[Punt 5 uit Het Vervolg]
 
5.     D haalt zaken uit het verband en hanteert het resultaat als rechtvaardiging voor de toepassing van de arbeidsrechtelijke maatregelen.
        D maakt de kwestie complexer dan hij is, en belast begrip en aandacht van anderen onnodig.
        Dit is misbruik van omgevingsruis.
5a.     T.a.v. moeilijke notities.
Ik schrijf wel eens iets, met name thuis, wat veel mensen niet kunnen volgen. Dat zij zo. Het bestaan van dergelijke artikelen gaat echter niet ten koste van kwaliteit en kwantiteit van mijn feitelijke werkzaamheden op het bureau. (Al wordt dat wel eens gezegd.) (224) (225)
5b.     T.a.v. economische kennis.
Het FIF betreft de functie van wetenschappelijk medewerker kwantitative economie of econometrie. Kennis en vaardigheden zijn volgens de FPB met score D gewaardeerd. Hier is ook te verwijzen naar het oordeel van EZ en rechter, aangehaald onder Ia hierboven.
Het FIF is niet die van wetenschappelijk programmeur. (226)
Toch wordt wel eens gesuggereerd dat ik niet zo goed ben in economie en alleen in programmeren. Dit doet m.n. de chef op 1 mei 1990:
"Als sterke punten kwamen naar voren zijn bekwaamheden op programmeergebied, en de werklust die hij daarbij aan de dag legde. Matig waren zijn prestaties op het gebied van de toegepaste economie."
i.      Mogelijk heeft de chef de FPB verkeerd ingevuld. Hij beweert hier wat anders dan wat de FPB geeft, nl. score D t.a.v. het FIF voor kwantitatief econoom. Een verkeerde invulling is niet ondenkbaar, want sommige opmerkingen in de FPB leggen veel nadruk op computerwerk. Dus, wat de rechter onder Ia hierboven zegt, kan komen door verkeerd invullen door de chef.

ii.     Of, de chef heeft een andere mening dan de HAC, mede-opsteller van de FPB.

iii.     Of, chef & HAC & D hebben hier een dubbele positie.
        Naar collega’s doet D alsof in ieder geval kennis en vaardigheden erkend worden.
        Maar, zodra, ook in andere kring, de vraag ontstaat waarom mijn economische voorstellen dan niet zijn doorgesproken en doorgerekend, dan zegt D dat ik alleen maar goed ben in programmeren.

iv.     Ik heb D het oordeel gevraagd van meer collega’s met wie ik gewerkt heb. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd waarin ik een andere economische analyse had dan chef en/of HAC. D heeft deze voorbeelden niet aan de collega’s voorgelegd.

Gezien de complexiteit van het werk is een matige kennis van economie niet reëel. Denk aan het (mede-) maken van Athena en lange termijn paden daarmee. Je moet de statistieken kennen en de samenhangen zien. Een model van 7000 variabelen voor 30 jaar gesimuleerd, en daar dan zinvol over praten. In het model komt het werk van collega’s samen, collega’s met wiens reacties je te maken hebt. Wie kijkt naar mijn cv, naar het werk op het bureau, naar de diverse notities en analyses, zal afstand nemen van de suggestie dat ik alleen maar goed ben in programmeren.

5c.     T.a.v. het contact in de afdeling.
Multisectorstudies (MSS) was in 1989/90 samengesteld uit een chef, een senior wetenschappelijk medewerker, ikzelf, en drie statistisch medewerkers. Twee statistisch medewerkers deelden samen een duobaan. De afdeling was een van de weinige multiculturele afdelingen op het bureau, met twee statistisch medewerkers van Surinaamse herkomst. De senior collega was vroeger, vóór de reorganisatie van 1986, chef geweest van zowel mij als een van de statistisch medewerkers. (227)

