Persaankondiging DOK 2003 - de (niet afdrukbare) pdf

Literatuur: BESPREKINGEN
 

De ontketende kiezer: vrijheid en democratie in een sociale economie

Auteurs: Thomas Cool & Hans Hulst
Uitgever: Thela Thesis, Amsterdam. 2003

Besproken door: dr. Frans Kerstholt, Universiteit van Tilburg

Het boek van Cool en Hulst is het verslag van een ‘wetenschappelijke ontdekking’ en een ‘uiterst pijnlijke professionele afrekening’. De eerste auteur speelt een dubbelrol als het subject van de ontdekking en het object van de afrekening. Als bespreker van het boek is het makkelijker iets te zeggen over de ontdekking en de vergaande consequenties, die Cool daaraan al vrijwel onmiddellijk verbindt. Op dat punt kan ik afgaan op wat ik in het boek tegenkom. De afrekening levert een schokkend verhaal over publicatieverboden, isolatie, ontslag en de vele procedures en processen, die daarop volgden. Dat verhaal is voor bespreker echter veel moeilijker op zijn merites te beoordelen.

Mijn bespreking zal niettemin beide thema’s eerst afzonderlijk behandelen. Daarna zal ik een poging tot samenvattende duiding doen.

De ontdekking
De econometrist Cool kwam omstreeks 1990 en na 8 jaren van werkzaamheid als gewaardeerde medewerker van het Centraal Planbureau – CPB tot het voor hem schokkende inzicht, dat het werkloosheidsprobleem op een heel eenvoudige manier uit de wereld te helpen zou zijn. Bovendien oordeelde hij bijna in één denkbeweging, dat de wetenschappelijke (zeker ook en waarschijnlijk vooral door het CPB), bestuurlijke en politieke beleidsvoorbereiding al vele jaren gefaald had en dat daarom een parlementaire enquête geboden zou zijn.

De ontdekking kwam neer op het keurig neoklassieke inzicht, dat verlaging van het minimumloon werkgelegenheid zou opleveren voor mensen van wie de (marginale) productiviteit ligt tussen het bestaande en het nieuwe minimumloon, dat gelijk dient te zijn aan het maatschappelijk aanvaarde sociale minimum. Er moest dan wel voor gezorgd worden, dat er geen belasting op dat minimumloon geheven zou worden. Dat gelijkheid tussen loonkosten (voor de werkgevers) en loon (voor de intreders aan de onderkant van de arbeidsmarkt) is om voor de hand liggende redenen essentieel. De ontdekking bestaat dus uit de combinatie van een in diezelfde tijd door de Tilburgse econometrist Van Soest intensief onderzocht verband tussen minimumloon en productiviteit met een verandering van het belastingstelsel. Uit het boek blijkt, dat Cool zijn vertrouwen in de doeltreffendheid van zijn therapie met name ontleent aan een wiskundig-economisch bewijs, dat hij in 1992 voor zijn inzicht geleverd heeft. (p. 51)

De ideeën over de noodzaak van een parlementaire enquête, die tot een grondige hervorming van ons parlementaire stelsel en tot de instelling van een Economisch Hof moet leiden, zijn gevoed door de overtuiging van Cool, dat het onvermogen om het werkloosheidsprobleem op te lossen niet alleen terug gaat op de falende wetenschappelijke voeding van het beleid maar ook op het hele daarop volgende proces van beleidsvorming. In verschillende hoofdstukken wordt daarom op verbeteringen van beleid en democratie ingegaan. Omdat de beschouwingen dicht aanleunen tegen de over het algemeen sympathieke beschouwingen, die wij vaker tegenkomen, zal ik daarop hier niet ingaan. Het voorstel voor een Economisch Hof zal ik wel bespreken.

Het Economisch Hof is gedacht als een echt gerecht met als belangrijkste bevoegdheid, dat het een veto kan uitspreken ten aanzien van begrotingen, die niet op wetenschappelijk-correcte informatie gebaseerd zijn.

Hiermee zijn de belangrijkste elementen van de ontdekking en wat daarop volgde aangegeven en kan ik overgaan tot een kritische weging van één ander.

Ik moet bekennen, dat ik anders dan Cool geen grootse verwachtingen over heilzame werkzaamheid van zijn inzicht heb. Ik herinner mij nog goed, dat de econometrische onderzoekingen van Van Soest uiteindelijk nauwelijks spectaculaire invloeden van een toch stevige verlaging met 10 % van het minimumloon hebben gevonden.

Van Soest heeft de voorgestelde verandering van het belastingstelsel niet onderzocht. Het voorspelde heilzame effect zou dus hier gevonden kunnen worden. Ook hierover ben ik opnieuw op basis van empirische ervaring niet zo optimistisch.

