Wie wat waar-heid

 

 

Is de (huidige) economische wetenschapsbeoefening wel (voldoende) gericht op de waarheidsvinding ? G. A. Reuten werpt die oude vraag weer eens op en suggereert tegelijkertijd een ontkennend antwoord. (1) (2)

Kritiek op de economische wetenschap weerspiegelt het algemeen onbehagen. Bij de oliecrisis van 1973/74 stonden economen vaak met de mond vol tanden, en het publiek, dat voorheen nogal op hen was gaan vertrouwen, heeft sindsdien vooral argwaan.

Sleutelcitaten uit Reuten’s artikel zijn mijns inziens:

  1. Openingszin: "Veel belangrijke politieke beslissingen worden onderbouwd met argumenten die ontleend zijn aan de economische wetenschap."
  2. "Hoe serieus kunnen we bouwen op de economische wetenschap zoals die onderwezen wordt aan onze universiteiten ?"
  3. "Waaraan ontlenen we de stelligheid van (die) economische argumenten ?"
  4. "Economen geven zelden een methodologische verantwoording van hun werk."
  5. "Economen onderkennen, zoals gezegd, dat het theoretische onderzoek niet empirisch wordt getest, en dat het empirische onderzoek (correlatievinding) niet theoretisch gefundeerd wordt. Maar ze zijn ook geneigd om eventuele verwijten daaromtrent af te wimpelen."
  6. "Waarom vatten economen hun werk niet in termen van waarheid en waarheidsvinding ? (...) De reden ligt in de mentaliteit van de econoom die aangekweekt is door de overheersende structuur van de economische theorie zoals deze vooral de afgelopen vijftig jaar vorm kreeg: axiomatische analyse. (...) Hierom ligt ‘waarheid’ zo ver van het bed van economen."
  7. "Garanderen deze methodologische criteria, het hoge woord moet er nog eens uit, waarheidsvinding of iets van die strekking, bij voorbeeld inzicht of begrip ? (..) Maar als economen niet uit zouden zijn op waarheidsvinding, dan zal toch beargumenteerd moeten worden waartoe de genoemde criteria dan wel dienen. Om een gilde in stand te houden?"
  8. "(...) een overmatig accent op consistentie verhindert vernieuwing. (...) Het grote probleem van het plausibiliteitscriterium is zijn conservatisme. Er is wellicht ruimte voor kleine afwijkingen van de vigerend theorie, maar niet voor fundamenteel afwijkende visies."
  9. Eindalinea: "Veel economen zijn zich er wel van bewust dat de onderzoeksresultaten niet harder zijn dan de gehanteerde vooronderstellingen en, in geval van empirisch onderzoek, niet harder dan de statistische betrouwbaarheid. Maar als zij van mening zijn dat de economische argumenten die in de politiek gehanteerd worden met deze kwalificaties niet sporen, dan zijn zij vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid gehouden om tegen die argumentaties doorlopend protest aan te tekenen. Aan dat protest ontbreekt het. Wie zwijgt stemt toe ?"
 

Het door Reuten aangedragen bewijsmateriaal stemt op het eerste gezicht somber. Bij hiernavolgende evaluatie blijkt het echter - ook al valt er veel te verbeteren - allemaal zo slecht nog niet.

Economie is m.i. een wetenschap, en dan per definitie waarheidsgericht. De vraag naar het waarheidsgehalte wordt niet alleen met regelmaat gesteld, hij wordt bovendien meermalen per dag gesteld. De vragen naar de kwaliteit van het bewijsmateriaal en de betekenis daarvan in termen van de verschillende theorieën zijn op ieder moment aan de orde. Er is derhalve een inherente dynamiek die voortdurend zorgt voor verbetering. Daarbij, ook andere vakgebieden hebben hun problemen en de economie doet ‘t zo slecht nog niet. (3)

In het navolgende gaan we als volgt te werk. Eerst breiden we de aandacht uit naar de verschillende actoren bij de waarheidsvinding. Vervolgens herformuleren we de argumentie van Reuten. Daarop bekijken we een treffend voorbeeld van hoe economen slecht voortbouwen op het werk van anderen: de Tinbergen Two. Vervolgens beoordelen we het Popperiaanse falsificationisme, en verduidelijken we de relatie tussen definitie en werkelijkheid. Ter afronding een woord over perspectivische vertekening.

