Aan prof. dr. A. Köbben
Leiden

Kopie: NRC redactie

 

8 maart 1999
Betreft: Breidel van de wetenschap

 

 

 

Geachte professor Köbben,

 

Bij voorbaat mijn dank voor uw boek "De onwelkome boodschap", waarvan ik bij lezing daarover in de NRC meteen een exemplaar heb besteld.

Ik schrijf u momenteel vanuit het vermoeden dat u en drs H. Tromp mijn casus in het boek niet noemen, daar u mij immers geen concept-teksten ter beoordeling voorgelegd heeft. Wellicht is er later nog reden u te schrijven wanneer ik het boek gelezen heb, doch ik kan nu al goed reageren n.a.v. het NRC-artikel.

Zoals een goed betoog doet, stelt de spreker eerst zijn betrouwbaarheid vast. In mijn geval ben ik niet alleen een bescheiden, behulpzaam en integer wetenschapper maar ook een uitermate bekwaam econometrist. Ik heb heel goed werk gedaan op het Centraal Planbureau, ik was een paar jaar geleden projectleider voor de Vervoer-Economische Verkenningen van het ministerie van V&W, vorig jaar werd in The Economic Journal mijn Economics Pack gunstig besproken, en mijn onderzoek aan de werkloosheid, het Theorema van Arrow, alsmede andere topics, is grensverleggend.

Tegelijk adviseer ik tot een parlementaire enquête naar de meer dan 20 jaar massale werkloosheid en de rol van de beleidsvoorbereiding daarbij, en in het bijzonder de rol van het Centraal Planbureau. Tevens stel ik dat de directie van het Centraal Planbureau de wetenschap breidelt, en mijn persoon met onheuse argumenten op een zijspoor gezet heeft en uiteindelijk (in 1991) ontslagen.

Waar mijn persoon i.h.a. onbekend is, en het CPB (grotendeels terecht) een grote reputatie geniet, blijkt mijn advies tot de enquête en mijn protest tegen de breidel op ongeloof te stuiten. Waar mijn persoon wel bekend is, overweegt het geloof dat men aan het CPB hecht. Het CPB neemt inderdaad een machtige positie in het macro-economisch netwerk in. Nederlandse economen mijden mij en mijn werk, en journalisten volgen het voorbeeld. Laat me hier ook opmerken dat mijn bestaan de laatste 10 jaar een uiterst onzekere is, zodat mij ook de rust heeft ontbroken om op een normale wijze aan meer (internationale) erkenning te werken.

 

Het NRC-artikel bevat een paar m.i. onjuiste stellingnames.

Ten eerste schijnt u te stellen "dat er nooit één partij voor de volle 100 procent gelijk heeft". Dat is in mijn geval onjuist: Ik heb er namelijk zorgvuldig zorg voor gedragen alle punten van twijfel uit mijn casus te verwijderen. U mag ervan uit gaan dat een scherpzinnig econometrist dit heel goed kan, en dat juist zo'n leerling van Tinbergen heel goed weet dat je geen onverdedigbare stellingen moet proberen te verdedigen.

Ten tweede creëert u een tegenstelling tussen collegialiteit en loyaliteit van de omgeving en een "Galileïsche geesteshouding" van het buitenbeentje. Ook dit lijkt me onjuist. Wanneer het meisje verkracht wordt, dan is het niet "Galileïsch" dat ze daartegen protesteert !

Evenzeer wordt mijn huidige schrijven bepaald door dat protest tegen verkrachting, en moet men van mij hier niet het zoetgevooisde taalgebruik van een diplomaat verwachten. En wanneer men mij niet serieus neemt, in deze belangrijke kwestie, dan kan men niet verwachten dat ik niet soms boos word.

 

Aan de andere kant zijn er in het NRC-artikel ook enkele juiste observaties.

