Het nut van een beroepscode


FACTA, sociaal-wetenschappelijk magazine, februari 1996, jaargang 4, no 1, p 38-39


In FACTA van september 1995 doet Peter Pels een oproep tot discussie over de beroepscode. Hij doet dit tegen de achtergrond van het voorstel van het bestuur van de antropologenvereniging "geen energie meer te steken in het vastleggen van ethische richtlijnen in een code. Het lijkt belangrijker om de ethische discussie te institutionaliseren in onderwijs en onderzoek". Het volgende is een reactie op die oproep.

Dat men nu even niets doet aan "tekstaanpassing" van de huidige beroepscode maar de spaarzame tijd besteedt aan verdieping en verbreding van de feitelijke ethische discussie, lijkt me verstandig genoeg. De volgende vraag is dan echter wel hoe men die verdieping en verbreding daadwerkelijk wil bewerkstelligen. Op grond van enkele overwegingen kom ik tot de volgende suggesties: (a) werk aan een "grondwet" voor wetenschap in het algemeen, (b) realiseer een ethisch netwerk, en verhoog daartoe de contributie van de vereniging(en), (c) voer de discussie niet te abstract, maar koester uw casi, en doe daarin het minimale, waaraan ook weinig kosten verbonden zijn (namelijk: positie kiezen), (d) maak het lidmaatschap van vereniging(en) aantrekkelijk, zodat sancties gewicht krijgen.

De verschillende overwegingen zal ik hieronder meer puntsgewijs aanduiden.Vooraf nog een voorbehoud. Als econometrist sta ik aarzelend tegenover discussies tussen sociologen en/of antropologen. Ik vind het verantwoord lid van de NVMC te zijn omdat mijn werk gebruik maakt van elementen die sommigen "sociologisch" of "antropologisch" noemen. [1] Ethiek heeft langdurig mijn aandacht gehad. Maar door mijn achtergrond kan ik mij minder goed verplaatsen in de ethische problemen van een Niet-Westers antropoloog. Mag men zich onder de Hopi Indianen mengen, er veel over leren, en deze kennis beschikbaar stellen aan anderen die de Hopi misschien kwaad gaan doen? Dat is een moeilijke vraag, die gelukkig aan me voorbijgaat omdat ik niet van plan ben mij onder de Hopi te begeven. Toch wil ik graag reageren. Er bestaat ook een Westerse Antropologie waarvoor ik een natuurlijk subject ben. Mijn betrekkelijke afstand tot CA/SNWS kan ook zijn voordelen hebben. Maar nogmaals: ik ben geen antropoloog.

