Het ontstolen welzijn 1970-2005

Bijdrage voor het Nederlands Sociaal Forum 26-28 november 2004
 

Thomas Colignatus

http://thomascool.eu

14 November 2004
 
 
 

Inleiding

Op het Nederlands Sociaal Forum (NSF) van 26-28 november 2004 in de Beurs van Berlage, Amsterdam, organiseren XminY en www.globalternatives.nl een workshop "Het CPB en het Nederlandse economische beleid" (locatie: zaal Archief Damrak, 10:00-11:45 uur). Ik dank de organisatoren voor hun verzoek om een bijdrage.

Deze bijdrage is gecompliceerd, meer in het algemeen doordat ik van 1982-1991 wetenschappelijk medewerker en econometrist op het Centraal Planbureau (CPB) was, en meer in het bijzonder doordat ik in 1990 aanleiding zag tot het schrijven van een artikel (1990a) waarin ik kwam tot een advies tot een parlementaire enquête naar de al 20 jaar voortdurende massale werkloosheid en de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid, en in het bijzonder de rol van het CPB zelf. Een stelling in dit artikel (1990a) is dat er een aanpak voor de werkloosheid bestaat die denkelijk breed geaccepteerd zou worden maar die nauwelijks over het voetlicht komt. Dit artikel (1990a) is door de directie van interne bespreking en publicatie tegengehouden en ikzelf zag mij in 1991 met leugens en laster ontslagen. De directie speelt hiermee de man en niet de bal. Ik protesteer vanzelfsprekend tegen deze inbreuk op de integriteit van de wetenschap. Na 15 jaar van zinloos protesteren adviseer ik vanaf mei dit jaar tot een boycot van Nederland totdat de censuur ongedaan is gemaakt. Zie de toelichting in de bijlage. De deelnemers aan de workshop kan ik ook attent maken op Colignatus & Hulst (2003) "De ontketende kiezer". Een niet-afdrukbare PDF daarvan is te vinden op de website van de uitgever www.rozenbergps.nl en enkele recensies staan op mijn website.

In de jaren 1950-1970 kende de wereld volledige werkgelegenheid, lage inflatie en hoge groei. In de jaren 1970-2005 moest de economie worstelen met werkloosheid, inflatie en stagnerende groei. Het is belangrijk dat we dit niet beschouwen als een natuurramp, iets waar we niets aan kunnen doen. Ons is het welzijn over 1970-2005 ontstolen. Het woord en besef van ‘ontstolen’ is belangrijk – want anders denkt men misschien dat de economie onvermijdelijk zo had moeten ontwikkelen en nooit beter had kunnen zijn.
 
 

De vraag naar een brede welzijnsindicator

Lou Keune (2004), in zijn inleiding voor de workshop, stelt de vraag of het CPB in de ban is van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en of we geen behoefte hebben aan een brede welzijnsindicator die rekening houdt met

  1. Human Development Index
  2. milieu en de ecologische voetafdruk
  3. onbetaald werk in huishoudens, mantelzorg en vrijwilligerswerk
  4. ongelijkheid, onderbetaalde en overbetaalde arbeid
  5. sociale en esthetische waarde i.p.v. de prijs van consumptie (bijv. de "asobak")
  6. welzijn en rust i.p.v. een "hyperactieve samenleving"
  7. de mogelijkheid om zelfstandig in het bestaan te voorzien (bijv. boerengezinnen)
  8. de kapitaalstroom van arme naar rijke landen
  9. de invloed van Nederlandse concurrentie op het welzijn van andere landen.
M.i. kunnen hier nog de zwarte sector en criminaliteit aan worden toegevoegd, en het is ook een vraag hoe is om te gaan met vraagstukken van gezondheid en levensverwachting.

Keune stelt zo ook de vraag of het economisch beleid in de ban is van een "groeibeleid" dat gericht is op dat BBP en dat de andere aspecten verwaarloost.

Misschien wekt het verrassing, maar mij lijkt dat al deze aspecten reeds van belang worden geacht, niet alleen in de economische theorie, maar ook door parlement en binnen het CPB.