 

 

Extern: verschillende actoren

 

In citaat 1 is het woord ontleend belangrijk. Wetenschap wordt dan gezien als een abstract geheel van kennis, op te vatten als het product van een productieproces en niet het proces zelf. Voor dit product bestaan vraag en aanbod. Universiteiten zijn producenten en aanbieders. Daartegenover staan de vragers en gebruikers: de beleidsmakers.

Citaat 2 was: "Hoe serieus kunnen we bouwen op de economische wetenschap zoals die onderwezen wordt aan onze universiteiten ?"

Deze vraag is intern wetenschappelijk gericht. In de rest van het artikel blijkt Reuten de mores van de wetenschappers onderling te bespreken. Hij richt zich alleen op de producenten van wetenschap. Het gaat hem vooral om de waarheidsvinding.

Zijn openingsbetoog t.a.v. het beleid is voornamelijk een binnenkomer, ook al zit hier zijn fundamentele zorg. Het is inderdaad de winst van de moderne tijd dat de ivoren toren in discrediet is geraakt. Voor Reuten verdient het interne gebeuren aandacht juist door het belang van het externe gebruik:

  1. Wetenschap dient toch ergens toe, wordt toch ergens voor gebruikt ?
  2. De wetenschapper heeft toch een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid ? Op indirecte wijze kunnen de producenten verantwoordelijk geacht worden voor de fouten gemaakt door de gebruikers.
Echter, deze aanpak om de interne problematiek centraal te stellen en de externe relaties alleen aan te stippen heeft ook nadelen. Niet alleen komt dit externe niet goed uit de verf, maar juist daardoor geldt dat ook voor het interne. Het was vruchtbaarder geweest de verschillende actoren te onderscheiden, en vervolgens de relaties te geven.

Te onderscheiden zijn bijvoorbeeld wetenschappers, de politici en de (leken-) pleitbezorgers (advocaten, belangenbeharigers), en de verschillende mogelijke rolverstrengelingen van deze drie groepen: politieke ondernemers en de adviseurs/pleitbezorgers op inhoudelijk gebied of meer klantgericht. (4)

Met het onderscheid naar verschillende actoren is het duidelijk dat de universiteiten maar beperkt relevant zijn voor het beleid. Voor economische beslissingen is de voorbereiding op de ministeries en op bijvoorbeeld het Centraal Planbureau veel belangrijker.

Citaat 3 vraagt: "Waaraan ontlenen we de stelligheid van (die) economische argumenten?" Juist bij zo’n vraag is het niet verstandig om iedereen op een hoop te vegen. Het zijn met name de beleidsmakers en beleidsonderbouwers die kiezen voor ‘stelligheid’ cq. termen als ‘het minst slechte scenario’ gebruiken. Het is evident dat men universiteiten niet verantwoordelijk kan stellen voor de aannames die de ministeries (vaak noodgedwongen) maken. Door van de ministeries te abstraheren maakt Reuten het zich eigenlijk gemakkelijk; te gemakkelijk bereikt hij de conclusie dat er eigenlijk weinig deugt. (5)

