Er is een parlementaire enquête gewenst 

naar de voorbereiding van het economisch beleid



70 Nederlandse economen schreven een gezamenlijk manifest met de duidelijke titel: "Met deze EMU kiest Europa (de) verkeerde weg" (de Volkskrant 13/2/97). Deze groep van 70 sloot zich aan bij de waarschuwing van internationaal vermaarde economen als Krugman, Summers, Vickrey en Modigliani. Het manifest paste bij de fundamentele aarzelingen van Engeland en de meer praktische problemen van diverse Europese landen om aan de criteria van de EMU te voldoen. Het leek er aldus op dat de wetenschap de maatschappij weer positief van dienst was.

Wat aanvankelijk veelbelovend leek, bleek bij lezing van het manifest echter problematisch. Het manifest bevatte forse fouten. Gelukkig traden enkele veiligheidskleppen in werking, en werden veel van deze fouten snel opgepikt. Het commentaar van politici (de Volkskrant 13/2/97), Kalshoven (de Volkskrant 15/2/97) en Heij (de Volkskrant 17/2/97) was niet mals, en de vragen van Zijlstra (de Volkskrant 17/2/97) waren pijnlijk.

Het betoog van de "groep van 70" is aldus afgeserveerd. Het is goed om dat te constateren. Maar, dat gezegd zijnde, laat zich nog wel vragen: zijn we er nu ? Kunnen we tot de orde van de dag overgaan ? Mijn antwoord is dat men veel van dit incident kan leren wanneer men de tijd neemt om de goede vragen te stellen. Enkele van die vragen zijn: Kan dit zomaar ? Hoe heeft dit kunnen gebeuren ? Gebeurt het vaker ? Treden de veiligheidskleppen altijd in werking ? Bestaat zo’n proces ook binnen de politieke partijen ? Hoe nu met opmerkingen omtrent de EMU t.a.v. de versterking van het werkgelegenheidsbeleid die wel valide zijn ?

Na het overdenken van dit soort vragen zou ikzelf twee lessen willen voorstellen - twee lessen waarover het maatschappelijk debat wel zinvol kan gaan. De eerste les is dat economie een veel moeilijker vak is dan sommigen beseffen. Iedereen gaat weliswaar dagelijks met geld om en velen raken dan blijkbaar verleid te denken dat men veel van economie weet, maar bescheidenheid zou beter zijn. Ook economen van de ene specialisatie zouden terughoudend moeten zijn ten aanzien van de andere specialisaties. Iedere econoom weet wel iets van economie, zoals iedere dokter wel iets van medicijnen weet; maar niet iedere doktor is bekwaam op de vele terreinen van de medische wetenschap, en zo ook voor economen. Dat betekent niet dat we niet met elkaar kunnen praten. Wat iedereen wel kan doen is goed nadenken over de criteria op grond waarvan men zijn economisch adviseur kiest. Deze criteria kunnen breed toetsbaar zijn - zoals openheid en controleerbaarheid - en hierover kan iedereen wel meepraten. Dus, wanneer je als groep van 70 wilt optreden, dan ofwel als relatief homogene groep van macro-economen, ofwel als heterogene groep maar dan alleen critiek geven op procedurele punten zoals over de mate van openheid en dergelijke.

De tweede les is dat het advies tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het economisch beleid almaar zinvoller wordt. Sinds 1989/90 adviseer ik daartoe. De directie van het Centraal Planbureau misbruikt arbeidsrechtelijke middelen om de inhoud van het debat te beïnvloeden, en pleegt daarmee breidel van de wetenschap. De modellen waarmee het beleid wordt doorgerekend bevatten een belangrijke fout, en over deze fout mag niet worden gesproken. Een paper is tegengehouden, de auteur - ondergetekende - is met machtsmisbruik uit zijn functie geplaatst, en uiteindelijk ontslagen. Men merke hierbij de problematische opstelling van de "groep van 70". Er zitten economen bij die van de kwestie hebben gehoord maar die niet reageren. Ten eerste is men macro-economisch onvoldoende geschoold om te begrijpen waar het inhoudelijk om gaat. Ten tweede heeft men weinig interesse voor procedures, bijv. omdat die ‘niet relevant zijn voor het eigen vakgebied’.

We zijn alleen geholpen met integriteit en respect voor de wetenschap. Mijn voorbeeld is hier Tinbergen, en ik wacht op begrip van de collega’s.
 
 

Thomas Cool, 17/2/97