Immers, vele wetenschappers bespreken allerlei aspecten van de maatschappij, alle genoemde aspecten worden altijd besproken bij de begrotingen der departementen, en de financiële bedragen worden afgewogen tegen niet-financiële overwegingen. Wordt er geen geld toegekend, dan kan er toch een wet of regeling ontstaan. Soms kan natuurlijk geconcludeerd worden dat iets van belang is maar dat er geen geld is om het nader te onderzoeken.

Het punt is derhalve niet of deze zaken van belang zijn. Hun belang wordt reeds onderkend. Waar de meningen over verschillen is hoe, waar, wat, hoeveel iets ergens meetelt. De plaats en gewicht van een aspect worden bepaald in discussies tussen beleidsambtenaren en wetenschappers in de beleidsvoorbereiding en door politici in de finale politieke afweging.

Wie, zoals Keune, zoekt naar zo’n betere afstemming van alle genoemde doelen, moet een keus maken uit genoemde rollen: wetenschapper, beleidsambtenaar of politicus.

Voor mij als econometrist en adviserend wetenschapper is Jan Tinbergen het lichtende voorbeeld. Er zijn vele mensen die dan door huiveringen worden bevangen. Voor sommigen is Jan Tinbergen een beetje naief of wereldvreemd (zie het "in memoriam" destijds door Jan Pen) maar mijns inziens wordt dan de subtiliteit van zijn bijdrage onvoldoende onderkend. De taak voor een econometrist is om economische theorieën op te stellen, deze met wiskunde uit te werken tot modellen, en deze modellen te toetsen aan de statistieken voor hun empirische relevantie. Dit gebeurt in een wetenschappelijke omgeving, zodat de discussie transparant is. Wat Keune voorstelt, wordt door leerlingen van Tinbergen opgevat als een pleidooi voor betere econometrie.

Aldus, het enige wat een burger of andersglobalist in deze situatie kan doen is erop toezien dat deze discussie netjes gebeurt. Zie hier ook mijn pleidooi (1998a) voor een taakverdeling tussen burgers en wetenschappers. Wanneer er een inbreuk op de democratische omgangsvormen wordt gemaakt dan zou het prettig zijn wanneer de buitenwacht daartegen protesteert. Wanneer ambtenaren of wetenschappers niet protesteren tegen zulk een inbreuk, mogen we er dan op vertrouwen dat er geen inbreuk is ? Of zou men zich moeten afvragen of de beleidsvoorbereiding voldoende transparant is ?

Voor de goede orde meld ik nog:

(1) Onder economen bestaat er een misverstand dat een brede welzijnsindicator wiskundig onmogelijk zou zijn, en zij verwijzen dan naar de Stelling van Arrow 1951. Deze economen menen dus dat wiskundig is aangetoond dat maatschappelijke beslissingen altijd op een of andere manier ondemocratisch zijn, en zij leggen zich bij die gedachte neer. Het paper dat dit misverstand rechtzet is Colignatus (1990c). Aanvankelijk was dit een bijlage van mijn advies tot een parlementaire enquête, later is het artikel verzelfstandigd maar toen ook getroffen door censuur door de CPB-directie.

(2) T.a.v. het milieu verwijs ik graag naar het werk van dr. Roefie Hueting, zie Colignatus (2000b). Tinbergen schreef samen met Hueting over de noodzaak van een goede statistiek. Zie ook http://thomascool.eu/Papers/Environment/index.html. Samen met Hueting constateer ik dat milieu en werkgelegenheid elkaar bevorderen, terwijl in beleidskringen vaak wordt gedaan alsof het één ten koste zou gaan van het andere. Het verbaast me dat er nog geen milieu-econoom is geweest die tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het milieubeleid adviseert.

(3) Velen denken bij econometrie aan tijdreeksanalyses. Voor de goede orde verwijs ik naar een meer structurele analyse in Colignatus (2000a), met een nieuwe editie (2005).