Voor de relatie tussen economen en beleidsmakers zijn ook de publieksmedia van belang. Met deze media is iets bijzonders aan de hand. Ze besteden veel aandacht aan economie bijvoorbeeld via katernen Bedrijf & Economie en dergelijke. Economen ‘van naam’ hebben hun columns (vandaar vaak ook hun ‘naam’). Daarnaast hebben de meeste publieksmedia een wetenschapsrubriek voor onderwerpen uit de natuurkunde, psychologie en dergelijke. In die wetenschapskaternen krijgt de economische wetenschap echter zelden aandacht. Redacties denken vermoedelijk dat al zoveel aandacht aan economie gegeven wordt dat het niet zinvol is om dit ook nog in het wetenschapskatern te doen. De economische rubrieken besteden echter weinig aandacht aan de ontwikkelingen in de economische wetenschap. Het gevolg is dat het publiek daarover geen systematische informatie krijgt. Wel krijgt ieder ruimschoots het falen van economieën en het economisch gesteggel van politici voorgeschoteld. Aldus is er een voedingsbodem voor onbegrip van en aversie voor de economisch wetenschap. In het debat tussen wetenschappelijke economen en beleidsmakers krijgen vaagheid en misverstand aldus meer kans dan verstandig. Het lijkt me dan ook niet geheel correct dat Reuten retorisch vraagt: "Wie stemt zwijgt toe ?" Immers, menig wetenschappelijk econoom hééft wel eens wat gezegd. Er zijn echter systematische omgevingsfactoren waardoor ook belangrijke opmerkingen niet door die omgeving opgepakt worden. Het zou ook anders kunnen. Wellicht moeten alle economische columnisten eens diepgaand met hun redacties gaan praten. Neem als voorbeeld de proefschriften die bij het Tinbergen Instituut verschijnen. Voor een aantal daarvan is het grote publiek vermoedelijk wel gediend met samenvattingen op toegankelijk niveau. Het door Reuten genoemde proefschrift van Boumans kan ook in deze context andermaal genoemd worden.

Door deze omgeving erbij te betrekken krijgen we helderder zicht op het interne.

 

 

Herformulering: intern wetenschappelijk

 

De volgende stap is het interne gebeuren. Intern zou het een huishouden van Jan Steen zijn. Economen vertonen een cognitieve dissonantie. Wat economen doen is wat anders dan wat zij zeggen - en daarom zwijgen zij ook liever. Citaat 4: "Economen geven zelden een methodologische verantwoording van hun werk."

Wanneer economen onverhoopt toch iets naar voren brengen, beweren ze dat hun nagestreefde methodologie een Popperiaans falsificationisme is. Dat zou evenwel in strijd met het feitelijk gedrag zijn. Een steekproef in de literatuur laat zien dat minder dan 1 % van de ‘empirische’ artikelen werkelijk probeert om hypothesen te falsifiëren. (Economen liegen dus alleen niet wanneer hun geuite aspiraties betrekking hebben op anderen.) Reuten beschrijft de werkelijke praktijk (van de overige 99 % ‘empirische’ plus de ‘niet-empirische’ literatuur) als gericht op

  1. consistentie
  2. plausibel blijven in het licht van wat anderen zeggen (de literatuur )
  3. correlatievinding en schatten, maar niet testen, en zelden kijken naar het werk van anderen - geen voortgangscontrole
 

Citaat 5 meent dat theoretici en ‘empirici’ de verantwoordelijkheid op elkaar afwentelen.

Citaat 6 ziet een systematische reden voor de geringe waarheidsgerichtheid, namelijk de axiomatische methode.

Citaat 7 constateert een gebrek aan kennistheoretische onderbouwing voor deze feitelijke methodologie.

Citaat 8 ziet hier hoge kosten mee gemoeid.

 

 

Herformulering: eerste reactie

 

In de herformulering accentueren we Reutens probleem, en kwalificeren we het tevens met kennistheoretische inzichten.

Wetenschap is per definitie gericht op waarheidsvinding. Het motto is waar-zijn of niet-(wetenschappelijk)-zijn. (6) Wanneer het in de literatuur en op de universiteiten schort aan de waarheidsvinding, dan is daar dus geen wetenschap. Indien Reuten gelijk heeft, zijn allerlei mensen (99 % ?) als "wetenschappelijk onderzoeker" aangesteld die dat eigenlijk toch niet zijn. Het zou dan beter zijn te spreken van wetenschappogers, van mensen die (hopelijk) pogen wetenschappelijk te zijn.

