17 juni 1991

Aan het bestuur van ECOZOEK

Stichting tot bevordering van het onderzoek in de economische wetenschappen

AANTEKENEN

Laan van Nieuw Oost Indië 131

2593 BM Den Haag

 

 

 

 

Geacht bestuur,

 

Ik wend me tot u met een drietal bijzondere verzoeken. Uit de aard der zaken moge blijken dat ik deze verzoeken ongaarne doe, en slechts ook doe omdat ik me ertoe gedwongen zie. Om dezelfde reden spreek ik mijn hoop uit dat u hierbij de hoogste zorgvuldigheid in acht neemt.

(1) Mijn eerste verzoek heeft betrekking op de criteria van ECOZOEK betreffende de opname van vermeldingen in 'Economic Sciences in The Netherlands' (ESN). (2) Het tweede verzoek is of ECOZOEK zowel mij als directeur Zalm van het Centraal Planbureau, een correct verslag wil doen toekomen van hetgeen ik op de jongste bijeenkomst van de werkgemeenschap Algemene Economie gezegd heb. (3) Het derde betreft een verzoek aan de collegae verenigd in ECOZOEK om enige aandacht te besteden aan de situatie die ontstaan is door mijn analyse t.a.v. het Centraal Planbureau (CPB).

 

            Ad 1. ESN.

 

In uw brief d.d. 21 maart 1991, van ECOZOEK gericht aan Cool, deelt u mij mee t.a.v. vier door mij voor ESN aangemelde papers, "dat deze rapporten niet opgenomen kunnen worden vanwege het feit dat ze niet behoren tot de publikaties (rapporten, research memoranda) van een universiteit of erkend instituut." (Bijlage 1.)

Mijns inziens is mijn werk geschikt om vermeld te worden. Ik ervaar het als frustrerend dat ESN een forum biedt om bekendheid te geven aan economisch onderzoek, en dat dit forum mij wordt onthouden. Ik ben een jarenlange deelnemer aan ECOZOEK en ben licht geschokt door de drempel die hier voor mijn onderzoek wordt opgeworpen. Ik ben verheugd dat ik twee van de papers op de ECOZOEK dag heb mogen presenteren (t.a.v. werkloosheid/CPB en Arrow's theorema), maar zoek dan naar de consistentie t.a.v. ESN.

Wij zijn natuurlijk allen bekend met het probleem van selectie. We hoeven hier niet te praten over de Ingezonden Brieven Afdeling. De eis van referee-ing door erkende instituten leek ook jarenlang te voldoen als toereikend en veilig.

Maar die laatste eis brengt 'mij & bij het CPB' wel in de problemen. Het lijkt me nuttig om dit voor te leggen, zonder onmiddellijk de oplossing te (kunnen) geven. Ietwat uitvoerig wellicht, onderscheid ik de volgende aspecten:

1. Het CPB heeft m.i. afwijkende publicatienormen. Onderzoeksmemoranda vermelden wel 'op naam van de auteur', maar er is een verborgen criterium dat een 'commitment' van de directie nodig is.

Ik verwijs hier naar bijlage 2, welke excerpten bevat van zowel een Verslag ener Hoorzitting als van een Advies, beide van de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ (Ministerie van Economische Zaken). In het Verslag kunt u dit commitment terugvinden, in het Advies de sanctionering daarvan.

PM. Voor de goede orde zij opgemerkt dat ik al langer met de leiding van het CPB van mening verschil. Dit betreft niet alleen de publicatie-kwestie, maar de directie van het CPB heeft ervoor gekozen mijn 'functioneren' ter discussie te stellen. Op dit punt kom ik hieronder terug. Relevant is het, even aan te geven dat zo'n Commissie van EZ zich hier heeft uitgesproken. Voor punten die hier aangeroerd worden kan ik ook verwijzen naar meerdere brieven van de directie van het CPB, maar om verkieslijke redenen zie ik ervan af om deze als bijlage hieraan toe te voegen.