(4) Keune stelt voor dat andersglobalisten alternatieven gaan ontwerpen. Eventueel proberen de andersglobalisten het CPB ervan te overtuigen dat dingen anders moeten, en eventueel, zo stelt hij: "En mocht het CPB niet overgaan tot deze alternatieve aanpak dan zou het misschien een aardige uitdaging kunnen zijn voor alternatieve economen om iedere MEV van het CPB vergezeld te doen gaan van een solidaire en duurzame schaduw-MEV." Het verbaast mij dat het CPB op deze manier als een ‘moloch’ wordt gezien. Je kunt natuurlijk altijd buiten de bestaande kanalen aan de gang maar het zal een forse investering zijn en veel zal het niet helpen. Beter is het wanneer maatschappelijke groepen hun vragen bij het CPB en het parlement neerleggen. We leven in een tamelijk open samenleving, wetenschappers beoefenen hun beroep in principe toch met de beste bedoelingen, en veel is mogelijk wanneer je blijk geeft van een open geest. Zo ben ik ooit als adviseur voor het politieke partijtje De Groenen meegeweest naar een doorrekening door het CPB – en uiteindelijk lag het probleem meer bij De Groenen dan bij het CPB, zie Colignatus (1998b). Het grootste probleem t.a.v. de censuur door de directie van het CPB ligt ook bij de buitenwacht. De censuur door de directie van het CPB is natuurlijk aan de directie toe te schrijven, maar heeft alleen zo lang kunnen duren doordat de buitenwacht niet heeft ingegrepen.
 
 

Loonmatiging en "groei, groei en nog eens groei"
 
 

(1) Goed onderscheid

Goed onderscheid is te maken tussen:

  1. de arbeidsmarkt, die soepel moet leiden tot volledige werkgelegenheid
  2. de investeringsmarkt, die bijdraagt tot behoud en toename van welvaart en welzijn.
Een gedachte is dat loonmatiging op beide terreinen effectief is. Dat is niet geheel juist. Een niet-groeiende of stagnerende economie kan nog steeds volledige werkgelegenheid hebben. Voor arbeid heb je arbeidsmarktbeleid nodig, voor de investeringen heb je investeringsbeleid nodig.

Een complicerend vraagstuk is

(c) of werk en welvaart nu in het binnenland of het buitenland gezocht moeten worden.
 
 

(2) Zoektocht naar het verband tussen loonmatiging en achterblijvende groei

Professor Van Schaik (2004) plaatst kanttekeningen bij het Nederlandse beleid. Ik verwijs naar zijn ESB-artikel van 12 november en niet de PDF van 1 november op de NSF website. Van Schaik verwijst naar zijn constatering in 1993 en ziet hetzelfde in 2004:

"Voor het Centraal Planbureau is loonmatiging nog steeds nodig "voor het behoud van buitenlandse marktaandelen en daarmee van de Nederlandse economie" (Van Schaik, 1993)." (Van Schaik, 2004). Het persbericht voor de MEV 2005 stelt bijvoorbeeld dat Nederland zich door de hoge loonstijgingen uit de markt heeft geprijsd: "Door de verslechtering van de prijsconcurrentiepositie in de afgelopen jaren is de Nederlandse economie echter niet in staat ten volle van de internationale economische opleving te profiteren." (MEV 2005) Van Schaik constateert ook dat van de kant van het CPB eigenlijk geen goede onderbouwing voor deze visie wordt geleverd. Wellicht kan er een effect op de korte termijn gelden maar bezien over een periode van 25 jaar is het verband problematisch.

Deze constateringen lijken me correct. Sinds het eind van de jaren ’70 voert Nederland een politiek van loonkostenmatiging waarin de werkloosheid met name via export-geleide groei wordt bestreden. Het is terecht dat men daar vraagtekens bij plaatst.
 
 

(3) De kritiek van CPB-ers Van Schaaijk (1983), Bakhoven (1988) en Colignatus (1990)

CPB-medewerker Marein van Schaaijk (1983) had de volgende kritiek, en ik geef de samenvatting van diens ESB-artikel:

"Al enige jaren wordt er een economisch beleid gevoerd gericht op matiging van de lonen in de hoop aldus via winstherstel investeringen uit te lokken en de werkgelegenheid te bevorderen. De effectiviteit van dit beleid wordt echter voor een deel tenietgedaan doordat de loonmatiging leidt tot binnenlandse vraaguitval en een opwaartse druk op de gulden die de export bemoeilijkt. Deze bezwaren zouden kunnen worden voorkomen als de gemiddelde loonstijging onberoerd zou worden gelaten, maar er in de loonvorming een differentiatie zou plaatsvinden naar inkomenshoogte, waarbij die inkomensgroepen die de hoogste werkloosheidskans hebben ook de grootste loonmatiging zouden moeten ondergaan. Omdat de werkloosheid vooral bij de lagere-inkomenscategorieën is geconcentreerd zou een dergelijk beleid echter sterk denivellerend werken en daardoor op gespannen voet staan met het inkomensbeleid. Het is evenwel mogelijk door middel van verschuivingen in de belasting- en premiedruk te verhinderen dat denivellering in de primaire sfeer leidt tot een aantasting van de laagste netto-inkomens. Denivellering van de bruto-inkomens zou dus gepaard kunnen gaan met nivellering van de werkloosheidskans. In dit artikel werkt de auteur enkele varianten uit waarin deze gedachte centraal staat. Daarbij wordt berekend welke de consequenties zijn voor de marginale lastendruk en voor de inkomensverdeling." (Van Schaaijk, 1983) De analyse van Van Schaaijk werd om onduidelijke redenen niet door de directie van het CPB omarmd. In 1988 breidde CPB-collega Bakhoven (1988) de analyse uit met modelberekeningen. Ik kan niet genoeg benadrukken dat economen deze artikelen er nog eens op naslaan. De analyse van Colignatus (1990a) die door de directie met censuur werd getroffen is een voortzetting van die gedachtengang. De aanpak in (1990a) is generiek, een compacte uitwerking naar binnenlandse en buitenlandse markt is in Colignatus (1996g).

Tot nog toe komt deze analyse onvoldoende in het beleid tot uiting. Ontegenzeglijk heeft het beleid veel pogingen gedaan, met bijvoorbeeld de Wet Loonkostensubsidies op Mimimumloonniveau (WLOM), de Melkertbanen, keuze van de heffingskortingen en dergelijke. Een gangbare conclusie is echter dat dit beleid faalt. Opgemerkt mag worden dat het beleid ook geprobeerd heeft om iets te doen aan de investeringen, via bijvoorbeeld Betuwelijn en HSL. Ook dit beeld stemt weinig hoopgevend. De nadruk op de aanpak van de export-geleide groei komt dan vaak ook indirect tot stand, door te wijzen op het falen van deze aanpak van de binnenlandse markt.

Het beleid ten aanzien hiervan gaat echter steeds aan de kern voorbij.

Op zich is het juist dat het CPB in genoemd citaat uit de MEV kritiek levert op de voorgaande kabinetten dat men de lonen teveel uit de pas met het buitenland heeft laten lopen. Maar toch is de tekst niet volledig. De juiste tekst had moeten luiden:

"De regering heeft nagelaten de werkgelegenheid en investeringen op peil te houden via maatregelen voor de binnenlandse markt." (Geen citaat.)
 
 
Want aan het binnenland kun je veel meer doen dan aan het buitenland.
(4) De kritiek van Kleinknecht (1996)

Kleinknecht (1996) stelde een verklaring voor t.a.v. de achterblijvende groei en werkgelegenheid. Recentelijk heeft hij e.e.a. aangescherpt, hetgeen ook aan de orde komt in de bespreking van Van Schaik (2004) en de literatuur die hij aanhaalt.

Ik volsta met mijn eerdere bespreking, Colignatus (1996j). In feite kan deze bespreking zeer interessant zijn voor andersglobalisten omdat de globalisering expliciet ter sprake komt. De andersglobalisten vinden een bondgenoot in de directie van het CPB, want beiden hechten belang aan de globalisering, terwijl ik juist de binnenlandse markt (in ieder land apart) benadruk.
 