Ik baseer mij op een belangrijk recent boek waarin econometrisch verantwoord wordt afgerekend met veel gangbare standaardeconomische opvattingen over belastingen en bedrijvigheid (incl. werkgelegenheid). Ik doel op Peter Lindert’s Growing Public (2004). Eén van zijn voorbeelden heeft betrekking op een denkbeeld waarin de meeste economen eensgezind zijn: “We imagine an experiment in which Country A wisely holds down social spending while Country B raises it to a third of GDP, raising marginal tax rates on both the taxpayers and the recipients. Both the taxpayers and the recipients respond by working less and taking less productive risk, thus lowering GDP.” En dan het vervolg: “The problem with this consensus is that the data refuse to confess that things work out that way”. (Lindert, p. 29-30)

De eerste les van de observatie van Lindert is, dat voor de hand liggende gevolgen van veranderingen in belastingvoeten vaak tot de leerboeken beperkt blijven.

De echte les is dat men pas vertrouwen in een theoretisch model mag hebben als het de toets van serieus onderzoek doorstaan heeft, en voorts dat het bestaan van een wiskundig-economisch (existentie)bewijs geen garantie geeft.

Mijn belangrijkste punt van kritiek op Cool is dan ook, dat hij zich te veel door de verpletterende schoonheid van zijn idee heeft laten meeslepen en dat hij zijn achtergrond als econometrist in feite verzaakt heeft door zijn ideeën niet aan gedegen econometrische toetsing te onderwerpen.

Wie weet had zo’n toetsing interessante resultaten kunnen opleveren. Cool meldt althans op pagina 57, dat het CPB in 1997 het verkiezingsprogramma van De Groenen heeft doorgerekend. Deze partij had daarbij ook enkele aspecten van Cool’s analyse aan het CPB voorgelegd. De uitkomsten lagen volgens Cool heel duidelijk in de lijn van zijn voorspellingen. Ik zou zeggen: hier ligt een uitdaging voor een econometrist!

Over het Economisch Hof kan ik om zeer voor de hand liggende redenen, die in feite ook in het boek van Cool en Hulst aangereikt worden, niet echt enthousiast zijn. De auteurs stellen immers: “Soms was de economische wetenschap door haar gebrek aan consensus medeschuldig aan de vertroebeling van het blikveld van de besluitvormers.” (p. 71) Hier slaan zij de spijker op de kop. Het Economisch Hof zal de voor zijn werk noodzakelijke wetenschappelijk-correcte informatie zeer vaak moeten ontberen. Het is dan ook heel waarschijnlijk, dat de beslissende strijd niet binnen het Hof op wetenschappelijke gronden gevoerd zal worden, maar in het politieke proces dat bepaalt wie wel en wie niet zitting zullen hebben in dat Hof.
Mijns inziens ligt de oplossing in de intensivering van de open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de mainstream. Misschien is het wel nodig, dat wij de tijd waarin elke CPB-drs met een bezoldiging boven schaal 12 parttime hoogleraar werd, nog verder achter ons laten.

De afrekening
Wat er precies gebeurd is, valt voor de lezer van het boek van Cool en Hulst niet goed te reconstrueren. In het boek zijn de belangrijkste elementen daarvan publicatieverboden, overplaatsing naar een kamer apart van de collega’s, ontzegging van de toegang tot het rekensysteem van het CPB, ontslag en treurig verlopende procedures en processen. Toch kan ik de gedachte niet onderdrukken, dat de leiding van het CPB de schijn wel op zeer krachtige wijze tegen heeft. Ik baseer mij daarbij met name op het rapport van een commissie, die rapporteerde voor Nederlandse Vereniging van Maatschappij- en Cultuurwetenschappen en bestond uit A.J.F. Köbben en J.H.G. Segers, en verder op een ontboezeming van een directielid van het CPB.

De commissie van de NVCM is van oordeel, dat de directie van het CPB de door Cool voorgelegde publicaties beter aan een onafhankelijke buitenstaander had kunnen voorleggen: “Nu maakt zij toch enigszins de indruk rechter in eigen zaak te zijn geweest. (p. 109-110) Verder: “…had de directie zoiets onschuldigs als een lunchbijeenkomst in haar gebouw, beter niet kunnen verbieden.” Tijdens bedoeld lunchbijeenkomst had Cool zijn denkbeelden met collega’s willen bespreken.

