Duivesteijn is geen Vidocq



Eugène François Vidocq (1775-1857): dat was die misdadiger die eerst informant bij de politie werd en daarna carrière maakte, om vervolgens in 1811 het eerste hoofd van de Sûreté te worden, met uiteindelijk 28 detectives onder zich die ook allemaal boeven waren geweest. Volgens de website van de Vidocq Society erkennen historici hem als de vader van het moderne criminologisch onderzoek. Schrijvers als Victor Hugo, Honore Balzac, Edgar Allen Poe, Herman Melville en Charles Dickens werden door zijn persoon en leven geïnspireerd. Met misdadigers vangt men misdadigers, ontstond zo het gezegde.

Adri Duivesteijn is het PvdA-kamerlid die nu voorzitter is van de "Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten" van de Tweede Kamer. Duivesteijn werd landelijk bekend als één van de wethouders van de gemeente Den Haag die begin jaren ‘90 het nieuwe Haagse stadhuis lieten bouwen. De stad Den Haag werd een artikel 12 gemeente, en de Haagse burgers werden jarenlang met verhoogde kosten geconfronteerd. Het verhaal achter deze gebeurtenissen is minder bekend. Er waren grote tekorten op het grondbedrijf van het Spuikwartier. Voor het college van B&W dreigde de klacht van wanbeheer. Het nieuwe stadhuis ontstond als politieke truuk. De tekorten van het Spuikwartier werden verborgen achter de investeringskosten voor het nieuwe stadhuis. Het nog heel goed bruikbare bestaande stadhuis aan het Burg. Monchy plein werd afgebroken en luxe woningbouw aldaar maakte dat de hele operatie financieel gunstig oogde. Feitelijk trad er kapitaalvernietiging op. Binnen de Haagse PvdA liepen de spanningen over de verschillende inzichten hoog op. Een zakelijke discussie werd onmogelijk gemaakt, het partijbestuur moest eraan te pas komen, enkele wethouders moesten tenslotte aftreden. In de grote uittocht die volgde werd, de wonderen zijn de wereld nog niet uit, burgemeester Havermans lid van de Algemene Rekenkamer, en Duivesteijn belandde uiteindelijk in de Kamer.

In de Tweede Kamer heeft Duivesteijn als ieder kamerlid dagelijks de krant gelezen en kunnen begrijpen dat er rondom de grote infrastructuurprojecten problemen bestaan. Hij kent de kamerleden die economie, vervoer en milieu in hun portefeuille hebben en kon hen aan de koffie kritische vragen stellen. Men ontkomt niet aan de indruk dat Duivesteijn daar in de Kamer toch ook een zekere medeverantwoordelijkheid heeft gekregen.

Is Duivesteijn nu de ‘misdadiger waarmee men misdadigers vangt’ ? Zal hij, die toch rond de kwestie van het Haagse stadhuis heeft getoond het klappen van de zweep te kennen ten aanzien van list en bedrog en schijnheilig gedrag, erin slagen om de gebeurtenissen rondom Betuwelijn, HSL en Tweede Maasvlakte te ontrafelen ? 

Het moet betwijfeld worden. 

Adri’s manco is het raffinement. Hij is geen Vidocq. Misschien zou hij er naar aspireren om even slecht en slim te zijn als Vidocq ooit was, het eerste lukt misschien nog wel, het tweede niet. Vidocq’s vermogens werden iedere dag getest door een veeleisende omgeving, Duivesteijn heeft al een decennium het rustige bestaan van het kamerlidmaatschap genoten en niet de kans gegrepen om daar als een Vidocq te schitteren. De truuk rondom het Haagse stadhuis was doorzichtig, de enige reden dat Duivesteijn ermee wegkwam is de banale vriendjespolitiek in dat PvdA-gewest, waar hij tenslotte ook de voorman was van enkele wijkactivisten voor lagere woonlasten die niet onder ogen wilden zien dat hij hen feitelijk hogere woonlasten gaf. Feitelijk ontbeert Duivesteijn de capaciteiten om de taak die voor hem ligt tot een goed einde te brengen. Natuurlijk, er zal wel een rapport komen, en de ondersteunende ambtenaren zullen zorgen dat het enig niveau heeft, maar voor verfijnd inzicht in deze kwestie moeten we niet bij Adri zijn.