  1. De Aristotelische of situationele ethiek krijgt mijn krachtige ondersteuning. Je kunt niet alles regelen. Anders gezegd: de maatschappij in zijn geheel is al een regeling. En binnen dit totaal hebben letterlijke codes en teksten een beperkte rol - waarbij e.e.a. met verstand gedoseerd moet worden.
  2. Dit laat onverlet dat er een groeiende behoefte aan regelgeving is. We zien bij incidenten steeds vaker de vraag van de persoonlijke integriteit gesteld, en dit duidt mijns inziens op een tekort aan regelgeving. De wetenschappelijke wereld heeft de groei van de interne complexiteit onvoldoende vergezeld doen gaan van begeleidende regels. De behoefte aan meer regels valt ook te plaatsen binnen het proces van toenemende specialisatie, welk proces volgens Adam Smith de motor van de economische vooruitgang is. Rijkdom, zoals in Amerika, gaat gepaard met meer dienstverlening, waaronder advocatuur. [2] Het is dan niet nodig dat iedere wetenschapper alle regels exact uit het hoofd kent; maar hij heeft een verzekeringspolis waardoor hij indien nodig een beroep op een specialist kan doen. Het ligt voor de hand om deze regels in de gewone wetgeving te verzinken. Een eigen wetenschappelijke beroepscode kan van nut zijn als initiatief en leerschool t.a.v. voorstellen tot wetswijziging.
  3. Voor de beroepscode lijken me vooral drie aspecten van belang. Ten eerste wat onder wetenschap wordt verstaan. Ten tweede de verhouding tussen het studiekarakter danwel het beroepskarakter van een (wetenschappelijke) vereniging. Ten derde de verhouding tussen de belangen van de wetenschap en de belangen van de onderzoeksobjecten. Deze aspecten hebben een fundamenteel karakter. De beroepscode voor een specifieke vereniging kan overzichtelijker worden wanneer naar zo’n grondslag verwezen kan worden.
  4. Ik denk bijvoorbeeld à la Tinbergen dat wetenschappers niet mogen liegen. De oude Snouck Hurgronje die zich onder voorwendselen Mekka liet binnenleiden was dus geen 100% wetenschapper maar ook een avonturier of journalist. Het is een boeiende vraag of ethiek en "fuzzy logic" samengaan. De relevante discussie lijkt me hoe dan ook welke gradaties er bestaan, en waar de incentives (moeten) liggen. Bij de huidige machtsverdeling zou Snouck Hurgronje een internationale rel veroorzaken en vermoedelijk geschorst moeten worden. De NVMC beschikt dus over sancties, in tegenstelling tot wat het bestuur van de CA/SNWS lijkt te denken. [3] Het bestuur moet er wel aan moet werken dat het lidmaatschap zo aantrekkelijk is dat sancties als onprettig worden ervaren.
  5. Dit model leidt vanzelf tot een practische invulling. Ik kan me voorstellen dat vijf universiteiten een post voor de beroepsethiek vrijmaken. Deze posten worden bij toerbeurt voor vijf jaar bezet. Vier jaar studeert de vakgenoot op een ethisch probleem. Wordt het werk aanvaardbaar geacht, dan wordt betrokkene voor het vijfde jaar de hoogleraar van het vijftal. Daarna keert men gelouterd terug naar het eigen niet-ethische onderwerp. De ethische kwaliteitszorg krijgt zo procesmatig vorm. E.e.a. zal natuurlijk leiden tot verbeterende regelgeving danwel uitvoering, omdat die ethische onderzoekers tenslotte ergens mee bezig zijn.
  6. Een casus verheldert zoveel. In een recente casus heeft de huidige NVMC beroepscode een goede rol gespeeld. [4]
    1. Bij de NVMC kon een beroep op de beroepscode gedaan worden, bij de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (ook een wetenschappelijke vereniging) is er niet eens een code. "Economie" is weliswaar een vak, maar voor bescherming blijkt de functie of de gewone vakbond bepalend. Misschien zit "economie" ook te dicht bij de feitelijke beleidsvorming. In deze casus laten de uitspraken van bezwarencommissie, rechter en Centrale Raad van Beroep zien dat wetenschap momenteel onvoldoende wettelijke bescherming geniet.
    2. Beslissingen van rechters zouden nooit definitief moeten zijn, zoals nu wel het geval is. Zaken zouden na een zekere wachtperiode altijd heropend moeten kunnen worden. De positie van Galilei t.o.v. de Paus is wat sterker wanneer de geschiedenis mee-oordeelt.
    3. Op het arbeidsrecht lijkt een taboe te rusten. In deze casus maakt een directie m.i. misbruik van arbeidsrechtelijke regelingen om de inhoud van de wetenschappelijke discussie te sturen. Ik zou graag zien dat andere wetenschappers e.e.a. onderzochten. Menigeen houdt hierbij echter afstand. Bijvoorbeeld wordt van de kant van de KNAW gesteld dat men zich niet mengt in arbeidsrechtelijke zaken bij anderen. Echter, de vraag is niet of men zoiets wil doen, de vraag is of men bereid is een onderzoek te steunen naar de vraag of van het arbeidsrecht misbruik wordt gemaakt. [5]
Mijn ervaring geeft in dat voor de wetenschap in het algemeen een "grondwet" zinvol kan zijn, voor alle wetenschappelijke verenigingen. Een nader onderscheid naar studie- en beroepsvereniging is eveneens nuttig. Je komt dan toch uit bij een Office of Scientific Standards. Het belang van dergelijke regelgeving ligt overigens genuanceerd. Ook rechters kunnen fouten maken. Wat dat betreft geven regels geen bescherming tegen het verschijnsel dat de betrokkenen ook mensen zijn. In het algemeen zit veel meer in maatschappelijke conventies besloten dan in expliciete regelgeving. Maar het blijkt dat codes wel een zinvolle rol kunnen spelen. Wanneer je een casus beschrijft, dan ontkom je niet aan beschrijvingen als "dit is gebeurd en dat is gebeurd", en de stap naar toetsing is dan snel aan de orde. Met de suggesties in de tweede paragraaf hierboven zouden beide elementen denkelijk beter tot hun recht kunnen komen.
 