Het directielid heeft tijdens een zitting van de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ de beslissing om niet te publiceren als volgt verklaard: “Het stuk past niet in de opvattingen van het CPB.” (p. 110) Let wel, het ging om publicatie op naam van de auteur met het oogmerk de wetenschappelijke discussie te bevorderen. Dit valt toch moeilijk anders te zien dan als een poging om een criticus tot zwijgen te brengen voordat hij heeft kunnen spreken. Ik moest echt denken aan het lid van de beoordelingscommissie van mijn proefschrift, die dat proefschrift nadat het al goedgekeurd was, nog wilde laten afkeuren, omdat ik wat te veel kritiek op sommige van zijn gekoesterde parti-pris had geuit.

Ook de verdere procedures en processen voeden dezelfde indruk: veel serviel gedrag van hooggeplaatste ‘civil servants’, die blijkbaar beter dan Cool beseften, dat zij maar knechten waren. De directie van het CPB schijnt Cool althans en nog steeds zonder het bedoelde effect te hebben laten weten, dat hij maar een ‘knecht’, ’servus’ dus, iemand dus wie serviel gedrag past. (p. 57).

Conclusies
Naar mijn oordeel zijn er aan beide kanten fouten gemaakt. Ik heb niet de indruk gekregen, dat Cool ooit tot het inzicht is gekomen, dat hij veel te snel tot een nogal massieve, kritische stellingname ten opzichte van het CPB is gekomen. Niemand kan het een aantrekkelijk vooruitzicht vinden, dat zijn wetenschappelijk werk onderwerp van een parlementaire enquête moet worden. Cool had zijn kritiek moeten opschorten tot hij duidelijke en econometrisch verantwoorde aanwijzingen voor de juistheid van het economisch-wetenschappelijke gedeelte van zijn kritiek. Pas daarna had hij zijn uitgebreide politiek-economische model kunnen presenteren, eveneens als een model dat aan nadere toetsing onderworpen zou moeten worden. Op lange tenen moet men ook een klein beetje kunnen anticiperen.

De leiding van het CPB heeft op een bekrompen, kleinzielige en autoritaire wijze gereageerd. Ik kan alleen maar hopen, dat het onder F. Don wat beter is geworden daar.

Uit het boek blijkt verder, dat Cool geprobeerd heeft mensen en instanties, die in de Nederlandse poldercultuur een goede naam hebben, voor zijn zaak te interesseren. Dit bleef zonder succes. Dat de hele ‘polder’ aan de kant is blijven staan, acht ik begrijpelijk en vergeeflijk. De polder moet ook in de toekomst nog in stand gehouden worden. Enige aandacht voor de wetenschappelijke kern van de visie van Cool ware overigens geen overbodige luxe geweest. 
De enige echte remedie zie ik in een meer open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de ‘mainstream’. Het universitaire wetenschappelijke onderzoek zou daarbij een voortrekkersrol kunnen spelen.

Tilburg, 22 februari 2005



Met commentaar van Thomas Colignatus, Maart 2005
Literatuur: BESPREKINGEN
 

De ontketende kiezer: vrijheid en democratie in een sociale economie

Auteurs: Thomas Cool & Hans Hulst
Uitgever: Thela Thesis, Amsterdam. 2003
 

  • De uitgever is Rozenberg Publishers (wel hetzelfde adres) 


Besproken door: dr. Frans Kerstholt, Universiteit van Tilburg

Het boek van Cool en Hulst is het verslag van een ‘wetenschappelijke ontdekking’ en een ‘uiterst pijnlijke professionele afrekening’. De eerste auteur speelt een dubbelrol als het subject van de ontdekking en het object van de afrekening. Als bespreker van het boek is het makkelijker iets te zeggen over de ontdekking en de vergaande consequenties, die Cool daaraan al vrijwel onmiddellijk verbindt. Op dat punt kan ik afgaan op wat ik in het boek tegenkom. De afrekening levert een schokkend verhaal over publicatieverboden, isolatie, ontslag en de vele procedures en processen, die daarop volgden. Dat verhaal is voor bespreker echter veel moeilijker op zijn merites te beoordelen.

Mijn bespreking zal niettemin beide thema’s eerst afzonderlijk behandelen. Daarna zal ik een poging tot samenvattende duiding doen.

De ontdekking
De econometrist Cool kwam omstreeks 1990 en na 8 jaren van werkzaamheid als gewaardeerde medewerker van het Centraal Planbureau – CPB tot het voor hem schokkende inzicht, dat het werkloosheidsprobleem op een heel eenvoudige manier uit de wereld te helpen zou zijn. Bovendien oordeelde hij bijna in één denkbeweging, dat de wetenschappelijke (zeker ook en waarschijnlijk vooral door het CPB), bestuurlijke en politieke beleidsvoorbereiding al vele jaren gefaald had en dat daarom een parlementaire enquête geboden zou zijn.
 