Als auteur van dit stukje kan ik enkele persoonlijke opmerkingen maken. Toen de kwestie van het Haagse stadhuis speelde, rond 1990, was ik ook lid van de PvdA, en lid van de steungroep Financiën van de Haagse gemeenteraadsfractie van de PvdA. Het kwam wel eens voor dat ik na mijn werk op het Centraal Planbureau (CPB) op de tram stapte en naar het oude stadhuis op de Groenmarkt toog om daar een vergadering mee te maken. Het is wonderlijk voor me om nu te zien hoe mijn CPB-collega’s door Adri Duivesteijn worden ondervraagd, het zijn twee werelden die plotseling bij elkaar komen. Wonderlijk voegt zich hierbij een derde wereld, want ik was in 1996 adviseur bij de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, en zelfs projectleider voor de Vervoer-Economische Verkenningen 1997-2002 voor het goederenvervoer. Opgemerkt zij dat de Betuwelijn niet aan de orde komt, deze ramingsperiode ligt voordat de lijn operationeel zou worden.

Van de verrichtingen van Adri’s kamercommissie heb ik slechts enkele krantenberichten. Deze zijn voldoende om de volgende opmerkingen te maken:

(1) De Volkskrant 6 september 2004: "Ook een gerespecteerd instituut als het Centraal Planbureau (CPB) werd geschoffeerd." Een CPB-studie uit 1995 werd bij Wim Kok negatief voorgesteld en kamerleden besteedden er nauwelijks tijd aan.

Het probleem met dit krantenbericht is:

  1. Is het CPB een "gerespecteerd instituut" als het zo behandeld wordt ? Wat bedoelt de journalist ons te zeggen ?

  2.  
  3. De directie van het CPB kan niet de handen in onschuld wassen, want men publiceerde onjuiste economische ramingen en analyses die verkeerde conclusies bevorderden. Vele beleidsmakers meenden te moeten investeren voor de handel met het buitenland, anders ging het land verloren, althans zo meenden zij op grond van inzichten van de CPB-directie te begrijpen. Dat het paard (de politiek) op hol slaat, kan ook komen doordat men (de CPB-directie) het paard eerst de zweep gegeven heeft, want men weet tenslotte dat de leidsels zwak zijn.

  4.  
  5. Ikzelf heb in 1990 een notitie geschreven met het advies tot een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid en de rol daarbij van het CPB. Deze notitie mocht niet intern besproken worden, en ik ben met machtsmisbruik ontslagen. Indien de directie van het CPB zich correct had opgesteld en wanneer mijn notitie als CPB-publicatie had mogen verschijnen, dan had de taak en plaats van het CPB zuiverder vastgesteld kunnen worden, ook omtrent dit soort infrastructuur-rapporten. (Het tegenhouden van die publicatie is nog steeds een inbreuk op de wetenschap, en moet nog steeds ongedaan gemaakt worden.)
Overigens kon ik de CPB-kwestie destijds niet op een of andere wijze met de Haagse PvdA-partijgenoten bespreken, want iedereen was druk met de stadhuis-kwestie.

Overigens heb ik altijd aangegeven dat het CPB in de kwestie van de Betuwelijn beter heeft gefunctioneerd dan de vele andere actoren, doch, bovenstaande kritiek blijft wel gelden.

Uit bovenstaand krantencitaat blijkt al dat ‘respect’ een onvoldoende basis is om daarop de rol van de informatievoorziening voor het landsbestuur te baseren. Wie hierover langer nadenkt kan net als ik uitkomen bij mijn advies tot een grondswetswijziging t.a.v. een Economisch Hof, zie het boekje van Thomas Cool en Hans Hulst, "De ontketende kiezer", Rozenberg publishers 2003 (een niet-afdrukbare pdf staat op het web van de uitgever).
 
 

(2) De Volkskrant van 3 september 2004: "(...) werd het Centraal Planbureau (CPB) gevraagd de cijfers langs te lopen. Maar de rekenaars hadden te weinig mankracht en kwamen nauwelijks aan een inhoudelijke beoordeling toe. Alleen de meest flagrante rekenfouten werden geschrapt. (...) Veel dubieuze uitkomsten bleven gewoon staan."

Als het goed is, heeft het CPB deze beperkingen destijds ook gemeld. Waarom meldt de krant dit niet ? Een goede Vidocq zoekt echt door tot waar het fout is gegaan.
 
 

(3) NRC 3 september 2004: "Een onderzoeker van het Centraal Planbureau zei gisteren bij de verhoren: "De Betuwelijn was de oplossing, maar het was niet duidelijk voor welk probleem.""