2. Verwijzend naar bijlage 2, valt ook op dat het CPB mijn paper afwijst wegens de inhoud, maar niet wegens de kwaliteit. Een bespreking van de bestuurlijke merites van een parlementaire enquete naar de kwaliteit van de economische beleidsvoorbereiding mag blijkbaar niet, om juist het onderwerp. Er is ook een briefwisseling waarin het paper gekenschetst wordt als zou "de positie van het CPB in negatieve zin in het geding" zijn. Me dunkt dat dit geen geldig argument is; als met 'negatief' 'onwetenschappelijk' was bedoeld, had die term voor de hand gelegen.

PM. Voor de andere papers hanteert het CPB soms wel de term 'kwaliteit'. Ook dan blijft mijn inhoudelijke en procedurele kritiek gelden.

3. De interne behandeling op het CPB van onderzoek en wat ermee samenhangt acht ik problematisch. In een briefwisseling is de afwijzing vastgelegd van het onschuldige verzoek om twee ECOZOEK presentaties te mogen oefenen, en zelfs in de lunchpauze.

Ik wil eraan toevoegen dat ik vanaf najaar 1989 bij het CPB een interne bespreking voorstel van 'neoclassieke knelpunten van de Nederlandse economie', en vanaf juni 1990 tevens een bespreking van mijn analyse van de werkloosheid en de rol van het CPB. Niet irrelevant is hier, dat mijn analyse wijst op zwakke plekken in het CPB-model. Zo'n bespreking is steeds geweigerd, en de reden voor weigering welke ik in november 1990 hoorde, verschilt van die welke later weer wordt opgevoerd. In ieder geval, waar ik mijn paper over de werkloosheid nu reeds op vier plaatsen in het land verdedigd heb, heeft opvallend genoeg nog geen discussie binnen het CPB plaatsgevonden; met uitstraling naar de adviezen welke het CPB aan het landsbestuur geeft.

4. Het CPB heeft ook afwijkende normen t.a.v. publicatie in bladen. In een briefwisseling stelt het CPB t.a.v. vermelding van adres/affiliatie bij een (concept-) artikel: "zou de directie het op zijn minst van belang achten dat u uw relatie met het Centraal Planbureau niet in dit verband etaleert". Ik teken hierbij aan dat vanuit Public Choice Theory een signalering van affiliatie ook theoretisch verantwoord en inhoudelijk zinvol is.

Ook het volgende is relevant. Vanzelfsprekend laat het CPB mijn vrijheid van meningsuiting onverlet, en geeft dit te kennen. Evenwel heeft het CPB weer de vrijheid om positie te kiezen t.a.v. mijn werkverband. Wanneer ik informeer naar de betekenis van 'op zijn minst' hierboven, en expliciet een uitspraak vraag dat publicatie geen rol zal spelen bij al dan niet vrijwillig ontslag, wordt dit verzoek genegeerd.

5. Tijdschriften stellen beperkingen aan de lengte van artikelen, etcetera, en het redactioneel verwerkingsproces duurt lang. Bijlage 3 is een voorbeeld: een paper van Steenge 1986 komt pas in een tijdschrift in 1990; en denkelijk is 1986 nog geflatteerd. Mijn eigen contacten met tijdschriften stemmen me zeer somber. Als voorbeeld bijlagen 4 en 5, waar ik een gekwalificeerde reactie van Annales krijg, maar waarin de kwaliteit van de afwijzing m.i. te wensen overlaat. Ik wacht nog steeds op een definitief oordeel van die redactie. Soortgelijke verhalen voor de andere papers.

6. Contacten met universiteiten. Ik heb mijn analyse t.a.v. werkloosheid/CPB reeds op twee universiteiten en op twee congressen waaronder ECOZOEK gehouden. Maar vanzelfsprekend ontstaat er nergens een verplichting tot publicatie.

