koen Koch, “Premiejagers bij de overheid”, Facta, 7 november 1996, p2-4
  19. M. van Schendelen, “De fictie van de formele staat”, Intermediair 26 juli 1996, p30-33