Cohesie en innovatie
 

Thomas Colignatus (noot 1), econometrist te Scheveningen
14 december 2004
 

In de preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde van 2004 over het thema "Innovatie in Nederland" (noot 2) wordt veel aandacht gegeven aan de uitruil tussen sociale cohesie en innovatie. De preadviezen hangen samen met de Lissabon doelstelling van de Europese Unie om "de meest innovatieve en concurrerende kenniseconomie ter wereld te worden zonder daarbij sociale cohesie in te leveren". (p204) De redacteuren van de preadviezen hebben daarop onomwonden kritiek: "Tot slot ontkennen de Lissabon doelstellingen dat er een prijs voor een meer concurrerende en innovatieve economie moet worden betaald. Innovatieve investeringen en activiteiten nemen alleen toe als de economische prikkels daarvoor toenemen. Grotere economische prikkels impliceren vaak meer inkomensverschillen en grotere onzekerheid. De Lissabon-agenda is intern tegenstrijdig. Het is niet mogelijk om tegelijkertijd tot de meest concurrerende en innovatieve landen te willen behoren èn kampioen sociale cohesie te blijven. Er moet worden gekozen." (p206)

Dit keuzeprobleem wordt in de preadviezen op heldere wijze in beeld gebracht door Huizinga, Tang en Van der Wiel (noot 3). Figuur 1 reproduceert hun figuur 1.8 (p23) en voegt er iets aan toe. Hierbij kan sociale cohesie in verband worden gebracht met sociale zekerheid en een zekere mate van inkomensgelijkheid terwijl innovatie in relatie staat met productiviteit en efficiëntie. De geprojecteerde ruimte is die van "zekerheid" en "productiviteit", waarbij we aannemen dat die variabelen op een of andere nette manier gemeten worden. Weergegeven zijn de "production possibility curves" (de PPC heeft hier de vorm van een gespiegelde "C") en de indifferentie curven van de keuzefunctie. Punt X geeft de huidige situatie, punt A geeft maximale productiviteit en punt B geeft het maatschappelijk optimum. Punt C geeft een optimum op een hogere PPC.
 
 

Figuur 1: Uitruil zekerheid en productiviteit

 

Huizinga cs. beargumenteren dat er een verband bestaat tussen cohesie en innovatie en dat dit verband de vorm heeft van een omgekeerde C. Zij concluderen tevens: "Dus, de analyse geeft aan dat het niet optimaal is om maximale productiviteit na te streven. In punt A zijn de kosten in termen van zekerheid / gelijkheid te hoog. Anders gezegd, de Lissabon doelstelling van hogere arbeidsproductiviteit met behoud van sociale cohesie is misschien nog niet eenvoudig te realiseren." (p24) Waar het kabinet Balkenende de indruk wekt om van X naar A te willen gaan, met het verminderen van de sociale zekerheid, het bevorderen van de flexibiliteit op de arbeidsmarkt en het toestaan van grotere inkomensverschillen, vindt men aldus Huizinga cs. op hun weg, die aangeven dat B reeds optimaal is.

Tot zover de weergave van de stand van deze discussie. Nu de kritiek. Ten eerste is het jammer dat niet verwezen wordt naar het concept van het duurzaam nationaal inkomen. De aanname dat productiviteit, groei en innovatie goed gemeten zijn blijkt in de praktijk problematisch. (noot 4) Het zou beter zijn wanneer wetenschappelijke economen steeds kritisch blijk van dit besef gaven want als zij het al vergeten dan doen beleidsmakers het vrijwel zeker. Ten tweede is het de vraag of de Lissabon doelstelling wel juist is weergegeven. Willen EU en het kabinet Balkenende werkelijk het maximale punt A ? Juist het feit dat de EU beide aspecten van cohesie en innovatie noemt suggereert dat men ook een optimum B rechts van X ziet. De "kritiek" van "er moet worden gekozen" is dan een lege huls. Sterker nog, door de "kritiek" zo te formuleren versterkt men de neiging van beleidsmakers om "harde keuzes" te maken zodat het beleid mogelijkerwijs inderdaad doorschiet naar A. Ten derde zijn de preadviezen verrassend mager ten aanzien van de stand van de effectieve vraag. Innovatie verspreidt zich in een economie door investeringen maar wanneer die structureel laag blijven dan dus nauwelijks. Hier stellen Huizinga cs. "Het effect van loonmatiging op de werkloosheid is onbetwist. Relatief lage lonen maakt werknemers aantrekkelijke productiemiddelen." (p18) Dit is flagrante onzin, zoals economen sinds 1936 kunnen weten. Een vierde punt van kritiek is dat in de preadviezen weinig aandacht is voor innovatie in de economische wetenschap zelf. Ook hier zijn er uitdagers buiten de gebaande paden die vaak onnodige belemmeringen ondervinden.

Ten vijfde mijn belangrijkste kritiek. Die is dat de discussie zich beperkt tot de punten X, A en B terwijl C vergeten wordt. Al sinds november 1989 laat ik zien dat er een Pareto verbeterende mogelijkheid is waardoor zowel zekerheid als productiviteit zullen toenemen zodat, in termen van Figuur 1, de economie op een hogere PPC komt. (noot 5) Sinds april 1990 is de enige restrictie die de overgang naar die hogere PPC beperkt de stand van informatie bij de beleidsvoorbereiding, welke restrictie bijvoorbeeld opgelost kan worden door een parlementaire enquête naar die voorbereiding van het economisch beleid. (noot 6) Bij bestaande preferenties is aldus een win-win aanpak mogelijk, voor wie althans een open oog voor de waarheid houdt.

Beleidsmakers zijn gevoelig voor mantra’s als "om het milieu te redden moeten we het eerst vernietigen ("groeien")" of "om de sociale zekerheid te redden moeten we deze eerst afbouwen" of "om de koopkracht in stand te houden moet zij lager". Het is aan de wetenschap om zulke kronkels niet te voeden maar uit te leggen dat het, inderdaad, kronkels zijn.
 
 



Voetnoten
(1) Wetenschappelijke naam van Thomas Cool. Zie de website http://thomascool.eu
(2)   B. Jacobs en J.J.M. Theeuwes (red), “Innovatie in Nederland. De markt draalt en de overheid faalt”, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, Lemma 2004
(3)   F. Huizinga, P. Tang en H. van der Wiel, “Van vertraging naar versnelling”, preadviezen p1-32
(4)   Th. Colignatus, “Roefie Hueting en het DNI”, ESB 24-8-2001, p652-653
(5)   Th. Colignatus, “Neoklassieke knelpunten voor de Nederlandse economie voor de ontwikkeling op de langere termijn”, CPB interne notitie 89-III-20, 23 november 1989, met toestemming van de CPB-directie beschikbaar op mijn website. PM. Gezien de recente commotie over de pensioenen is ook deze opmerking wel aardig: “Bij een gedachte om de AOW ieder jaar een maand later dan de vorige AOW–gerechtigde leeftijd in te doen gaan, hetgeen maatschappelijk al veel meer een knelpunt zou zijn (...)” Op deze wijze was de AOW-leeftijd geleidelijk van 65 naar 67 jaar opgetrokken.
 (6)  Th. Colignatus, “Definition & Reality in the General Theory of Political Economy”, 2e editie, Dutch University Press, Amsterdam januari 2005