Een voorbeeld is mijn analyse rond het Theorema van Arrow. Het is nuttig hier te melden dat ik mij niet als een specialist in Social Choice Theory beschouw, maar slechts een zeker inzicht in genoemd theorema claim, in de grondslagensfeer. Vervolgens is mijn paper bedoeld om die analyse voor een groter publiek te verhelderen. De reactie van het CPB (niveau van "zodanig gehalte") is onterecht, want een serieuze lezer, bijv. iemand die Arrow's theorema zegt te begrijpen, moet er m.b.v. The New Palgrave uit kunnen komen. Mijn analyse is relevant voor het CPB, omdat de stelling van Arrow soms gebruikt wordt om het niet gebruiken van een sociale welvaartsfunctie te rechtvaardigen. In de brief van Ruys (bijlage 6) krijg ik gelijk: "dat ik uw bezwaren tegen Arrow inzake zijn interpretatie deel". Maar vervolgens gaan onze accenten nogal verschillen: en ik heb maar één conclusie: publiceren !

De situatie t.a.v. Arrow's theorema is gecompliceerd. Collega Ruys heeft de neiging om te stellen dat wat ik betoog onder de goede wiskundig economen wel bekend is, en dat ik er niet in zal slagen om dit aan het grotere publiek duidelijk te maken. Hij heeft verder niet de neiging om veel tijd aan dat laatste te besteden. Ik daarentegen constateer dat ook de betere economen misleide/misleidende opvattingen over Arrow's theorema hebben, en dat er zelfs sprake is van een wetenschappelijke misstand. En dat is van mijn kant geen schrijffout.

Maar ik kan de KUB niet verplichten om mijn analyse uit te geven.

7. Sprekend over verplichten: mijn klacht bij de EZ bezwarencommissie dat het CPB haar taak als 'onafhankelijk wetenschappelijk instituut' en mijn functie als 'wetenschappelijk medewerker' niet serieus neemt door mijn geschriften op deze wijze, procedureel en inhoudelijk, te behandelen als zij nu doet, leidt tot de dooddoener, dat het CPB wettelijk mag doen, wat ze wil doen (bijlage 2, 'Advies').

Voor een niet-academische wereld is het begrip 'wetenschap' blijkbaar fluïde. De bezwaren-rechter had daarbij nog de opmerking dat een wetenschapper in de eerste plaats bescheiden is, maar, voor mij geeft hij dan alleen maar aan dat hij niet ziet dat ik reeds bescheiden ben (maar ook duidelijk en correct).

Bij een interne opiniepeiling bij het CPB bleken minstens vier CPB-ers voorstander van verandering, ofwel een van de directie onafhankelijke redactie, ofwel een loslating van de 'commitment'; een vijfde vond de kwestie een zaak voor de dienstcommissie (DC); later bleek een zesde persoon eenzelfde probleem als ik ontmoet te hebben (doch niet aan de enquete meegedaan). Er was een hoge non-respons, waar men verschillende verklaringen voor kan veronderstellen. De DC concludeerde dat het probleem 'niet leefde'. Het is zinvol om hier een der mogelijke verklaringen uit te werken. Sommige CPB-ers menen oprecht dat publicaties 'cijfers' moeten bevatten. Maar dit is evident nadelig voor wiskundig economische artikelen, en tegelijk een te beperkte opvatting van 'empirisme', zie bijv. The Scandinavian journal of economics, Vol 93 1991 no 2, en met name het artikel van Summers daarin.

Ik constateer aldus tegelijkertijd een zekere institutionele starheid, waarin twee 'toetsingsorganen', zowel Commissie EZ als DC, zich neerleggen bij een onwenselijke situatie.

8. Resumerend. Met het ECOZOEK-optimisme 'probeert u het dit jaar nog gepubliceerd te krijgen' (bijlage 1) komen we er niet. Indien een 'erkend' instituut ten onrechte erkend zou zijn, ontstaat denkelijk een probleem voor de betrokken medewerkers. Dergelijke problemen kunnen wellicht reeds ontstaan voor gewone erkende instituten. Wat doen we eraan ? Tja. Ik voeg twee conceptenquetes voor Nederlandse economische faculteiten toe, in bijlage 7 naar het uitgeef-beleid, en in bijlage 8 naar de perceptie t.a.v. het CPB. Wellicht is dit een aanzet tot nader beraad. Mijn verzoek is, dat u mij een teken geeft dat u het probleem begrijpt, en dat we dan verder praten.