Verkorte beoordeling en FPB beoordelen het gedrag op de werkplek als minder bevredigend. Dit is ten onrechte. Onder complexe omstandigheden is juist goed gefunctioneerd. De chef nam te weinig zijn verantwoordelijkheid en accepteerde bijv. aantoonbaar te grote werklasten. Het is controleerbaar dat planningen regelmatig niet gehaald werden. Bijv. de Athena-publicatie stond geboekt voor najaar 1988, dit werd zomer 1990. Het onderzoek t.a.v. Athena stagneerde. De lange termijn studie wierp begin 1989 al een schaduw van irreële plannen vooruit. Collega’s op de afdeling plaatsten ook vraagtekens, hadden ook kritiek op de gang van zaken, ook al voelden ze zich niet geroepen zich in de onderhavige kwestie te mengen. Mijn opstelling ook in de afdeling is steeds constructief geweest.

In antwoord op de FPB is D verzocht om afdeling en management te onderzoeken. D heeft dit steeds afgewezen, terwijl er toch voldoende aanwijzingen zijn dat zo’n onderzoek op zijn plaats was en is. Deze weigering is oncollegiaal, onwetenschappelijk en oneigenlijk.

Doordat er geen onderzoek is geweest, en doordat de rechtbank voor dit gebrek geen oog voor heeft gehad, ben ik nu in de onmogelijke positie gekomen de volgende twee punten te moeten noemen. Het betreft hier twee beschuldigingen van de kant van de dienstleiding die een centrale plaats innemen. De voorstelling van zaken door de directie is eenzijdig, waarbij m.i. de visie van de collega’s niet correct verwoord is en waarbij onvoldoende rekening met mijn positie gehouden wordt. Voor het volgende is van belang te beseffen dat ik me concentreer op wat m.i. in de weergave van D ontbreekt. Zo terughoudend mogelijk:

i.     De meeste mensen kunnen zich, konden zich destijds, niet voorstellen wat een multiculturele samenstelling betekent. Uit het proefschrift van Pinto p23: (228)
Maatschappelijk werkers, (...) artsen, politieagenten, juristen, (...) journalisten, (...) onderzoekers ervaren in hun contact met nieuwe ingezetenen, dat zij in hun opleiding, hun beroepsvoorbereiding totaal niet voorbereid zijn op deze situatie, die door hun aangeleerde en jarenlang gehanteerde vaardigheden, werkmethode, omgangsvormen en gesprekstechnieken niet meer het gewenste resultaat bereiken, maar zelfs het tegendeel."
Een voorbeeld van wat vaak voorkwam, is dat ik een bepaalde collega iets uitlegde, vroeg of het duidelijk was, en dan "ja" ten antwoord kreeg - terwijl later bleek dat toch meer uitleg nodig was. Mijn vermoeden is dat dat "ja" dan samenhangt met de Hindoestaanse herkomst van die collega. Het is belangrijk te zien dat de persoonlijke relatie met mij goed bleef.

De chef en de senior collega kenden het communicatieprobleem niet in dezelfde mate. Dat zal ermee samenhangen dat er voor chef en senior formelere gezagsverhoudingen bestonden. Vervolgens kwamen de statistische medewerkers bij mij voor de vragen van complexe technische aard.

De FPB maakt hiervan dat mij verweten kan worden dat uitleg "onduidelijk" was.

ii.     De indiensttreding in mei 1989 van een afgestudeerd psycholoog als part-time statistisch medewerker voor veel computerwerk, was weer zo’n complicatie.

  • In het sollicitatiegesprek had deze medewerker gezegd dat hij in NOS/BE had gewerkt. Dat was voor de afdeling van belang omdat we net in de overgang van dat systeem naar NOS/VE zaten. In de eerste werkdagen bleek dat hij niet wist wat een EOR-kaart was. Op zich is voorstelbaar dat je vanuit NOS/BE onmiddellijk een applicatie ingaat. Het kon een misverstand zijn. Maar in combinatie met de voor het bureau experimentele achtergrond van de nieuwe medewerker, en de parttime aanwezigheid, ga je toch twijfelen of wel de goede man op de goede plek komt. Na overleg met de chef heb ik deze nieuwe medewerker intensief begeleid. Ik kon in oktober 1989 heel positief adviseren tot voortzetting van het dienstverband.