Dat niet voortgebouwd wordt kan echter nauwelijks aan de axiomatische methode liggen. Deze methode gebiedt juist toch wel het voortbouwen. In mijn ervaring zijn wiskundig onderlegde economen nog het meest constructief. Een verklaring voor de huidige situatie is te zoeken in de meer normale intermenselijke processen met hun financiële en andere prikkels. Economen zijn ook mensen. De term plausibiliteit kan door subjecten gebruikt worden als eufemisme (goedpraterij) voor doodgewoon conformisme. Het is niet het doel van deze bespreking om dit sociologische aspect uit te werken. Wel willen we het eventuele probleem helder krijgen, en met het oog op een eventueel nader onderzoek ook het onderzoeksveld duiden.

 

 

Tinbergen Two

 

Van een individu kan men accepteren dat er soms wat vergeten wordt. Bij een collectieve en systematische vergeetachtigheid is er een serieus probleem. Overigens wordt er maar zelden volledig vergeten, onthoudt men wel iets, maar raakt dat in de war, en ontstaat zo een mythe. Een mythe is lastiger om ongedaan te maken dan de tabula rasa van het complete vergeten.

Reuten geeft als voorbeeld Boumans’ proefschrift over Tinbergen. Dit is als voorbeeld niet zo pakkend want het betreft de hogere wiskunde van de optimal control. Daarom een tweede poging.

Rond 1987 kon men in de kringen van de Nederlandse macro-economische modellenbouw veelvuldig de uitdrukking Tinbergen Two horen gebruiken. Dat was de aanduiding van ‘de’ waarde van de prijselasticiteit in de exportvergelijking. Schattingen gaven een uitkomst in de buurt van de twee. Men wist zich nog te herinneren dat zo’n uitkomst al bestond in de modellen van Tinbergen. Wellicht was hier sprake van een over de tijd stabiele Economische Wet. Het leek logisch om het gebruik van om-en-nabij 2 aan deze auteur toe te schrijven. Het veelvuldige gebruik van de term Tinbergen Two bracht Tinbergen ertoe om in een artikel in ESB toe te lichten dat de 2 van Keynes was. Maar ... hij had een en ander minstens reeds in 1948 toegelicht. Bovendien schreef Tinbergen destijds expliciet over Keynes, in een bundel geheel gewijd aan Keynes. Van serieuze studenten van de macro-economie mag men toch wel verwachten dat de combinatie Tinbergen & Keynes niet over het hoofd gezien wordt. (8)

Natuurlijk hoeft niet iedereen alles te lezen. Wanneer een auteur verwijst naar Tinbergen dan getuigt dat van enig historisch besef. Men kan het al 50% goedrekenen dat naar Tinbergen verwezen wordt, want via diens papers komt men wel bij de juiste bron uit. Maar het ontstaan van de mythe van de Tinbergen Two tekent hoe dan ook het ontbreken van een minimale critische massa. Een fout van 50% blijkt mogelijk voor een onderwerp dat cruciaal is voor Keynes’ beroemde analyse t.a.v. Versailles, de Duitse herstelbetalingen voor WO I, (9) en de aanloop en ook oorzaak tot WO II. Met dit voorbeeld is het problematische van de situatie hopelijk pakkend geschetst.

Binnen de wetenschap bestaat al de officiële ethiek dat men citeert, en dus voortbouwt op het werk van anderen. Het problematische is dat er blijkbaar wat aan de uitvoering schort. De sancties op citatiefouten (verkeerd begrepen, out of context, om de verkeerde reden weglaten) zijn blijkbaar niet krachtig genoeg. Wellicht is een ELO-rating op den duur toch onvermijdelijk. Dan kunnen slimme opmerkingen punten opleveren en kwalijke praktijken punten kosten.

 
 

Falsificatie gefalsifieerd

 
Dat toegepaste economen weinig aandacht aan falsificatie besteden, kan goede oorzaken hebben. Het falsificatieprincipe van Popper (10) heeft twee nadelen, (1) puur logisch en (2) stochastisch. Dit betekent overigens niet dat deze nadelen alom bekend zijn. Vandaar ook dat ik hier oorzaken schrijf en niet redenen.