(9. PM. Samenhangend met punt 3 hierboven. Het betreft hier de wijze waarop men als wetenschappers onderling met elkaar omgaat; de omgeving van publicaties. Bijlage 2 bevat het oordeel van de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ over een 'verplaatsing'. In punt 8.1 zie ik mijn klacht deels bevestigd, doch 'kamer' is m.i. eufemistisch. Daarnaast, in punt 8.2, gaat de Commissie echter in op een punt waarover ik geen klacht heb ingediend, een punt dat m.i. dan ook niet ter zake doet.)

 

            ad 2. Vergadering werkgemeenschap op de ECOZOEK-dag

 

M.i. is op de vergadering van de werkgemeenschap Algemene Economie, op de ECOZOEK-dag 17 mei 1991, het volgende gebeurd.

Voor opvolging in het nieuwe bestuur werd onaangekondigd, mijn directeur Zalm kandidaat gesteld. Ik had een tekst voor het laatste agendapunt, 'wat verder ter tafel komt'. Omdat deze tekst kritisch was naar het CPB, moest ik, om consistent te blijven, wel bezwaar aantekenen tegen een mogelijke benoeming van Zalm. Het leek mij niet zinvol dat genoemd bestuur, waarbij ik verzoeken ad 1 en 3 uit deze brief zou richten, juist bemand werd ook door leden van de directie van het CPB. Ik heb mijn bezwaar dan ook verwoord. Mijn aangepaste tekst luidde, gecomprimeerd:

"Mijns inziens is er sprake van een 'Buck affaire', zij het niet in de zin dat er direct mensenlevens mee zijn gemoeid *) en niet in de zin van het geven van een bewust verkeerde voorstelling van zaken. We hebben een CPB dat zich presenteert als een 'onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut', maar dat zulks niet is. Ik stel dit aan de orde in een paper dat men niet wil doen publiceren. Er zijn ook andere papers die men niet wil publiceren. Directeur Zalm heeft tegenover mij beweerd dat het CPB een militaire organisatie is, en dat is, dunkt me, iets anders dan een wetenschappelijke organisatie. Ik heb de Minister van EZ gečnformeerd dat hij nu een ambtenaar heeft die een parlementaire enquete expliciet naar het CPB nodig acht. Ik had dit punt, alsmede het niet opnemen van vermeldingen van mijn papers in ESN, graag bij een ander agendapunt ter discussie gesteld. En ik stel dit juist bij ECOZOEK aan de orde, omdat mij als wetenschapper verbonden aan het CPB eigenlijk een ander formeel contact of forum in de meer academische wereld ontbreekt. Doch, nu de kandidatuur van Zalm aan de orde is, moet ik wel verklaren dat ik daar bezwaar tegen heb."

Hierna ontstond lichte onrust, er werd gestemd, etcetera. Vervolgens kwam wat ik bij het andere agendapunt eigenlijk had willen doen bespreken, niet meer goed ter sprake.

Tot hier mijn beschrijving der gebeurtenissen.

 

Het gaat mij met name om het volgende. Van de directie van het CPB begreep ik dat men gehoord had, dat ik de integriteit van mijn directeur Zalm op ECOZOEK ter discussie zou hebben gesteld. Wat mijn directeur Zalm met name getroffen had, was dat ik zou hebben beweerd dat hij een anti-onderzoeksmentaliteit had en dat hij mensen verboden zou hebben om te publiceren. Dit zijn echter stellingen die ik niet op de ECOZOEK dag verkondigd heb. Ik heb met Zalm afgesproken dat gepoogd wordt zulks middels een briefwisseling met ECOZOEK recht te zetten.

Nogmaals, dit is een kwestie die de grootste zorgvuldigheid vereist. Op het moment dat ik mijn bezwaar op die ECOZOEK vergadering inbracht, was dit voor alle betrokkenen ook onmiddellijk duidelijk. Wat ik op de vergadering gesteld heb, zijn slechts feiten, met daaraan gekoppeld mijn bezwaar t.a.v. de wenselijkheid van Zalms deelname in het bestuur. En ik heb mij niet uitgelaten in andere termen.