  • De medewerker oordeelde toen wel, dat wanneer de intensieve begeleiding bleef voortduren, hij niet zou blijven. Dit laatste was voor de chef aanleiding om bij de verkorte beoordeling op 17 oktober 1989 mijn gedrag op de werkplek als minpunt te noteren - overigens met handhaving van het advies tot de dubbele periodiek.
    "(...) antwoordt dat de dienstleiding constateerde dat de situatie onwerkbaar was geworden zodat bezwaarde verplaatst moest worden. Een van de collega’s van betrokkene, een statistisch medewerker, had zelfs te kennen gegeven om die situatie weg te willen. De heer Den Hartog erkent dat het ook mogelijk was geweest om die collega te verplaatsen."
    N.a.v. deze uitspraak op de zitting heb ik de betreffende collega om toelichting gevraagd, en deze heeft in 1991 een schriftelijke verklaring gegeven dat zijn werksituatie sinds oktober 1989 sterk verbeterd was en dat er geen sprake van was dat hij in maart 1990 om mij weg wilde of dat hij niet met me kon werken.
    D doet niets met die verklaring.
    NB. Door procedurele fouten is deze verklaring van de collega niet bij de rechter gekomen, en heeft dus geen rol gespeeld bij het besluit van 15 december 1993.
    Deze toelichting is regelmatig gegeven. Het lijkt niet correct dat er nog steeds geen onderzoek van de afdeling heeft plaatsgevonden - laat staan andere maatregelen, waar de chef voor de bezwarencommissie de waarheid geweld aangedaan heeft.
    5d.     T.a.v. contact met andere collega’s.
    Voor het oordeel over mijn gedrag gebruikt D alleen opinies uit de hiërarchische lijn.

    (Dit blijkt voor de rechter acceptabel - hetgeen een grond is voor de CRvB.)

    Op zijn minst zou het wetenschappelijk karakter van mijn functie, en het coördinerend karakter van het werk voor studies als Europa’92 en de lange termijn, vereisen dat men breder kijkt.

    Dat zo’n bredere blik in de processtukken ontbreekt, heeft een verklaring.

    D heeft wel bij collega’s gepolst, maar heeft daar bot gevangen.

    Bovendien, de HAC verdraait de daar verkregen informatie. Bij de bezwarencommissie EZ noemt de HAC een voorval waarbij collega’s van de afd. Lange Termijn waren betrokken, en gebruikt dat in kritiek naar mij toe, terwijl onderzoek door D bij de betreffende collega’s juist had doen blijken dat er geen kritiek was, eerder het tegendeel.

    5e.     T.a.v. het uitvoeren van opdrachten.
    De FPB stelt:
    "Betrokkene geeft de indruk weerstand te voelen bij het ontvangen van leiding hetgeen tot uiting komt in de eigen interpretatie van gegeven opdrachten en de te uitvoerige discussies hierover."
    De FPB is opgemaakt op 31 januari 1990, en betreft naast 1989 ook januari 1990, de periode waarin gesprekken zijn gevoerd. Het is niet aan te nemen dat de FPB suggereert dat beroep niet zou mogen. De formulering in de FPB kan niet van toepassing zijn op mijn verzoek om vertrouwenwekkende maatregelen.

    De bewering in de FPB is buiten proportie. Ik ben met argumenten aanstuurbaar. Heel loyaal is langdurige uitholling van de wetenschappelijke functie met een overdaad aan computerwerk geaccepteerd. Bij de verkorte beoordeling in 1988 deed de chef beloften tot verbetering. Dat lukte in 1989 niet o.a. door zwangerschapsverlof en uiteindelijk part-time gaan werken van een collega, en door de overgang van NOS/BE naar NOS/VE, d.w.z. een verandering van besturingssysteem waarin weinig economisch werk valt te zien. De belofte tot verbetering werd bij de verkorte beoordeling 1989 herhaald.

