Naar boven


Toelichting bij dit verslag uit 1977

Bij het opruimen thuis kwam ik de eerste jaargangen van de GAXEX tegen, het blad van de interfaculteit econometrie van de Rijksuniversiteit te Groningen. Uit enige nostalgie bekeek ik deze. Ik werd getroffen door mijn verslag uit 1977 van het eerste symposium van de interfaculteit, en wel omdat daarin de monopolistische positie van het CPB reeds ter sprake kwam. Dit lijkt me relevant genoeg om dit verslag hieronder te reproduceren.

Het punt dat ik anno 2005 hiermee wil maken is niet dat deze discussie over de ‘plaats en taak van het CPB’ en zulke kritiek reeds in 1977 bestond en dus ruim voor 1990. Het punt is veeleer dat het verslag verduidelijkt dat het mij bekend was. Mijn advies uit 1990 tot een parlementaire enquête komt voor sommigen uit de lucht vallen maar met dit verslag is geboekstaafd dat het niet zomaar uit de lucht komt vallen maar de vrucht is van een jarenlange overpeinzing. Mijn overweging om bij het CPB te willen gaan werken komt ook voort uit het belang dat ik aan de planmatige voorbereiding van het economisch beleid hechtte.

De spelling in het verslag is gedateerd en inconsistent. Het taalgebruik blijkt enigszins studentikoos, hopelijk zij me dit vergeven. Voor de nieuwe lezer kan het verwarrend zijn dat op het symposium twee Kooymannen optraden, één van het CPB en één uit Groningen, de latere voorzitter van het College van Bestuur van de universiteit. De toenmalige voorzitter van het CvB, Kurvers, gaf ook acte de présence. Het kabinet vaardigde minister Gruyters af, terwijl Eduard Bomhoff, de latere vice-premier, ook toen al voor vuurwerk zorgde. Het punt dat het CPB een natuurlijk monopolie heeft, heeft Bomhoff echter niet willen accepteren toen hij later met Nyfer toch de concurrentie met het CPB wilde aangaan.

Voor de goede orde: "de ernstigste fout die een politicus kan maken" is het geven van volledige informatie. Het is dan ook niet voor niets dat mijn suggestie tot de parlementaire enquête zich daarop richt. 

Thomas Colignatus, 19 april 2005


 
 
GAXEX, 1e jaargang no 7, p19-20 (1977)
 

Ons eerste symposium


“Het laatste woord over ekonometriese modellen is nog niet gezegd.” Zo begint het verslag van L. Hoffman in de ESB van 27/4/77. Nou, dat dacht ik ook. Om te beginnen zou ik zelf wel wat willen zeggen:  voor het beoordelen van ekonometriese modellen zijn symposia volledig ongeschikt. Het is slechts (?) aan de wedijver tussen Rotterdam en Groningen te danken geweest dat het een leuke dag werd; maar indien er geen Bomhoff-ers zouden zijn die enerzijds met a-priori coëfficiënten werken en anderzijds ánderen korrelatie-koëfficiënten van 0,40 op hun model laten berekenen, maar die tóch zo welbespraakt zijn dat zij hun publiek bijna volledig op hun hand weten te krijgen, zou ik het somber voor onze wetenschap inzien.

Als demokraat verwonder je je dan maar weer over die vreemde mengeling van burokratie en demagogie, welke voor het funktioneren van de ekonometrie een vereiste schijnt te zijn. Enerzijds kun je de cyfers van een vreemd model nooit helemaal vertrouwen (laat staan je eigen model), anderzijds zou je alles helemaal moeten narekenen om je persoonlijke integriteit eraan te wagen. (Om het Naïve Modetaire Model, GRECON 77B, en het Kwartaal Model van het CPB te vergelijken zou je als afgestudeerde Trist best een maand mogen uittrekken; wie doet het? Kooyman c.s., Bomhoff c.s., het CPB zijn zéker serieus met elkaar bezig, maar wie in godsnaam daarnaast?) Derderzijds kun je dan alleen maar op je redenaarstalenten en de gevoeligheden van het buitenuniversitaire publiek voor titels en moeilijke woorden vertrouwen om de resultaten van je kantooruren ingang te doen vinden.

Drs. Kooyman van het CPB maakte daar eigenlijk op onwelgevoegelijke wijze misbruik van. Zijn praatje over het ontstaan van de eerste modellen van het CPB paste niet geheel binnen de kwantificistiese opzet van de dag. Er sprak een air uit van “ik ben van het CPB, en wat willen jullie nou?”; wellicht niet met opzet, maar geheel in de lijn van de gedachte waar ik mij onwelgenoeglijk mee bezig hield, dat hij ook om zijn imponerende verschijning met voorbedachte rade op de afdeling voorlichting van het CPB was geplaatst. Het geheel deed echter plezierig aan, en kreeg soms wat guitigs als er over de truuks van de eerste jaren werd verteld.

De Groningse Kooyman begon met het eigenlijke werk. Daar zeggen we dus niet zo veel over, behalve dan dat hij de jongste rekenresultaten gaf welke Groningen nog sterker als een konkurrent van het planburo profileerden. De cyfers waren immers pessimistieser, hetgeen met name bij mij goed valt. Maar het is lente, dus hier praten we niet over.