Wat anderen interpreteren of menen te concluderen, kan ik niet helpen, zeker waar ik de zorgvuldigheid in acht neem om 'halve waarheden' te vermijden. Wat een toehoorder concludeert uit die feiten, is een zaak apart; waarbij ieder weet dat het ook verstandig is om Zalm te horen. Ongetwijfeld heeft Zalm een verklaring voor zijn visie op het wetenschappelijk onderzoek en op de zijns inziens militaire organisatie van het CPB (bijv. wil hij het een en ziet hij zich tot het ander gedwongen). Ik beperk me tot de constatering dat ik zo'n verklaring bezwaarlijk vind voor deelname in het bestuur van een ECOZOEK werkgemeenschap. Men raakt aan mijn integriteit wanneer men zou stellen dat ik hiermee iemands integriteit ter discussie stel.

De kwestie heeft een extra dimensie gekregen doordat ik inmiddels bij het CPB ontslagen ben (bijlage 9). Zoals boven gememoreerd had ik natuurlijk al langer een verschil van inzicht met de directie, wat voor mij leidde tot het instellen van beroep, en waarin de directie op een zeker moment aanleiding zag mij een andere taakopdracht te geven. Het enige wat er sinds ruim een jaar gebeurd is, is de voornoemde vergadering van de ECOZOEK werkgemeenschap; en waar dit ook genoemd is tijdens het ontslag-gesprek, ga ik ervan uit dat dit ook de doorslaggevende reden was. Overigens zonder dat men mij vroeg mijn versie van het gebeuren te geven, alvorens het besluit te nemen tot ontslag.

Gezien het belang van de zaak verzoek ik ECOZOEK om mij en mijn directeur een correcte weergave te verschaffen van hetgeen op de bijeenkomst van de werkgemeenschap door mij is gesteld.

Ik leg andermaal de nadruk op de zorgvuldigheid. Immers, inmiddels heeft er reeds een bepaalde rapportage plaatsgevonden. Vanuit ECOZOEK is de directie reeds op de hoogte gesteld van het een en ander. Ongetwijfeld zal ECOZOEK de behoefte voelen om in de rapportage consistent te blijven. Er zijn dan twee mogelijkheden. In het eerste geval was de rapportage reeds correct, en is het de directie van het Centraal Planbureau die er de interpretatie aan gegeven heeft waar boven melding van is gemaakt. In het andere geval was het eerder ECOZOEK die een interpretatie van het gebeuren op de vergadering gaf. Men zal wellicht geneigd zijn om wederom nadruk te leggen op die interpretatie. Vanuit de zorgvuldigheid bezien lijkt het me juister om verontschuldigingen aan te bieden voor de overhaaste conclusies (overigens zeer menselijk).

 

            ad 3. Aandacht

 

Niet alle vakgenoten zijn op de hoogte van de complicaties van Public Choice Theory. Voor de goede orde voeg ik toe twee toegankelijke en populair-wetenschappelijke verhandelingen, nl. Ijzermans, "De prijs van een zuiver geweten", Intermediair 27 januari 1989 paginas 19,21,23 (bijlage 10) en The Economist, "Schools brief, Dear Landlord", 9 februari 1991 paginas 81 en 82 (bijlage 11).

Indien de boodschap overkomt, weet u nu dat ik zeer bewust positie heb gekozen. Minstens vanaf februari 1989 wist ik van de complicaties van het whistleblowing (of dr. M.A.P. Bovens' 'klokkeluiden', zie Socialisme & Democratie 1991 3 p129-133). Ik heb voortdurend een zuivere positie gekozen, nimmer de integriteit van collegas in twijfel getrokken, slechts zakelijke argumenten gehanteerd, en een coulante houding t.a.v. onbegrip en misverstanden betracht. Edoch, waar het mij eerst nog ging om de uitstralingen naar buiten van enig mismanagement binnen enkele afdelingen van het CPB en met name t.a.v. de CPB 'lange termijn studie', is dit in de loop der tijd gegroeid naar het hele CPB, en de interactie met de gehele economie, inclusief de EG en OostEuropa; en binnen het vakgebied doe ik er 'Arrow' bij. Een op het eerste gezicht komische cumulatie, maar vervolgens niet onlogisch wanneer men zijn vakgebied serieus neemt, en zijn taak als ambtenaar, en zijn rol als wetenschapper en bovendien gewoon burger in de maatschappij.