    De gesprekken in januari 1990 leidden tot een voorstel van chef en directie tot een taakomschrijving ‘die uitzicht bood op bevordering in 1991’. Qua intentie kwam de taakomschrijving neer op veel computerwerk voor de lange termijn studie. De eerdere toezegging van de chef uit 1989 werd dus ongedaan gemaakt.

    Vervolgens weigerde D - hoe kwantitatief onderlegd ook - een kwantitatieve indicatie te geven van de tijd die gemoeid zou zijn met de voor de functie wezenlijke studie en schriftelijke rapportage. In andere afdelingen heeft men hiervoor CEP-luwe periodes, bij MSS heerste een constante drukte, en enige regulering was volgens mij verstandig. D weigerde echter hier duidelijkheid te verschaffen en de beperkingen te erkennen die het FIF aan haar oplegt.

    D verlangde een positieve instemming met de taakomschrijving, als signaal dat de kwestie nu geregeld was. Omdat de taakomschrijving eerder het tegendeel van een vertrouwenwekkende maatregel was, heb is deze positieve instemming, met deze argumenten, onthouden.

    De taakomschrijving is toen op 29 januari 1990 als dienstbevel gegeven.

    Dit is uitzonderlijk. Den Hartog schrijft ook op 29/1/90:

    "Ik betreur het dat deze uitkomst thans in deze in mijn ervaring ongebruikelijke brief moet worden vastgelegd."
    Het is niet goed te begrijpen waarom Den Hartog spreekt over "moeten". Het is niet te volgen waar zo’n dienstbevel voor nodig zou zijn. Ik heb nimmer gezegd of gesuggereerd dat ik taken zou weigeren.

    Uiting is alleen gegeven, en het is toch relevant dat de dienstleiding dat weet, dat die taakomschrijving niet gezien kon worden als een antwoord en regeling van het verzoek om vertrouwenwekkende maatregelen. Je kunt afwezigheid van positieve instemming niet behoorlijk uitleggen als negatief signaal.

    Het is incorrect dat de FPB van zo’n nette en redelijke houding maakt dat ik moeite zou hebben met wetenschappelijke leiding, en te uitvoerige discussies zou veroorzaken.

    5f.     T.a.v. werkweigeren.
     
    De HAC had gevraagd om een notitie over de kapitaalkosten - die langer dan een jaar in de la had gelegen - af te maken. De chef vond andere dingen belangrijker, en gaf ook zelf tegenstrijdige opdrachten. Bij een werkbespreking dienaangaande liep hij boos weg. De chef is gaan spreken over werkweigeren. Deze aantijging wordt hieronder apart behandeld.
    5g.     T.a.v. herplaatsing in een andere afdeling.
    D stelt dat herplaatsing niet mogelijk bleek ook al werd de afdelingshoofden het bod gedaan dat plaatsing boven de formatie mocht totdat er een vacature was.

    i.     Binnen het bureau weet men snel ‘dat er wat aan de hand is’. Afgezien van de onderlinge contacten, is er een omroepsysteem, en wanneer in een periode frequent de namen van een medewerker, chef, HAC en met name de personeelschef voor vergadering worden omgeroepen dan weet, zogezegd, het domste onkruid in de omringende Scheveningse bosjes hoe laat het is. Je moet het dan wat verstandiger aanpakken. D heeft aan een formeel criterium voldaan. D heeft niet gedaan wat binnen het bureau gepast zou zijn geweest. Dat vonden, in enkele gesprekken, ook collega’s.

    ii.     Ik heb vanzelfsprekend in voorjaar 1990 met een paar chefs gesproken. Men had geen kennis van de werkelijke situatie, kende geruchten, zag dat D arbeidsrechtelijke maatregelen nam. Er was een terughoudendheid, die begrijpelijk voorkomt. (De onderhavige kwestie controleren vereist nogal wat. (230)) Dit is niet aan mij te wijten, aan D te wijten, en geen argument dat gebruikt kan worden om mij maar te ontslaan.

    iii.     D heeft een dubbele houding:

    Ter eerste wordt het herplaatsingsprobleem geweten aan mijn "visie". Ikzelf zou hebben aangegeven door die "visie" niet elders te kunnen werken.