In de laatste vijf à tien minuten van zijn speech over de voorspelkwaliteiten van GRECON 77B gaf hij en passant nog even vernietigende kritiek op Bomhoff’s model: er bleken nl vrij weinig significant van nul verschillende koëfficiënten in diens model te bestaan toen Groningen het model voor hem schatte. Gelukkig vergat hij om het kader van die kritiek aan te geven, zodat het geheel wat ruziezoekerigs over zich heen kreeg, hetgeen de stemming in de zaal deed stijgen. Het Forum der Wetenschappers rook de mogelijkheid dat er deze dag wel eens een vernietigend oordeel zou kunnen worden geveld en begon al met een grijns met het hakmes te zwaaien.

Daarmee was dan het grootste doel van de dag bereikt: de lunch. Deze was welvoorzien, en aangezien er enige plaatsen open waren, klaagde niemand als je erbij ging zitten en een banaantje mee-at. Op deze wijze heb ik nog met Theo van der Star kunnen praten, de leider van de VU-delegatie van het Landelijk Overleg van Ekonometrie Studenten in februari. Ook Harry van ‘t Ende was er, die nu een belangrijke funktie bij het Ministerie van Defensie vervult; en bijv. Bert Hamminga, die sinds kort een promotieplaats bij de juridiese fakulteit in Utrecht heeft, en zich bezig houdt met metodologie van de ekonomie. Het bleek dat Bomhoff, Gruyters, etc. vandaag niet aten, want ik zag ze niet in de kantine. De organisatoren kunnen natuurlijk ook twee groepen hebben gemaakt, om ervoor te zorgen dat iedereen op tijd koffie kreeg: nu al moest ik soms onbehoorlijk lang wachten. Maar alles smaakte lekker, en jullie zullen me nog vaker in de kantine zien zitten.

Bomhoff bleek een gevoel voor humor te hebben dat ongevoelig voor de aanwezigheid van een groot en geleerd publiek was. Door aan te kondigen dat hij eerst Groningen lof zou toezwaaien en daarna pas zou kritiseren, raakte hij een goede snaar, en begon de eerste van een reeks lachsalvo’s. Inderdaad ondersteunde hij het groningse streven om het monopolie van het CPB te doorbreken de eerste vijf minuten van zijn speech, maar daarna maakte hij ons bijna met de grond gelijk. Niet alleen bleek de theoretiese achtergrond van GRECON armetierig, maar ook bleek dat door het gebruik van 2SLS koëfficiënten signifikant waren geworden, die het met FIML niet werden. Bomhoff had van het Internationale Monetaire (!) Fonds een komputerprogramma geleend dat deze FIML toepaste, en liefst 7 coëfficiënten konden verdwijnen. Daarnaast hanteerde hij een “mean square error” maatstaf, welke echter niet het volle begrip van de zaal ontving. Door op te sommen hoe GRECON “jarenlang precies het tegenovergestelde voorspelde van wat gerealiseerd werd”, nl. een daling versus stijging en andersom, kreeg hij de zaal plat.

Persoonlijk kreeg ik een paar keer de behoefte om vragen te stellen als naar de definitie van mean square error, en naar de mate van spreiding van de voorspel”fouten”. Ik heb me gelukkig rustig kunnen houden, want anders had ik hier geen kritiese vragen kunnen stellen. Ook niemand anders durfde, terwijl toch duidelijk was dat er in de Groningse hoek enige ongerustheid groeiende was. Tijdens de theepauze kon ik een paar docenten de vragen stellen die mij hoog zaten, maar zelfs zij hadden geen antwoord. Eén liep zelfs even naar de 8ste, om een definitie te achterhalen. Opvallend was ook dat geen enkele Groninger met Bomhoff in gesprek trad, terwijl juist de theepauze voor het rechttrekken van misverstanden zo uitstekend geschikt is. Zelfs Gruyters stond er wat eenzaam en verloren bij, zoals Kurvers later verwonderd opmerkte. Ekonometristen zijn geen mensen die zich ergens omheen verdringen, mogen we konkluderen. Gruyters kad dan natuurlijk ook niets biezonders ingebracht, en het was wel duidelijk dat het kabinet van mening was dat ze toch iemand moesten sturen toen Duisenberg niet kon omdat hij een Lintje in Luxemburg moest halen voor zijn bijdragen tot de europese monetaire (!) integratie. Indien de lobby der niet-regerings-gebonden ekonometristen nu doorzet, kan de komst van een minister naar ‘t symposium nu dat enig gunstige effekt hebben dat je ervan kan verwachten: dat de cyfers van het CPB openbaar worden, en dat ze vertellen hoe ze hun reeksen in elkaar draaien. Want dat beloofde Gruyters!

Het forum na de speeches was aardig. Hartog verwonderde zich over kritiek die men op de ekonometriese modellen had, aangezien tot nu toe alleen de ekonomen om hun willekeur geslachtofferd, en de ekonometristen om hun objektiviteit geëerd werden. Laten we hopen dat hij dit inzicht al eerder verworven had, en begrepen heeft waar de diskussie tussen ekonomen en ‘tristen werkelijk om gaat. Weitenberg vond dat er niet al te specialisties gediskussieerd moest worden – door een publiek van 250 ekonometristen! Nadat hij aan de zaal gevraagd had of sprekers eerst hun naam wilden zeggen, stond Rijken van Olst op, noemde zijn naam niet, en ging in de aanval tegen het CPB. Daarna nam Korteweg, die al drie keer kwiek over de banken was geklommen om bij zijn zetel te komen, het woord, noemde zijn naam, en verweet het CPB de ernstigste vorm van paternalisme: het achterhouden van de cyfers. Kort daarop stond Gruyters op, en maakte de ernstigste fout die een politicus kan maken./TC