Zo is het inderdaad juist dat er eigenlijk geen instantie is voor dit soort problemen. Ook in mijn geval hebben Ecozoek, KNAW, CPB-visitatie-commissie, EZ-bezwarenprocedures, Ambtenarenrechter, Ombudsman, de journalistiek, het parlement, e.d. het allemaal laten afweten. Merk op dat dit nog niet betekent dat ik ongelijk heb of een verkeerde geestesinstelling. Zo heeft prof. dr. F.A.G. den Butter, destijds van Ecozoek, later CPB-visitatiecommissie en nu de WRR, een bedenkelijke rol gespeeld. Zo kwam ik in 1990 bij de inmiddels landelijk bekende mr. J.W. Weck terecht, toen ik in 1990 de plv. secr. gen. van EZ schreef dat mijn bezwaar anders dan een normale kwestie was. Zo heeft het PvdA-kamerlid A. Melkert destijds geen onderzoek ingesteld (naar zijn huidige collega G. Zalm). Zo heeft de Ambtenarenrechter wel vastgesteld dat ik met machtsmisbruik door de directie van het CPB uit de functie ben geplaatst, en erkende de minister van EZ nog in 1998 dat ik de iure inderdaad ben teruggeplaatst, maar heeft men het ontslag, dat de facto op die verplaatsing was gebaseerd, in stand gelaten ! Zo zijn journalisten economie als Cees Banning of Frank Kalshoven klaarblijkelijk incompetent. Ik bedoel: mijn blazoen is lelieblank, en het zijn de reputaties van anderen die verkeerd handelen die sneuvelen. Inderdaad, wanneer ik stel dat er geen plek is waar mijn protest met voldoende zorgvuldigheid behandelt wordt, dan wordt dat door uw boek bevestigd.

 

Echter, onjuist aan uw boek lijkt me de door u voorgestelde oplossing. Deze pleit de huidige verantwoordelijken en de controlerende instanties vrij. Uw voorstel lijkt daar toch op neer te komen. Beter is het te constateren dat bestuurders, wetten, bezwarencommissies en rechters falen.

Onjuist in het NRC-artikel is ook de suggestie dat het grootste probleem zit bij het volgende: "Onderzoekers die wel opening van zaken wilden geven, bleken vaak toch huiverig voor de gevolgen en wilden niet herkenbaar voorkomen in het boek." Tja, dat heeft natuurlijk te maken met de beperkte bescherming. Dat is oude koek. Nee, het grootste probleem is dit: Dat iemand als ik die dolgraag de aandacht van wetenschap, politiek en publiek op de casus gevestigd wil zien, omdat dit de enige juiste weg is, die aandacht niet krijgt !

Zo zijn er weer drie jaar verstreken sinds uw oproep en het verschijnen van het boek nu. Ik zou zeggen: puur verspilde tijd, want als we die parlementaire enquête hadden gehad, was de kwestie in een stroomversnelling gekomen. Merk op dat ik mijn casus niet verwar met het onderwerp van uw boek: ik geef slechts aan dat mijn casus beter is dan uw boek ooit kan zijn, en dat ook het onderwerp van uw boek daarin besloten ligt.

 

Tot slot roep ik in herinnering dat uzelf, als lid van een onderzoekscommissie van de NVMC, ooit heeft vastgesteld dat de directie van het CPB meer zorgvuldigheid had kunnen betrachten. Dit is een van de weinige gevallen waarin ik wel enige steun heb ontvangen. De kwestie overdenkend vraag ik me af hoe het is kunnen komen dat u er vooralsnog weinig mee gedaan heeft (lijkt te hebben). Mijn vermoeden is dat u niet heeft begrepen hoezeer ik gelijk heb, en dat u mijn stellingname ("geesteshouding") daarmee in wezen niet begrepen heeft. Mijn suggestie is dat u daarmee mogelijk ook uw onderwerp niet ten volle heeft gevat.

Nogmaals mijn hartelijke dank voor uw verdediging van de wetenschap. Dat kan niet genoeg gewaardeerd worden.

 

Met vriendelijke groet,

 

 

 

Thomas Cool
 

Rotterdamsestraat 69, 2586 GH Scheveningen
http://thomascool.eu, cool@dataweb.nl, 070-3522978