    De landsadvocaat bij de BBV van 26 augustus 1991:

    "Er is geprobeerd om klager naar een andere functie te laten overplaatsen. Zijn visie op de werkwijze van het CPB is echter dusdanig dat op iedere andere werkplek onmiddellijk dezelfde problemen zullen ontstaan als thans bij de afdeling Multisectorstudies."
    Het verweerschrift van 20 december 1991:
    "Hij stelt enige gesprekken met hoofden van andere afdelingen te hebben gevoerd, waarbij hem zou zijn meegedeeld dat de gerezen problemen op de afdeling Multisectorstudies eerst intern moesten worden opgelost. Hij meent dat het in dit licht niet vreemd is dat hij niet kon worden herplaatst, maar dat dat niet aan hem was te wijten. Hij verwijt de dienstleiding in deze een gebrek aan actieve sturing tot plaatsing in een andere afdeling. De voorstelling van zaken die klager hier geeft is niet juist. Er is onderzocht of er binnen het CPB een plaats voor hem zou zijn te vinden waarvan klager zelf meende dat er geen problemen zouden rijzen, gegeven zijn hiervoor bedoelde opvattingen. [ (232) / TC] Dat bleek niet mogelijk, hetgeen geen verband hield met de opstelling van anderen,maar nu juist voortvloeide uit de spanning tussen klagers opvattingen over het werken bij en het werk van het CPB en die van de leidinggevenden bij het CPB daarover."
    De voorgaande suggestie dat het ‘aan mij’ zou liggen, staat haaks op de positie van de directeur die in een gespreksaantekening van 8 maart 1991 (BBV 55) schrijft, cursivering van mij:
    "De optie blijven bij het CPB zou slechts dan weer aan de orde kunnen komen indien een afdelingschef alsnog tegenover de directie overtuigend weet te beargumenteren dat Cool een goede aanwinst voor zijn afdeling is. Alsdan zal de directie zich opnieuw beraden hetgeen, gelet op de geschiedenis en de bredere belangen van het Bureau als geheel, geenszins een positieve belissing garandeert."
    Er is derhalve een duidelijk verschil in positie van D en de advocaat van EZ.

    NB. In mijn brief van 10 maart 1991 kom ik op dit laatste gesprek van 8 maart 1991 terug, en bevestig ik dat ik loyaal opdrachten accepteer. Aan mijn "visie" mankeert dus niets.

    NB. Waar de directeur spreekt over een "optie" doet hij geweld aan het feit dat ik in vaste dienst ben - en dat hij mijn positie met détournement de pouvoir en met breidel heeft beschadigd.

    NB. De directeur verwijst naar de "bredere belangen van het Bureau als geheel". Aannemelijk is dat hij hier doelt op mijn analyse t.a.v. de werkloosheid en de zinvolheid van een parlementaire enquête. Het is onduidelijk wat D in deze aan ‘overtuigingskracht’ van een chef zou verlangen.

    iv.     Ik ben buiten de normale werkzaamheden geplaatst. Ik heb mij keurig gehouden aan de taakopdracht "lezen en schrijven". Men telle en leze de notities. Het laat zich echter vermoeden dat de taakopdracht niet gericht was op herplaatsing, eerder het tegendeel. Allerlei alternatieve taakopdrachten waren te verzinnen. Waar een wil is, is een weg. Bijv. is een promotie-onderzoek voorgesteld.

    v.     Toen D mij een conflict aandeed t.a.v. de publicatiegang van een artikel, werd het animo van de chefs natuurlijk niet groter. Scherp redeneren t.a.v. verantwoordelijkheid en verwijtbaarheid is hier nodig voor behoud van de wetenschappelijke integriteit.