  • Ik heb nooit gezegd dat het "eenvoudig" is. Juist andersom. Er komt mijns inziens veel bij kijken. Voor het grote publiek is het wel mogelijk om, in zo'n publieksboekje, enkele belangrijke aspecten uit te leggen op een wijze die zo inzichtelijk is dat men het wellicht zo kan ervaren.
  • Mijn inzicht is gebaseerd op die jaren van onderzoek naar oorzaken van werkloosheid, zoals klassieke en keynesiaanse visies, het jaargangmodel, monetaire economie, en dergelijke. 
  • Ik was niet geschokt door het inzicht dat de eigenlijke oorzaak lag in de falende coordinatie van de belastingen met sociale zekerheid en arbeidsmarkt, maar wel door het feit dat mijn notitie uit november 1989 getroffen werd met het onthouden van een periodiek.
  • De gedachte aan de mogelijkheid van zo'n advies tot een enquete ontstond toen vrij snel - maar er is wel een half jaar over heen gegaan voordat dat advies onvermijdelijk was.
  • Wanneer er massale werkloosheid is dan faalt de democratie per definitie. Ongetwijfeld zoekt het parlement dan ook naar de oorzaak. Nu blijkt wat het is, en het parlement het nog niet ziet of accepteert, is het instrument van de parlementaire enquete te adviseren, en juist de enquete, en niet alleen een onderzoek, omdat er zoveel belangen mee gemoeid zijn.


De ontdekking kwam neer op het keurig neoklassieke inzicht, dat verlaging van het minimumloon werkgelegenheid zou opleveren voor mensen van wie de (marginale) productiviteit ligt tussen het bestaande en het nieuwe minimumloon, dat gelijk dient te zijn aan het maatschappelijk aanvaarde sociale minimum. Er moest dan wel voor gezorgd worden, dat er geen belasting op dat minimumloon geheven zou worden. Dat gelijkheid tussen loonkosten (voor de werkgevers) en loon (voor de intreders aan de onderkant van de arbeidsmarkt) is om voor de hand liggende redenen essentieel. De ontdekking bestaat dus uit de combinatie van een in diezelfde tijd door de Tilburgse econometrist Van Soest intensief onderzocht verband tussen minimumloon en productiviteit met een verandering van het belastingstelsel. Uit het boek blijkt, dat Cool zijn vertrouwen in de doeltreffendheid van zijn therapie met name ontleent aan een wiskundig-economisch bewijs, dat hij in 1992 voor zijn inzicht geleverd heeft. (p. 51)
 

  • Wanneer mijn bevinding als "eenvoudig" wordt voorgesteld dan ligt de kritiek "het is niet eenvoudig" natuurlijk voor de hand ...
  • Mijn analyse houdt ook rekening met armoedeval, marginale tarieven, Phillipscurve, investeringsbeleid, en de rest van de gangbare waslijst.
  • Ik verwees destijds niet zozeer naar de bevindingen van Van Soest. Het minimumloon is door veel meer mensen onderzocht dan Van Soest. Van Soest vond later dat de minimumloonkosten best hoger konden zijn (Card-Krueger) wat mij juist dubieus lijkt.
  • Het "met name" is van belang. Mijn vertrouwen in de aanpak is gebaseerd op mijn studie van de problematiek en mijn ervaring. Die had ik al in 1990 toen ik tot de parlementaire enquete adviseerde. Later bleek het zinvol om dit in de wiskundig-economische stelling en bewijs vast te leggen. Van belang is dat de stelling niet alleen theoretisch is maar meteen empirisch relevant - zie mijn bespreking van de "Definition & Reality" methodologie.


De ideeën over de noodzaak van een parlementaire enquête, die tot een grondige hervorming van ons parlementaire stelsel en tot de instelling van een Economisch Hof moet leiden, zijn gevoed door de overtuiging van Cool, dat het onvermogen om het werkloosheidsprobleem op te lossen niet alleen terug gaat op de falende wetenschappelijke voeding van het beleid maar ook op het hele daarop volgende proces van beleidsvorming. In verschillende hoofdstukken wordt daarom op verbeteringen van beleid en democratie ingegaan. Omdat de beschouwingen dicht aanleunen tegen de over het algemeen sympathieke beschouwingen, die wij vaker tegenkomen, zal ik daarop hier niet ingaan. Het voorstel voor een Economisch Hof zal ik wel bespreken.
 