Ten eerste de logica. Bekijk de uitdrukking Alle raven zijn zwart. De bewering kan als onwaar beoordeeld worden wanneer men een witte raaf vindt. Het zou een ‘wetenschappelijk toelaatbaar’ geloof zijn, omdat in principe weerlegging mogelijk is. Maar het zou wel een geloof blijven en geen waarheid zijn. In alle consequenties doorgevoerd zou het falsificatieprincipe van ons verlangen dat we ons waarheidsoordeel over Alle raven zijn zwart opschorten totdat er een moment aanbreekt waarin een serieuze test mogelijk is. En er is pas een serieuze test op het moment dat er sprake zou zijn van een witte raaf. In de tussentijd zouden we alleen mogen geloven - terwijl we op de klompen aanvoelen dat het wel waar zal zijn. De conclusie luidt dat het falsificatieprincipe problematisch is.

Vervolgens de stochastiek. Men veronderstelt (met stochastische eigenschappen):

y = X ß + u

Men schat:

y = X b + e

Waarneming X[+1] voorspelt:

yest[+1] = X[+1] b + E[e[+1]]

 

Tot slot is er een waarneming y[+1]. De vraag is nu of deze nieuwe waarneming de oude hypothese kan falsifiëren. Deze vraag blijkt minder makkelijk te beantwoorden dan de naive Popperiaan aanvankelijk dacht. Het falsificatieprincipe leek van toepassing op een deterministische werkelijkheid, maar empirische formuleringen zijn vaak stochastisch. De stochastische formulering laat toe dat er af en toe (al dan niet grotere) afwijkingen worden waargenomen. Er zijn problemen van meetfouten in y of X, een verkeerd functioneel verband en ontbrekende variabelen. In een praktische empirische aanpak kan de vraag zo worden geformuleerd: of men niet moet bijsturen. Met name in de optimal control aanpak - waarin als voorbeeld een raket naar de maan geleid moet worden - geeft de voortdurende bijsturing een indicatie van eerder gemaakte fouten (‘falsificaties’). Het gevolg is wel dat de aandacht verschuift naar de verliesfunctie die men minimeert, en dat is niet werkelijk volgens het paradigma van Popper.

Deze stochastische en logische aspecten leiden - wellicht op zichzelf en zeker in combinatie - mijns inziens tot het volgende standpunt.

Er is een onderscheid tussen de termen alle1 (universeel) en alle2 (algemeen, gewoonlijk, normaliter). De uitdrukking Alle raven zijn zwart kan opgevat worden als:

  1. een definitie. Deze is dan universeel geldend. De empirische waarheid, die we ondervindelijk ervaren, wordt dan mede uitgedrukt in - spoort met - de logische tautologie van de definities die we hebben gekozen. Komen we een witte "raaf" tegen, dan is er blijkbaar geen sprake van een raaf, maar van iets wat daar sterk op lijkt.
  2. een empirische uitdrukking. Een alternatieve formulering is: Alle raafachtigen zijn zwartachtig. Is deze uitspraak niet per definitie geldig dan is hij mogelijk algemeen waar. Gewoonlijk laten we dat "-achtig" weg omdat uit de context wel duidelijk is wat bedoeld wordt.
Ik wil niet beweren dat hiermee alles is opgelost. Het onderscheiden van beide dimensies is niet het oplossen van alle problemen in hun bereik: Deze overwegingen verduidelijken het volgende. Het kennend intellect staat voor de economische afweging tussen het handhaven van oude begrippen of het aanpassen daarvan. Het spel van de wetenschap is erop gericht om de definities zo goed mogelijk bij de werkelijkheid te doen aansluiten. Het is een spel zonder einde. Het wetenschapsproces bestaat eruit om de begrippen zo sterk mogelijk te kiezen en om de onzekerheid zoveel mogelijk naar de waarneming te verschuiven - en weg van het begrippenkader. Het doel überhaupt is blijkbaar de onzekerheid te verminderen. In die zin is er, naast de methodologie van en in de economie, ook de economie van en in de methodologie; en beide worden m.i. gedekt door de econometrie.

Wetenschap is erop gericht een bepaalde verliesfunctie te minimeren, met het instrument van een zorgvuldige keuze van denk- en begrippenkaders. Het is het minimeren van de cognitieve dissonantie. (11) Bijgevolg is voor de wetenschap een grote nadruk op begripsmatige arbeid wezenlijk.