 

Neoliberalisering

Andersglobalisten hebben een hekel aan neoliberalisering. Keune (2004) kritiseert de MEV 2005:

"Maar wat de langere termijn aangaat wordt de stelling verdedigd "dat iedereen beter af (is) als landen zich toeleggen op het maken van goederen en diensten waar zij relatief het beste in zijn ofwel een comparatief voordeel in hebben". Daarmee schaart het CPB zich bij de voorstanders van de verdere liberalisering van de wereldeconomie. Het is juist deze visie en het daaruit voortvloeiende beleid van Nederland en van mondiale organismen als IMF, Wereldbank, WTO en EU waar wereldwijd zoveel mensen zich tegen verzetten. Het zou het CPB sieren als zij ook eens systematisch de theoretische kritiek over dit onderwerp zou onderzoeken [voetnoot] en eveneens de vele beschrijvingen van de dramatische structurele uitwerkingen van dat beleid in vele landen, zoals in Mexico. [voetnoot]" Het probleem dat ik hiermee heb is dat Keune zich zo lijkt te verzetten tegen de economische wetenschap en niet tegen neoliberalisering per se. Het concept van comparatieve voordelen is nuttig en juist gunstig voor betrokken landen. De economische wetenschap is hier neutraal en adviseert naar beste vermogen. Dat is gangbaar ook de insteek van CPB en andere instellingen. Je moet wel opletten ten aanzien hiervan:
  1. Wanneer zo’n instelling een inbreuk pleegt t.a.v. de wetenschap, dan moet deze inbreuk ongedaan worden gemaakt.
  2. Wanneer iets als een comparatief voordeel wordt voorgesteld terwijl dat het eigenlijk niet is, bijvoorbeeld wanneer een arm land gedwongen zou zijn om zijn natuur te laten vernietigen, dan moet je je niet in de luren laten leggen. De beste waarborg is te zorgen dat het besluitvormingsproces transparant is en verankerd in de wetenschap. (Zo’n waarborg bestaat niet uit het opnieuw uitvinden van het wiel: probeer er rekening mee te houden dat de economische wetenschap al 200 jaar bestaat.)
Een aspect van de ‘neoliberalisering’ is de flexibilisering van de arbeidsmarkten. Hiertoe verwijs ik naar mijn bijdrage (1996h) aan LEF van de JOVD. Laat ik het reproduceren – het zijn maar 2 pagina’s.
 
 

Flexibiliteit als Fata Morgana (1996h)
 
 

"Flexibiliteit" is al bijna 10 jaar het sleutelwoord. Het sijpelde langzaam vanuit de High Brow internationale economische literatuur via de achterkamertjes van de hogere politiek door naar de realiteit van de werkplek. Loonmatiging, tijdelijke aanstellingen, uitzendwerk, oproepkrachten, contractresearch, en noem maar op, iedereen heeft er tegenwoordig mee te maken.

Waar is het allemaal goed voor ? En is het wel goed ? Ik hoop deze twee vragen in twee pagina’s goed te kunnen wegzetten.

Waar is het goed voor ? Laten we hier de theorie aanstippen zoals die in de High Brow internationale economie breed geaccepteerd wordt. De gedachte is dat ieder economisch stelsel een ‘evenwichtswerkloosheid’ heeft die bepaald wordt door de eigenschappen van het systeem. De hoogte van de evenwichtswerkloosheid wordt afgeleid van de inflatoire druk. Is de werkloosheid laag, dan kunnen werknemers gemakkelijker looneisen stellen, en neemt de inflatie toe. Is de werkloosheid hoog, dan zullen werknemers hun looneisen matigen, en neemt de inflatie af. Dit is wat mechanisch gesteld, maar is als denkschema voor deze pagina’s acceptabel. Sommige systemen hebben door hun eigenschappen een hoge evenwichtswerkloosheid, andere hebben een lagere. Kijk bijvoorbeeld naar het verschil tussen Amerika en Europa. De Amerikaanse werkloosheid nadert de 5%, de Europese is hoger dan 10% - en dan rekenen we nog niet goed met de verborgen werkloosheid. Het verschil wordt volgens de theorie dan verklaard door - raad eens - de flexibiliteit. De Amerikaanse economie en arbeidsmarkt worden flexibeler geacht dan de Europese. Werkgevers in Amerika die bij 5% werkloosheid geconfronteerd worden met hogere looneisen van hun werknemers, kunnen blijkbaar toch nog alternatieven vinden om niet aan die eisen te hoeven toegeven. Werkgevers in Europa zouden dat wel moeten doen, omdat er in Europa blijkbaar weinig alternatieven bestaan.