  • Die "beschouwingen, .... die wij vaker tegenkomen" zijn vooral van de laatste jaren. Mijn advies stamt echter uit 1990 - en veel ellende was mogelijk voorkomen wanneer de analyse niet gecensureerd was geweest.
  • De grond voor herziening van het huidige concept van de Trias Politica is niet alleen de huidige werkloosheid, maar ook die van de jaren '30, in alle democratische landen, over tijd en ruimte, met ook de gevaren voor bijvoorbeeld het milieu en de groei van de wereldbevolking in de toekomst. De context van mijn werk is de CPB lange termijn studie 1990-2015.


Het Economisch Hof is gedacht als een echt gerecht met als belangrijkste bevoegdheid, dat het een veto kan uitspreken ten aanzien van begrotingen, die niet op wetenschappelijk-correcte informatie gebaseerd zijn.

Hiermee zijn de belangrijkste elementen van de ontdekking en wat daarop volgde aangegeven en kan ik overgaan tot een kritische weging van één ander.

Ik moet bekennen, dat ik anders dan Cool geen grootse verwachtingen over heilzame werkzaamheid van zijn inzicht heb. Ik herinner mij nog goed, dat de econometrische onderzoekingen van Van Soest uiteindelijk nauwelijks spectaculaire invloeden van een toch stevige verlaging met 10 % van het minimumloon hebben gevonden.
 

  • Bij mij gaat het om minstens 30%. Dat is niet 3 maal zoveel, maar een kwaliteit anders. Bovendien kan het nog lager wanneer je rekening houdt met andere belastingen zoals BTW.
  • Wanneer de analyse eenmaal begrepen is dan kan het hele macro-economische beleid anders. Het huidige beleid, dat bedoeld is om de economie beter te maken, maakt het probleem juist groter.
  • De verlaging van Van Soest ging voorzover ik weet ten koste van de netto-inkomens.


Van Soest heeft de voorgestelde verandering van het belastingstelsel niet onderzocht. Het voorspelde heilzame effect zou dus hier gevonden kunnen worden. Ook hierover ben ik opnieuw op basis van empirische ervaring niet zo optimistisch.
 

  • Het werkgelegenheidseffect hangt van de loonkosten af, minder van de belastingen.
  • De invloed van de netto-inkomens loopt via de incentives en de armoedeval. Hier maakt het wel uit of je over 10% of 30% kostenreductie hebt.
  • Het is niet "of belastingen of minimumloon". Er is ook het macro-economische beleidskader en het hele stelsel van de verzorgingsstaat. Nogmaals, mijn analyse is niet "eenvoudig".


Ik baseer mij op een belangrijk recent boek waarin econometrisch verantwoord wordt afgerekend met veel gangbare standaardeconomische opvattingen over belastingen en bedrijvigheid (incl. werkgelegenheid). Ik doel op Peter Lindert’s Growing Public (2004). Eén van zijn voorbeelden heeft betrekking op een denkbeeld waarin de meeste economen eensgezind zijn: “We imagine an experiment in which Country A wisely holds down social spending while Country B raises it to a third of GDP, raising marginal tax rates on both the taxpayers and the recipients. Both the taxpayers and the recipients respond by working less and taking less productive risk, thus lowering GDP.” En dan het vervolg: “The problem with this consensus is that the data refuse to confess that things work out that way”. (Lindert, p. 29-30)

De eerste les van de observatie van Lindert is, dat voor de hand liggende gevolgen van veranderingen in belastingvoeten vaak tot de leerboeken beperkt blijven.
 
 

  • Ik ken dit boek van Lindert niet. Wanneer het gewenst is wil ik het natuurlijk best bekijken. Het zou natuurlijk nog mooier zijn wanneer Lindert eerst mijn "Definition & Reality in the General Theory of Political Economy" (2000) bekijkt en zijn boek zo nodig aanpast, zodat ik na lezing van zijn werk niet hoef te concluderen dat het antwoord al in DRGTPE te vinden is.
  • Er bestaat enige subtiliteit t.a.v. "de meeste economen eensgezind zijn" en "consensus". Het is zuiverder om een duidelijke doelgroep aan te wijzen, bijvoorbeeld beleidseconomen en dan te spreken over de meerderheidsvisie.
  • Mijn analyse sluit aan bij de feiten en gaat in tegen de meerderheidsvisie onder beleidseconomen. Denkelijk spoort het goed wat Lindert en ik ieder voor zich stellen.
  • Mijn hoop is dat mijn analyse van het "dynamische marginale tarief" ooit in de leerboeken wordt opgenomen.


De echte les is dat men pas vertrouwen in een theoretisch model mag hebben als het de toets van serieus onderzoek doorstaan heeft, en voorts dat het bestaan van een wiskundig-economisch (existentie)bewijs geen garantie geeft.
 