    5h.     Het rookgordijn resumerend.
    De rechtbank stelt:
    "Vast staat derhalve dat klager erg moeilijk leiding kan accepteren alsmede onvoldoende vermogen tot samenwerking bezit, zodat verweerder in redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat klager ongeschikt was voor de vervulling van zijn functie."
    Dit is nogal in contrast met mijn uitstekende vermogens tot samenwerking en het accepteren van (wetenschappelijke) leiding.

    Het oordeel van de rechtbank is onzorgvuldig en derhalve doorgeleid naar de CRvB.

    De CRvB kan het zinvol achten getuigen te horen. Correct is dan, dat collega’s getuigen zijn voor de gang van zaken, en niet een getuige voor of tegen een van de partijen. Het lijkt me passend - ook bij een eventueel parlementair onderzoek - dat er inderdaad getuigen gehoord worden.

     

     224  Zie de context. Bijv. heb ik 200 pagina's aanzet tot een proefschrift over de productiekant van de papier- en grafische industrie en uitgeverijen in 1986 in de kast gelegd, toen HA III gereorganiseerd werd en Athena gemaakt moest worden. De notities van medio jaren ‘80 hebben onvoldoende de kans gehad voor het bureau nuttig te blijken. Laat ik eraan toevoegen dat HA III heel anders is dan bijv. HA I.

    225  Moeilijke notities zijn geen grond van ontslag. In februari 1994 vroeg mijn brief aan de directeur of ik alsnog notities mocht bespreken en publiceren, nu de rechter het tegenhouden daarvan nietig had verklaard. Met meer publicaties zou het ongeschiktheidsontslag beter te toetsen zijn door de CRvB. De directeur deelt mee dat het ontslag niet op deze grond gebaseerd is. (In Id hierboven geciteerd.)

    226  Daarenboven was er sprake van een overmaat aan ‘gewoon’ programmeren.

    227  De twee Surinaamse collega’s zijn een jaar na mijn vertrek van de afdeling wegens onderlinge onmin uit elkaar geplaatst. In 1992/93 was de chef hoofd van een andere afdeling, de plv. HAC is hoofd van de afdeling geworden, een statistisch medewerker is naar de Antillen verhuisd, een statistisch medewerker loopt in de ziektewet (en een medewerker is ontslagen). In 1994 is de afdeling ook aan een andere hoofdafdeling toegewezen, met de nieuwe naam "bedrijfstakken model ontwikkeling" (BMO) terwijl genoemd medewerker vanuit de ziektewet vermoedelijk naar de WAO zal gaan.

    228  D. Pinto, "Onderwijs over cultuurverschillen", proefschrift RUG 1993, Bohn Stafleu Van Loghum p23

    229  D erkent deze nadruk in de brief van 10/4/90 (zie 3c). De taakomschrijving was overigens zonder beschermende werking want bevatte de term "en overige" waardoor dus alles gevraagd kon worden. Dat gebeurde ook meteen bij de varianten exercitie voor de Athena-publicatie.

    230  Ook: in mijn steekproef zei een hoog percentage ‘al voldoende managementsproblemen’ te hebben. In januari 1990 begon op het CPB de eerste "management-training". Ik leg hier geen nadruk op.

    231  Misschien is sarcasme geoorloofd: ik had natuurlijk al bijna 8 jaar problemen veroorzaakt die X keer per jaar tot ontslagdreiging leidden.

    232  Feitelijk onjuist. Er is rondvraag gedaan bij de afdelingschefs zonder dat ik daarvan wist en zonder dat mij gevraagd was of ik aan herplaatsing wilde denken. D stelt dat die rondvraag neutraal is gedaan. In gesprekken met de chefs naderhand bleek dat men de context van de ‘neutrale vraag’ wel begreep.   


     Verder      Terug     Bezwaar     Begin van de brief          Begin van het boek          Afkortingen