Economen spreken zich hier niet uit over het welbevinden van mensen. Tegenover de kosten van de Amerikaanse flexibiliteit staat het voordeel van een lagere werkloosheid. De hogere werkloosheid in Europa heeft het voordeel van - positief gezegd - meer zekerheid voor de gewone werknemer. Het is een maatschappelijke keuze welke aspecten van zekerheid men accepteert bij welk niveau van werkloosheid (voor welke personen).

Tot zover de theorie. De praktijk is wat weerbarstiger. Hoe meet je ‘flexibiliteit’ precies ? Theeuwes (1995) heeft de advocaat van de duivel gespeeld, en bevonden dat de de Nederlandse arbeidsmarkt heel goed als flexibel is te beschrijven. Vaak wordt in andere Europese landen met jaloezie gekeken naar het hoge percentage deeltijd in Nederland. Onze overlegeconomie lijkt ‘star’ maar blijkt in de praktijk een goed middel om in consensus een bocht te maken wanneer dat echt nodig is.

Mensen die mijn werk een beetje hebben gevolgd (1994b, 1995d), weten dat ik over het vraagstuk van de flexibilisering iets anders denk. Ik ben het in hoofdzaak eens met de gangbare economische analyse. Maar ik denk dat de oorzaak voor de problemen op het terrein van de werkloosheid en inflatie gezocht moeten worden in het belastingbeleid.

In het OESO gebied worden de belastingtarieven aangepast voor de inflatie. Dat gebeurt ook met de heffingvrije voet, terwijl echter het bestaansminimum stijgt met de algemene welvaart. In de jaren zestig en zeventig kregen de laagstbetaalden zo al een hoger risico van werkloosheid, terwijl de hogere inkomens gewoon hoge looneisen konden blijven stellen. Onder internationale invloed van Reagan nam de progressieve inkomstenbelasting daarnaast autonoom in belang af en werd ook de BTW meer gebruikt. Door dit beleid sloeg de belastingstructuur uit het lood. Er was een grote verhoging van de lasten aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In Amerika steeg de armoe. In Europa, om een redelijk bestaansminimum te handhaven en toch die extra last te kunnen dragen, stegen de minimumlonen. Dit laatste maakte velen werkloos.

Dat volledige werkgelegenheid onder prijsstabiliteit haalbaar is, blijkt niet alleen uit de jaren vijftig maar ook uit het CPB-scenario met het basis "inkomen" (de studie Nederland in drievoud). Dit scenario werkt vooral, omdat de basisuitkering een subsidie is die compenseert voor ten onrechte geheven belastingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Voor mensen die met werken al in het eigen bestaan kunnen voorzien, betekent die "uitkering" niet anders dan het verhogen van de voet. Je hoeft dus geen basisuitkering in te voeren om het werkgelegenheidseffect te zien. Alleen voor anderen heeft de basisuitkering betekenis. De maatregel is echter duur door de personen die alleen in de huishouding werkzaam zijn, en hij is niet evident efficiënter voor de uitvoering van de sociale zekerheid. Aldus, op grond van de jaren vijftig, en op grond van dit soort studies en overwegingen, lijkt het alleszins reëel dat vooral belastingen van invloed zijn op de macro-economische ‘flexibiliteit’.

Dit betekent ook dat het huidige beleid van de Nederlandse regering op een dwaalspoor zit. Het huidige belastingbeleid veroorzaakt de werkloosheid, en, om de werkloosheid terug te dringen gaat men de bestaanszekerheid van de burgers verminderen.

Laat ik als voorbeeld een wat langer citaat uit de Sociale Nota geven:

"Cruciaal voor de voortzetting van de gunstige trend in de werkgelegenheidsgroei is een versterking van ons concurrentievermogen. Een goede concurrentiepositie bevordert de arbeidsparticipatie. Omgekeerd draagt een hogere arbeidsparticipatie bij aan versterking van de concurrentiepositie. De sanering van de overheidsfinanciën heeft een goede basis gelegd voor de verbetering van de arbeidsparticipatie en de concurrentiepositie. Daaraan hebben de teruglopende kosten van de sociale zekerheid ook bijgedragen, evenals het rechtvaardige inkomensbeleid, de balans tussen flexibiliteit en zekerheid, de zorg voor de arbeidsomstandigheden, en, cruciaal, de goede arbeidsverhoudingen. Een versterking van onze concurrentiepositie vraagt om voortzetting van het beleid van beheerste loonkostenontwikkeling. Maar dat is niet voldoende. Evenzeer is een kwaliteitsimpuls nodig via investeringen in infrastructuur, kennis en innovatie. (...) Flexibiliteit van werknemers en werkgevers in onontbeerlijk doordat omstandigheden voortdurend wijzigen en de internationale concurrentie toeneemt." Ministerie van SZW (1996) Mijn conclusie is: De Sociale Nota sluit goed aan bij de internationale economische literatuur die nogal naief uitspraken doet over ‘flexibiliteit’. Maar de Nota is op een dwaalspoor ten aanzien van de werkelijke oorzaken van welvaart en werkgelegenheid. De ‘flexibiliteit’ die nagejaagd wordt is zodoende eigenlijk een fata morgana - en voor vele burgers mogelijk ook een nachtmerrie.
 
 

Conclusie

Er is geen wijziging ten aanzien van eerdere conclusies:

  1. Waar we in de jaren 1950-1970 volledige werkgelegenheid, lage inflatie en hoge groei hadden, is dit welzijn ons ontstolen in de periode 1970-2005.
  2. Er zijn fundamentele fouten in de theorieën, analyses en modellen van het Centraal Planbureau, waaronder het model Athena en de studie Nederland in Drievoud waaraan ik heb meegewerkt.
  3. Een deel van de problemen komt voort uit de economische theorie zoals die internationaal gangbaar is. Ik heb daartoe een bijdrage die vernieuwend is ten aanzien van deze theorie. Het is heel jammer dat de directie van het Centraal Planbureau deze bijdrage censureert.

 
 

Bijlage: Censuur door de CPB-directie 1989-2005

De organisatoren van de NSF workshop hebben het onderwerp van de workshop gekozen als "de economiebeoefening van het Centraal Planbureau".

Hierbij passen deze kanttekeningen:

De lezer begrijpt dat mijn positie aldus kwetsbaar is. Tot mijn spijt ondervind ik bij de buitenwacht onvoldoende begrip daarvoor. Er is bij de overheid geen instantie die het functioneren van het CPB toetst ten aanzien van de wetenschappelijke integriteit. Onlangs is een Commissie Integriteit Rijksoverheid (CIR) ingesteld, maar die behandelt geen ‘oude zaken’ (althans, dit zegt men, terwijl de censuur onverminderd doorgaat). De twee visitatiecommissies van internationale wetenschappers die het functioneren van het CPB in de laatste 15 jaar hebben getoetst negeren de kwestie. Het parlement doet niets – wat mogelijk kan betekenen dat de censuur van de wetenschap nu democratisch is geaccordeerd. Onze als kritisch beschouwde media negeren de kwestie. Economen negeren mijn analyse en behandelen mijn persoon als een pariah. Een bijzondere ontwikkeling vond onlangs plaats aan de Erasmus Universiteit, waar ik geconfronteerd werd met censuur ten aanzien van het gewag maken van de censuur door de directie van het CPB, zie het persbericht (2004b). Ten aanzien van de vrijheid van wetenschappelijk denken is Nederland een haast onvoorstelbaar ziek land.

Ook de ‘andersglobalisten’ reageren in het algemeen terughoudend. Het is daarom toe te juichen dat er na 15 jaar nu zo’n NSF workshop is. Aandacht voor de rol van het CPB in de beleidsvoorbereiding is van belang. Op het gevaar af dat mijn eigen positie verkeerd begrepen wordt, veroorloof ik me daarom toch deze bijdrage.

Wie meer over deze achtergrond wil weten wordt verwezen naar mijn website en bijvoorbeeld mijn boeken "Trias Politica & Centraal Planbureau" (1994b) en "De ontketende kiezer" (2003). Recentelijk heb ik moeten concluderen dat er zo’n 15 jaar van zinloos protest zijn verstreken zodat ik nu adviseer tot een boycot van Nederland totdat de censuur ongedaan is gemaakt, zie (2004a). In 2005 zal een nieuwe editie van (2000a) verschijnen als (2005).
 