  • Helemaal mee eens.
  • Mijn aanpak is dus ook de "Definition & Reality" methodologie. Het gaat hier dan om wiskundige-economische verbanden die ook daadwerkelijk empirisch voorkomen.


Mijn belangrijkste punt van kritiek op Cool is dan ook, dat hij zich te veel door de verpletterende schoonheid van zijn idee heeft laten meeslepen en dat hij zijn achtergrond als econometrist in feite verzaakt heeft door zijn ideeën niet aan gedegen econometrische toetsing te onderwerpen.
 

  • Dit is een wetenschappelijk onverantwoorde, lasterlijke en grof beledigende aantijging.
  • Ik ben verantwoord te werk gegaan, zorgvuldig en nauwgezet.
  • Wat ik voor het forum van de wetenschap naar voren breng is ook verantwoord. 
  • Het is de directie van het CPB die de verdere bespreking en uitwerking met een model heeft tegengehouden. Deze uitwerking is overigens niet nodig voor het fundamentele inzicht maar is gewenst voor de praktische implementatie.
  • In een moeilijke situatie heb ik netjes gehandeld en de wetenschappelijke integriteit beschermd tegen de inbreuken door de directie en een falend toezichtkader.


Wie weet had zo’n toetsing interessante resultaten kunnen opleveren. Cool meldt althans op pagina 57, dat het CPB in 1997 het verkiezingsprogramma van De Groenen heeft doorgerekend. Deze partij had daarbij ook enkele aspecten van Cool’s analyse aan het CPB voorgelegd. De uitkomsten lagen volgens Cool heel duidelijk in de lijn van zijn voorspellingen. Ik zou zeggen: hier ligt een uitdaging voor een econometrist!
 

  • Nogmaals: Het is de directie van het CPB die de verdere bespreking en het uitwerken met een model heeft tegengehouden. Deze uitwerking is overigens niet nodig voor het fundamentele inzicht maar is gewenst voor de praktische implementatie.


Over het Economisch Hof kan ik om zeer voor de hand liggende redenen, die in feite ook in het boek van Cool en Hulst aangereikt worden, niet echt enthousiast zijn. De auteurs stellen immers: “Soms was de economische wetenschap door haar gebrek aan consensus medeschuldig aan de vertroebeling van het blikveld van de besluitvormers.” (p. 71) Hier slaan zij de spijker op de kop. Het Economisch Hof zal de voor zijn werk noodzakelijke wetenschappelijk-correcte informatie zeer vaak moeten ontberen. 
 

  • Vanzelfsprekend. Het Hof zal in zijn wijsheid toch tot een oordeel komen. 
  • Dat probleem bestaat nu ook: en dan beter zo'n Hof dat open is naar de wetenschap dan de huidige situatie.


Het is dan ook heel waarschijnlijk, dat de beslissende strijd niet binnen het Hof op wetenschappelijke gronden gevoerd zal worden, maar in het politieke proces dat bepaalt wie wel en wie niet zitting zullen hebben in dat Hof.
 

  • Zoals nu ook gebeurt bij de benoeming van de Hoge Raad (juridische tak van de Trias Politica) ? 
  • "De ontketende kiezer" bevat een voorbeeld amendement voor de grondwet met een procedure die politiek gemanipuleer beperkt.


Mijns inziens ligt de oplossing in de intensivering van de open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de mainstream. 

  • Dit is een onverantwoord advies aan de samenleving, omdat hierdoor de aanpak van de werkloosheid alsook andere maatschappelijke problemen afhankelijk worden gemaakt van politieke en bureaucratische invloed op wetenschappelijke bevindingen.
  • Het verwerpen van de analyse in "De ontketende kiezer" is nog geen bewijs dat die andere aanpak wel werkt.
Misschien is het wel nodig, dat wij de tijd waarin elke CPB-drs met een bezoldiging boven schaal 12 parttime hoogleraar werd, nog verder achter ons laten.
  • Het is mij onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt. 


De afrekening
Wat er precies gebeurd is, valt voor de lezer van het boek van Cool en Hulst niet goed te reconstrueren. 
 

  • Mijn advies is een parlementaire enquete zodat alles zo goed mogelijk gereconstrueerd wordt.
  • In de tussentijd zou het helpen wanneer het beschikbare materiaal ook op CD of DVD of internet beschikbaar komt.


In het boek zijn de belangrijkste elementen daarvan publicatieverboden, overplaatsing naar een kamer apart van de collega’s, ontzegging van de toegang tot het rekensysteem van het CPB, ontslag en treurig verlopende procedures en processen. Toch kan ik de gedachte niet onderdrukken, dat de leiding van het CPB de schijn wel op zeer krachtige wijze tegen heeft. Ik baseer mij daarbij met name op het rapport van een commissie, die rapporteerde voor Nederlandse Vereniging van Maatschappij- en Cultuurwetenschappen en bestond uit A.J.F. Köbben en J.H.G. Segers, en verder op een ontboezeming van een directielid van het CPB.