Voorstelbaar, kan het uw bestuur moeite kosten om dit door mij gestelde perspectief als valide te accepteren. Op stel en sprong, lijkt het, wordt nogal wat overhoop gehaald ! Doch, ter verdere verheldering verwijs ik naar mijn opstelling meer in het algemeen in wetenschap en maatschappij.

Denkelijk is het toch nuttig hier te noemen: (1) Cool (1979), "De valkuil van de waardevrijheid; een case-study aan de hand van het proefschrift 'Die makro-ekonomiese verband tussen die openbare en privaatsektor in Suid-Afrika'", Intermediair 15e jaargang, 23 november; (2) mijn deelname in de kascontrolecommissie van de Hobby Computer Club, en de ontwikkelingen die leidden tot het vervanging van het bestuur van die vereniging van ca. 40.000 leden; (3) mijn opstelling in de ontwikkelingen rond het nieuwe Haagse stadhuis welke leidden tot vervanging van meerdere wethouders (helaas om de verkeerde redenen).

Het eerste voorbeeld betreft de wetenschap, en dat is wat hier wezenlijk aan de orde is. Evenwel lijkt vermelding van de andere twee voorbeelden mij hier ook nuttig, omdat er een ervaring uit blijkt met de gedragskant. Dit betreft met name de ervaring dat mensen in verantwoordelijke posities soms cruciale normen denken te kunnen verwaarlozen, wat dan weer, omdat het cruciale normen betreft, bijv. van hoor en wederhoor, tot ontwikkelingen leidt die om meerdere redenen hoogst onaangenaam zijn, maar door het cruciale karakter verder ook onvermijdelijk. Er is van mijn kant dus geen onzekerheid over het verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen, en geen twijfel over de houdbaarheid van een redelijke positie over de langere termijn.

 

Dit gezegd zijnde over het perspectief, lijkt het me nuttig om toch nog iets van de analyse rond het CPB aan te stippen. Het lijkt me niet zinvol om te volstaan met verwijzing. Ik heb natuurlijk al veel toegelicht in mijn artikelen. Momenteel zijn er ook veel publicaties van anderen. Een goed idee heeft vele vaders. In mijn artikel van december 1990 noem ik de mogelijkheid van een 'brede maatschappelijke discussie', en nu zie ik tot mijn genoegen dat er een 'nationaal economiedebat' wordt georganiseerd (hoewel ik mijn reserves hierover behoud). Evenwel, in plaats van naar dergelijke artikelen en ontwikkelingen te verwijzen, blijkt dat weinig zo verhelderend werkt als een voorbeeld, zwart op wit. Het onderstaande is dan een hopelijk wijze selectie. Laat ik mijn lijst van bijlagen completeren met:

(no. 12) CPB (1990), "Het Centraal Planbureau" (brochure).

(no. 13) Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, no H 127, wet van 21 april 1947, t.a.v. de oprichting van het CPB, overgenomen uit CPB (1970), "25 jaar Centraal Planbureau" p 19-22

(no. 14) Financieel Dagblad 6 & 8 april 1991, "Logge corporatisme brandpunt in analyse Planbureau" (no. 15) Bomhoff NRC 10 juni 1991, "WAO, ook een organisatorisch probleem"

Wat in bijlage 12 p3 en p5 gesteld wordt over het 'onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut' karakter van het CPB, spoort niet met de wet in bijlage 13. Denkelijk wordt bijlage 12 gedekt door de Ministeriële verantwoordelijkheid, doch, het is niet in de wet verankerd, dus van de ene op de andere dag weer te wijzigen, en dus is m.i. niet in redelijkheid sprake van genoemde onafhankelijkheid. Bovendien kan men m.i. niet waarmaken dat alles intern en extern, naar kwaliteit en kwantiteit goed is geregeld. (De Memorie van Antwoord lijkt ook discutabel.)