 

Literatuur

PM. "Colignatus" is de wetenschappelijke naam van Thomas H.A.M. Cool. In sommige archieven zal men op de familienaam moeten zoeken.
 
 

Bakhoven, A. (1988), "Een marktgerichte oplossing voor het werkloosheidsprobleem", Economisch Statistische Berichten January 13

Centraal Planbureau (1992b), "Nederland in drievoud", SDU

Centraal Planbureau (2005), persbericht Macro-Economische Verkenningen 2005

Colignatus (1990a), "After 20 years of mass unemployment; Why we might wish for a parliamentary inquiry", Central Planning Bureau III/90/38, The Hague. Ecozoek 1991 and included in Colignatus (1992b)

Colignatus (1990c), "Why a social welfare (meta) function does exit: The Arrow Impossibility Theorem for Social Choice resolved, A better analysis suggested," internal note Central Planning Bureau, The Hague, reprinted in Colignatus (1992b) pp57-104

Colignatus (1992b), "Definition and Reality in the general theory of political economy; Some background papers 1989-1992", ISBN 905518-207-9, Magnana Mu Publishing and Research, Rotterdam

Colignatus (1994a), "Tax structure, inflation and unemployment", Magana Mu Publishing & Research, Rotterdam, ewp-mac/9508002

Colignatus (1994b), "Trias Politica & Central Planning Bureau", Samuel van Houten Genootschap, The Hague, ISBN 90-802263-1-9 (PDF op de website)

Colignatus (1995d), "Belastingstructuur, inflatie en werkloosheid", in NAD/CBS (1996) "Nederlandse Arbeidsmarktdag 1995, congres rapport", pp 173-188

Colignatus (1996g), "Differential impact of the minimum wage on exposed and sheltered sectors", ewp-get/9608001 http://thomascool.eu/Papers/ShelteredExposed/AGEshex.html

Colignatus (1996h), "Flexibiliteit als Fata Morgana", LEF, blad van de JOVD, no 51.

Colignatus (1996j), "Kruisende analyses over de werkloosheid", http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/Wetenschap/Artikelen/KruisendeAnalyses.html

Colignatus (1998a), "Taakverdeling burgers, beleid en wetenschap" http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/Taakverdeling/Taakverdeling.html

Colignatus (1998b), "Machtsmisbruik in de micro-cosmos" http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/Politiek/Artikelen/MicroCosmos.html

Colignatus (2000a), "Definition & Reality in the General Theory of Political Economy", First Edition, March & June 2000, ISBN 90-802263-2-7

Colignatus (2000b), "The seminal contribution of Roefie Hueting to economic science: Theory and measurement of Sustainable National Income", zie website

Colignatus (2004a), "After 35 years of mass unemployment: An advice to boycott Holland", ewp-get/0405001

Colignatus (2004b), "Persbericht censuur van de wetenschap t.a.v. de stelselherziening in de gezondheidszorg" zie http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/TPnCPB/MedischEthisch/2004-11-02-Persbericht.html

Colignatus (2005), "Definition & Reality in the General Theory of Political Economy", Second Edition, Dutch University Press, ISBN 90-3619-172-6

Colignatus and H. Hulst (2003), "De ontketende kiezer", Rozenberg Publishers, www.rozenbergps.nl

Hulst, H. & A. Hulst with collaboration of Th. Colignatus, (1998), "Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt", Thesis Publishers 1998

Keune, L. (2004), "De Economiebeoefening van het Centraal PlanBureau", bijdrage voor het NSF 26-28 november www.globalternatives.nl

Kleinknecht, A.H. (1996), "De mythe van de globalisering en de Nederlandse concurrentiepositie", CBS/NAD p 24-29

Ministerie van SZW (1996), "Sociale Note 1997", SDU 1996, p2-3

Schaaijk, M. van (1983), "Loondifferentiatie en werkloosheid", ("Wage differentiation and unemployment"), Economisch Statistische Berichten September 21

Schaik, A.B.T.M. (2004), "Loonmatiging gunstig voor economische groei?", ESB 12-11-2004, p534-536

Theeuwes, J.J.M. (1995), "Beweeglijk werk", ESB 20/27 december 1995, p1152-1154