De commissie van de NVCM is van oordeel, dat de directie van het CPB de door Cool voorgelegde publicaties beter aan een onafhankelijke buitenstaander had kunnen voorleggen: “Nu maakt zij toch enigszins de indruk rechter in eigen zaak te zijn geweest. (p. 109-110) Verder: “…had de directie zoiets onschuldigs als een lunchbijeenkomst in haar gebouw, beter niet kunnen verbieden.” Tijdens bedoeld lunchbijeenkomst had Cool zijn denkbeelden met collega’s willen bespreken.

Het directielid heeft tijdens een zitting van de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ de beslissing om niet te publiceren als volgt verklaard: “Het stuk past niet in de opvattingen van het CPB.” (p. 110) Let wel, het ging om publicatie op naam van de auteur met het oogmerk de wetenschappelijke discussie te bevorderen. Dit valt toch moeilijk anders te zien dan als een poging om een criticus tot zwijgen te brengen voordat hij heeft kunnen spreken. Ik moest echt denken aan het lid van de beoordelingscommissie van mijn proefschrift, die dat proefschrift nadat het al goedgekeurd was, nog wilde laten afkeuren, omdat ik wat te veel kritiek op sommige van zijn gekoesterde parti-pris had geuit.

Ook de verdere procedures en processen voeden dezelfde indruk: veel serviel gedrag van hooggeplaatste ‘civil servants’, die blijkbaar beter dan Cool beseften, dat zij maar knechten waren. De directie van het CPB schijnt Cool althans en nog steeds zonder het bedoelde effect te hebben laten weten, dat hij maar een ‘knecht’, ’servus’ dus, iemand dus wie serviel gedrag past. (p. 57).
 

  • Ik heb om die opmerking van onderdirecteur Den Hartog wel moeten glimlachen. Tenslotte is "minister" ook maar Latijn voor "dienaar". Ik heb er in het geheel geen moeite mee om mijn functie van wetenschappelijk medewerker op het Centraal Planbureau te zien als een van dienstbaarheid aan de rijksoverheid via de wetenschap. Mijn indruk van de achtergrond van die opmerking van Den Hartog is dat hij ook niet zo goed wist hoe met de situatie om te gaan en liever computeruitdraaien zag dan een advies tot een parlementaire enquete. Daar heb ik vanzelfsprekend begrip voor en van mij mag het, maar wat mij onjuist lijkt zijn vervolgens de besluiten die de directie heeft genomen die effectief de analyse hebben tegengehouden.


Conclusies
Naar mijn oordeel zijn er aan beide kanten fouten gemaakt. Ik heb niet de indruk gekregen, dat Cool ooit tot het inzicht is gekomen, dat hij veel te snel tot een nogal massieve, kritische stellingname ten opzichte van het CPB is gekomen. Niemand kan het een aantrekkelijk vooruitzicht vinden, dat zijn wetenschappelijk werk onderwerp van een parlementaire enquête moet worden. Cool had zijn kritiek moeten opschorten tot hij duidelijke en econometrisch verantwoorde aanwijzingen voor de juistheid van het economisch-wetenschappelijke gedeelte van zijn kritiek. Pas daarna had hij zijn uitgebreide politiek-economische model kunnen presenteren, eveneens als een model dat aan nadere toetsing onderworpen zou moeten worden. Op lange tenen moet men ook een klein beetje kunnen anticiperen.
 

  • Ik heb geen fouten gemaakt.
  • Ik heb geen "massieve" stellingname ten opzichte van "het CPB". 

  • Ik protesteer tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB.
  • Ik heb "duidelijke en econometrisch verantwoorde aanwijzingen voor de juistheid van het economisch-wetenschappelijke gedeelte" van mijn analyse.
  • Het is de directie geweest die tegengehouden heeft dat er modelberekeningen kwamen. Mij werd de toegang tot het model ontzegd.
  • De stelling "Niemand kan het een aantrekkelijk vooruitzicht vinden, dat zijn wetenschappelijk werk onderwerp van een parlementaire enquête moet worden." is niet juist, ik zou het zeer op prijs stellen. Vervolgens heb ik ruimzins rekening mee gehouden met eventuele schrikreacties bij de directie, door mijn analyse namelijk zorgvuldig uit te werken en alle ruimte te geven voor vragen en commentaar. Dat de directie bespreking heeft tegengehouden is niet correct.