Bijlage 14 biedt een goede ingang voor mijn analyse. Het Planbureau kritiseert andere instituten, maar verzwijgt de kritiek die ik in- en extern op het Planbureau heb uitgeoefend, en met name de wijze waarop het huidige stelsel van economische coördinatie medebepalend is voor het 'aanpassingsvermogen van de Nederlandse samenleving'. Een ander belangrijk punt is, dat een onvolledige analyse t.a.v. de algemeen-verbindend-verklaring, ooit door Zalm gelanceerd en door o.a. Van Voorden weer afgeschoten, nu verschijnt "in de stukken die door het kabinet goedgekeurd zijn".

In bijlage 15 stelt Bomhoff "er is meer aan de hand", maakt melding van de interactie van pressiegroepen, wetenschap en politiek, en geeft aan dat universiteiten of onafhankelijke research instituten maar weinig middelen hebben "om over het geweld heen te komen van de belangengroepen". Hij doet dit t.a.v. de WAO, waar dit in mijn artikelen vervat is binnen de verborgen component van de werkloosheid. De bijdrage van Bomhoff biedt een startpunt voor de vraag naar de rol van het CPB.

Vervolgens staat in mijn schrijven hier de rol van de wetenschap centraal. De taak van de wetenschap is verhelderen, of nog mooier, verlichten.

Bomhoff's bijdrage is ietwat te optimistisch, waar hij voorbijgaat aan de vraag of wetenschappers wel aanleiding zouden hebben of de noodzaak zouden voelen om "over het geweld heen te komen van de belangengroepen". Deze noodzaak is er niet wezenlijk. Zolang de wetenschapper verlicht, is hij tevreden. Hij verlicht zichzelf, zijn collegae, zijn studenten, en hij is niet verantwoordelijk voor de misverstanden buiten deze horizon. Hij verlangt slechts dat hij in de media goed geciteerd wordt, maar laat het aan de media over om aan publieksvoorlichting te doen.

En de verlichting laat zich alleen door het redelijk debat sturen. Er is vrijheid van keuze van onderwerp, men kan niet gedwongen worden tot studie van bijv. 'de stroperigheid'. Er is vrijheid van denken, dus men kan niet gedwongen worden tot bijv. het kiezen van exact dezelfde bewoordingen als een ander. Een voorbeeld is dat professor Zalm van de VU niet gehouden kan worden om voor zijn studenten kritiek op de taakopvatting van directeur Zalm van het CPB te bespreken. Een extremer analogon: het probleem van een docent die niet goed uitlegt, wordt opgelost door hem de student een laag cijfer te laten geven. Zo ook zijn er inherente beperkingen aan de academische vrijheid, waar anderen maar mee moeten leren leven.

Aldus kom ik toe aan de verwoording van mijn verzoek aan de collegae verenigd in ECOZOEK. In het algemeen betreft het een verzoek om aandacht voor de situatie. Deze bevat echter twee componenten.

Het eerste is een uitnodiging om mijn artikelen te lezen, het probleemveld te bestuderen, commentaar te leveren, in discussie te gaan, en de media vragen om eens goed te rapporteren.

Zo'n expliciet verzoek is natuurlijk een zwaktebod van mijn kant. Een meer natuurlijke gang van zaken zou zijn, waar ik ook op gehoopt had, dat mijn economische synthese, de analyse van de oplossing van de werkloosheid, de bespreking van het economisch stelsel en zijn economisch beleidskader, als ook andere zaken zoals aangaande het theorema van Arrow, uit zichzelf reeds enthousiasme zouden losmaken, zouden leiden tot waartoe ik nu expliciet uitnodig, ... en dat docenten vanuit zichzelf driftig aan de slag gingen om hun leerboeken te wijzigen. Maar, onderkend voor wat het is, lijkt een zwaktebod me verder niet inherent bezwaarlijk.