Thomas Cool
 

[1]  Een voorbeeld moge dit verhelderen. Een verklarend element voor het voortduren van de werkloosheid is de stagnatie in de beleidsdiscussie, waarin de discussianten m.i. meer waarde hechten aan de “status” van beleidsvormende institituten dan aan de inhoud van de argumenten.

[2]   De VS vertonen wel een predispositie tot de advocatuur. J.Q. Wilson “The moral sense”, The Free Press 1993, brengt deze predispositie in verband met het erfrecht in het middeleeuwse Engeland. Maar dan zou toch een derde facto (bijv. de rijkdom) van belang zijn om het verschil tussen de VS en Engeland weer te verklaren.

[3]  Overigens houdt schorsing in zichzelf nog geen veroordeling in. Het betekent alleen dat onderzoek wordt opgestart waarvoor het beter is dat betrokkene (in ieder geval tijdelijk) niet in functie blijft.

[4]  Zie het hoofdstuk “Beroepscode en Casus CPB”, in Cool (1994), “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap, ISBN 90-802263-1-9, p 49-56.

[5]  Een periodiek werd onthouden met verwijzing naar de inhoud van een notitie, een paper werd de publicatiegang ontzegd en een wetenschapper werd ontslagen zonder dat collega’s gehoord worden. De Centrale Raad van Beroep vernietigde op 30 mei 1995 een “Formele Personeels Beoordeling” (FPB) uit januari 1990. De minister van EZ moet nu een nieuwe FPB opmaken. Ik heb de minister gevraagd om onderzoek van management en afdeling opdat de beoordeling correct tot stand kan komen; een onderzoek waarom ik al vijf jaar verzoek. In mijn brief aan de minister geef ik aan dat de directie van het CPB m.i. arbeidsrechtelijke middelen misbruikt om de inhoud van de wetenschappelijke discussie te sturen. Het onderzoek naar management en afdeling zal dit misbruik nader verhelderen. Ik heb de KNAW verzocht om mijn verzoek aan de minister op wetenschapsethische grond te ondersteunen. De directie van de KNAW deelde mij mee dat men zich niet mengt in arbeidsrechtelijke zaken bij anderen. Mijn wetenschapsethisch verzoek aan de KNAW wordt aldus opgevat als puur arbeidsrechtelijk, en gaat daardoor voorbij aan mijn bedoelingen en verzoek. Het is mogelijk dat er een taboe op het arbeidsrecht ligt waardoor deze nuance verloren gaat.
 

PM 2005
(1) TP&CPB p8 kan alleen nog maar verwijzen naar het concept rapport
van de NVMC-commissie inzake de CPB-kwestie. 
Dit artikeltje uit 1996 verwijst opvallend genoeg niet naar het definitieve rapport.
De overweging was dat TP&CPB veel integraler is.

(2)  Deze discussie over de beroepscode kwam verder niet van de grond.
De discussie over de censuur op het CPB ook niet.
De werkloosheid bleef voortduren. De maatschappij verloederde, Pim Fortuyn werd vermoord.
Dick Pels schreef toen een boek over Fortuyn. Dat zou tragisch zijn wanneer Peter Pels = Dick Pels.
Toen werd Theo van Gogh vermoord. En de sociaal-wetenschappelijke onderzoekers
hadden nog steeds niet door dat de coordinatie van het economisch beleid problematisch is.