Dit is een rare opmerking van die CPB-oud-collega. Het is werkelijk raar om te suggereren dat niet bekend was dat de Betuwelijn bedoeld was om de achterland-verbinding te verbeteren. (En wanneer dat doel bekend is, dan kun je ook naar alternatieven zoeken.)

Mijn indruk is dat de directie van het CPB een veel duidelijker stellingname had kunnen betrachten.

Tevens: "Van den Berg [destijds onderdirecteur CPB] pleitte voor meer dualisme bij grote beslissingen en een uitbreiding van de onderzoekscapaciteit van de Kamer om de eigen informatie naar boven te halen. "Dat versterkt de kritische positie van de Kamer.""

Het is natuurlijk heel aardig van de directie van het CPB om anderen te adviseren om ook, net als het CPB, informatie te verzamelen en kritisch na te denken. Het CPB staat bekend als een ruimhartige instelling die niet zegt dat zij de wijsheid in pacht heeft. Tja, helemaal mee eens. Maar het punt is, zie mijn analyses rondom de positie van het CPB, dat er iets mankeert aan de positie van het CPB, en dat los je op bij het CPB en niet met versterking van de onderzoekscapaciteit van de Kamer. 

Van den Berg geeft hier dus misleidende informatie. Van den Berg heeft de Kamer niet gemeld dat hij intern de discussie met machtsmisbruik gebreideld heeft.
 
 

(4) NRC 2 september 2004: "Van Schijndel [van Knight Wendling] zei dat er binnen het onderzoeksbureau [van Knight Wendling] veel discussie geweest is om ook een alternatief met investeringen in de binnenvaart mee te nemen, maar "dat was niet de opdracht"."

Dit spoort met mijn eerdere observatie in 2000 n.a.v. het rapport van de Algemene Rekenkamer. Er is een groot verschil tussen instituten als het CPB die (in theorie) de vrijheid hebben zelf onderzoek op te starten en bureau’s die geheel afhankelijk zijn van opdrachten. Het is nuttig dat nog eens bevestigd te zien door dit soort getuigenissen.

Een van de bekendste handelswijzen om iets gedaan te krijgen is het vermijden van alternatieven. Iedereen heeft het verschijnsel in zijn opvoeding meegemaakt, bijvoorbeeld: "Wat doe je aan naar school, die lichtblauwe of die donkerblauwe broek ?" Je mag kiezen, maar naar school ga je. 

Omdat dit punt zo eenvoudig is, ben ik ook niet zo erg trots op mijn bovengenoemde observatie over de onderzoeks- en adviesvrijheid van instituten. Het is slechts elementair. Het is dan ook curieus dat deze verslagen van de verrichtingen van de kamercommissie ertoe tenderen om het probleem zo te versimpelen. Echte vooruitgang in de analyse ontstaat pas wanneer men dóór-redeneert. Maar goed, Duivesteijn is geen Vidocq.
 

Thomas Colignatus / Thomas Cool

Scheveningen, 7 september 2004

http://thomascool.eu

Wetenschappelijk medewerker en econometrist van het CPB 1982-1991, en o.a.betrokken bij de lange termijn studie "Nederland in Drievoud 1990-2015.

Adviseur afd. Leefbaarheid en afd. Goederenvervoer AVV 1995-1997, en o.a. projectleider voor de "Vervoer-Economische Verkenningen 1997-2002"

Lid van de PvdA 1974-1991, en destijds lid van de steungroep Financiën van de Haagse gemeenteraadsfractie van de PvdA. Zie ook het hoofdstukje "Soms loopt het zo", in Thomas Cool, "Trias Politica & Centraal Planbureau" 1994.

PM. Het blijft relevant nog eens heel expliciet te stellen dat ik, als wetenschappelijk medewerker en econometrist van het CPB en betrokken bij de lange termijn studie Nederland in Drievoud 1990-2015, destijds in 1990 de plv. secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken heb verzocht mij in contact te brengen met de Algemene Rekenkamer. Naar aanleiding van het bovenstaande wordt mijn hoop dat dit verzoek ooit gehonoreerd wordt weer wat actueler. Overigens is mijn positie steeds geweest dat mijn advies tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het economisch beleid en met name de rol van het Centraal Planbureau daarin, van groter belang is dan wat ik over de achterlandverbinding te melden heb, en mijn verzoek is dat bij de beoordeling van het bovenstaande in gedachten te houden.