De tweede component is van meer sanitaire aard. Het heeft met de kwaliteit van het vak te maken, de condities waaronder men werkt. Mijn stelling is dat de wetenschappelijke vlag ten onrechte door het CPB gebruikt wordt. Het corollarium is dat het algemeen maatschappelijk ervaren van wat wetenschap is, en het algemeen onderkennen wat de waarde van wetenschap is, daardoor aangetast wordt. Hierbij speelt overigens ook een rol dat media en beleid veel belangstelling hebben voor het CPB omdat het dicht tegen het beleid aanzit. Juist dan is zorgvuldigheid vereist. De grote aandacht voor producten van het CPB ten nadele van beter en relevanter onderzoek elders, is een uiting van gemeld kwaliteitsverlies, en versterkt het. Dit verlies van kwaliteit en waardering heeft direct gevolgen voor de beoefening van het vak, waaronder ook de gevolgen die Bomhoff op. cit. heeft aangestipt. Mijn conclusie is, dat de beroepsgroep hiertegen terecht in verzet mag komen.

Ik leg hier ook nadruk op het zelfreinigend vermogen van de wetenschap, omdat, indien het niet mogelijk blijkt om de normen te handhaven in vrijheid en met behoud van vrijheden, dan op den duur de vraag zal opkomen, of de buitenwacht niet regels moet gaan opleggen om van een minimale kwaliteit verzekerd te zijn.

Ik wil mijn conclusie tot verzet dan ook aan de collegas voorleggen.

Mijn verzoek aan uw bestuur is, of u een intermediaire rol hierin wilt vervullen in mijn contacten met de collegas. Het is denkbaar om dit nader te concretiseren, bijv. naar een of ander rondschrijven of een aparte bijeenkomst, doch vooralsnog lijkt het me nuttig om eerst het punt ten principale voor te leggen.

Een complicatie is overigens mijn positie op de arbeidsmarkt. Mijn analyse en klacht zijn openbaar, want reeds geponeerd op de vergadering van de werkgemeenschap. Onverwachts zie ik mij echter ontslagen. (Ik heb het risico genomen; maar mijn verwachting dat juist het CPB toch niet zo onredelijk zou zijn, is beschaamd.) Voor mij is er nu het nadeel, dat indien ik sterker in de openbaarheid zou treden, dit mijn kansen kan schaden om elders emplooi te vinden. Ik zoek nog naar een redelijk evenwicht.

 

            Afsluitend.

 

Met zoveel paginas, mogen de zaken verder voor zich spreken.

Voor de goede orde zij wel opgemerkt dat ik me het recht voorhoud om anderen een kopie van deze brief te laten zien.

Het lijkt me bijv. onvermijdelijk geworden om me te wenden tot de Commissie Verzoekschriften van de Tweede Kamer der Staten Generaal. In het geheel van dit schrijven misstaat het niet om dit punt kort toe te lichten. In het afgelopen jaar heeft het punt van werkloosheid en arbeidsmarktparticipatie in toenemende mate de aandacht gekregen. Ik meende nog de hoop te kunnen koesteren, doch wellicht ook ingegeven door mijn precaire relatie met het CPB, dat de juiste analyse tot het beleid zou doordringen. Nu ik evenwel de Kabinetsreactie op het WRR rapport 'Een werkend perspectief' lees, ontvalt de hoop dat dit op normale wijze het geval zal zijn. Men krijgt de stellige indruk van een competentiestrijd van SZW en WRR, met beide partijen niet geheel toegerust voor de taak. De eenvoudige oplossing van ampele loonkostensubsidies voor de laagproductieven, welke ik al lang verkondig (ook op het CPB), krijgt geen serieuze aandacht. Om dit punt, en de bestuurlijke conclusies, onder de aandacht te brengen van de volksvertegenwoordiging, lijkt bovenstaande stap mij dan onvermijdelijk.

En ik meld u juist deze stap, omdat u dit in gerede moogt weten, en mede om andermaal de ernst van de situatie te onderstrepen.
 
 
 

                                                                                    Met vriendelijke groeten,
 

                                                                                    Thomas Cool
 
 

 

-----------------

NOTEN

 

* ) Niet uitgesproken: maar voldoende indirect, kijk naar de zelfmoordgevallen in Oost-Duitsland; mijn analyse verwijst vanaf het begin naar de nieuwe Europese context.