De leiding van het CPB heeft op een bekrompen, kleinzielige en autoritaire wijze gereageerd. Ik kan alleen maar hopen, dat het onder F. Don wat beter is geworden daar.
 

  • Liefst laat ik zulke kwalificaties als "bekrompen, kleinzielige en autoritaire wijze" achterwege. Het volstaat om te concluderen dat de directie onjuist heeft gehandeld. Wellicht heeft men soms ook iets niet begrepen of is men verkeerd ingelicht omdat ergens iemand gelogen heeft.
  • Het is onder de huidige directeur Henk Don niet anders: onlangs kon ik weer een bezwaar bij de rechtbank in dienen. Ook Henk Don gaat door met het censureren van de wetenschap en het belasteren van mijn persoon en weigert bijvoorbeeld mee te werken aan een onafhankelijk onderzoek door de KNAW. Henk meent als onderdirecteur destijds reeds voldoende bij de zaak betrokken te zijn geweest, en weigert daarom ook een gesprek, maar het is evident dat hij niet bij de gesprekken met Den Hartog en/of Zalm aanwezig is geweest.
  • Ik weet niet hoe de (oud-) collega's op het CPB nu met de wetenschap omgaan. De visitatiecommissies die er zijn geweest hebben mij niet serieus behandeld, dus ik denk dat die commissies niet serieus zijn te nemen. Ook zie ik de collega's niet verwijzen naar mijn werk, dus dat lijkt me niet zo wetenschappelijk. Vooralsnog hebben ze de werkloosheid nog niet opgelost. Dat de collega's niet protesteren tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB stemt natuurlijk ook zorgelijk.


Uit het boek blijkt verder, dat Cool geprobeerd heeft mensen en instanties, die in de Nederlandse poldercultuur een goede naam hebben, voor zijn zaak te interesseren. Dit bleef zonder succes. Dat de hele ‘polder’ aan de kant is blijven staan, acht ik begrijpelijk en vergeeflijk. De polder moet ook in de toekomst nog in stand gehouden worden. Enige aandacht voor de wetenschappelijke kern van de visie van Cool ware overigens geen overbodige luxe geweest. 
 

  • Dit is een non-sequitur. De 'polder' zal blijven bestaan wanneer die parlementaire enquete wordt gehouden, het Economisch Hof ingesteld, en de werkloosheid wordt aangepakt. Het is juist het voortduren van de werkloosheid die tot de spanningen leidt, waarbij die werkloosheid ook aangepakt wordt met verkeerd beleid dat nieuwe spanningen veroorzaakt.
  • Dr. Kersholt zou mij nog eens mogen uitleggen waarom wetenschappers aan de universiteiten en in de Sociaal-Economische Raad "begrijpelijk en vergeeflijk" zwijgen ten aanzien van de censuur van de wetenschap.
  • Nou ja, "overbodige luxe" is natuurlijk een eufemisme. Wat is dan de verklaring voor de werkloosheid ? Zou het niet kunnen dat ik toch gelijk heb - ook al vindt deze recensent dat mijn onderbouwing nog ontbreekt ?


De enige echte remedie zie ik in een meer open wetenschappelijk-economische discussie met een versterkt accent op de empirische toetsing van theoretische modellen, die hun gezag nog te vaak ontlenen aan hun positie in of ten opzichte van de ‘mainstream’. Het universitaire wetenschappelijke onderzoek zou daarbij een voortrekkersrol kunnen spelen.
 

  • Zie boven voor het commentaar dat het onverantwoord is om het advies van een Economisch Hof niet breed in discussie te brengen en nader te onderzoeken.
  • Gezien de wijze waarop universitaire wetenschappers nu omgaan met censuur, zoals ook in deze recensie, lijkt het mij onverantwoord om daarop te vertrouwen. Merk op dat ik sinds 1 januari 2005 adviseer tot het ontslag van de hoogleraren economie.


Tilburg, 22 februari 2005
 

  • Veel dank voor de moeite. Ik denk dat e.e.a. het inzicht voor een aantal mensen zal vergroten, en met mijn commentaar moet men iets verder komen. 
  • Wanneer dr. Kerstholt deze recensie nog eens wil herzien t.a.v. de aantijging t.a.v. mijn wetenschappelijk functioneren dan houd ik me daar natuurlijk zeer voor aanbevolen. Wellicht bestaat er een grote psychologische druk om te denken "waar twee vechten hebben twee schuld" maar mijns inziens is het wel degelijk mogelijk dat alleen een directie incorrect handelt.
  • Zie verder mijn protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB.
  • Scheveningen, 8 maart 2005