Indien het feitelijk economisch onderzoek in deze termen herbeoordeeld wordt, dan is het resultaat niet zo negatief als Reutens beschrijving van classificatie en pseudofalsificatie (A t/m C) suggereert. Ook al blijft een punt dat het allemaal niet zo effectief en efficiënt gaat als mogelijk is.

 

 

Voorbeelden van begripskeuze

 

Het voorgaande onderscheid tussen wel/geen definitie klinkt triviaal. Misschien is het dat ook. Een aantal voorbeelden verhelderen wat trivialiteit dan betekent.

  1. Onze definities bepalen onze waarneming. (Zie ook de percepties van de verschillende actoren in het schema van Throgmorton op. cit..)
  2. Een kenmerkend voorbeeld is de vormgelijkheid (in functienotatie y = f[x]):
Feit = Waarneming[Wereld]
Stelling = Bewijs[Axiomas]

Men kan er lang over nadenken of deze vormgelijkheid nu per definitie geldt of dat het een empirisch gegeven is - of beide.

  1. Een voorbeeld is het gebruik van de nul voor het ontbreken van een getal (het symbool geeft ook een blanco positie aan), waarbij nul echter opeens beschouwd wordt als wel een getal. (Als gevolg hiervan is het ontbreken van een getal plots gelijk aan oneindig, totdat ook voor het oneindige getallen worden gedefinieerd.)
  2. Als voorbeeld is er het ‘uitvinden van het wiel’. Menig Neanderthaler zal wel een boom van een heuvel hebben zien rollen. Appels zijn nogal rond. Dus de ontdekking zit niet in de ronde vorm die makkelijk rolt. De uitvinding zit in de wielas. Mensen die alleen de uitdrukking ‘het wiel uitvinden’ kennen vinden dit een inzicht.
  3. Wat in de ene definitie evenwicht heet te zijn, is in een andere definitie onevenwicht. De Maan die evenwichtig rond de Aarde draait, is ook voortdurend bezig om onevenwichtig naar de Aarde toe te vallen. In sommige modellen is werkloosheid onevenwichtig, in andere evenwichtig. Bij dergelijk evenwicht kan nog steeds sprake zijn van suboptimaliteit. De relevante vragen zijn vooral, wat er precies gebeurt, en wat de waardering daarvan is.
  4. In de werkelijkheid nemen we waar dat mensen te kennen geven dat hun stemming beïnvloed wordt door het gedrag van anderen, bijv. via jaloezie of juist altruïsme. De individualistische definitie van het nut lijkt hier problemen te geven. Door gegevens over anderen op te nemen in individuele nutsfuncties, kan het individuele maximeren echter gehandhaafd blijven. Het klinkt dan paradoxaal dat altruïsme ook egoïstisch is, maar er is geen sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid.
  5. Is een econoom ook een wetenschapper, die dus de werkelijkheid wil verklaren, dan ontkomt hij m.i. niet aan de veronderstelling van meetbaar nut. Ook sociale processen bestaan alleen in krachtenvelden. Ordinaal nut heeft soms theoretische voordelen, maar is ontoereikend om feitelijke verdelingsprocessen te verklaren.
  6. In de discussie over de waardevrijheid van wetenschap wordt te weinig rekening gehouden met het aspect dat waarden en feiten verschillende dimensies zijn. Zij kunnen dus tegelijkertijd bestaan - en doen dat ook. Bovendien heeft de waardendimensie denkelijk geen logisch nulpunt, zodat er eerder sprake is van een interval schaal dan van cardinaliteit (met relatieve coördinaten en geen logisch nulpunt). "Waardevrijheid" betekent dan niet letterlijk dat men vrij van waarden is.
  7. Het komt vaak voor dat een begrip dat in de ene context bewezen of waargenomen moet worden (dan wel lijkt te moeten worden) in een andere context per definitie geldt.
ix-a. Eerst een wiskundig voorbeeld. Bekijk de formule a2 + b2 = c2. In de ene context betekent deze formule wat anders dan in de andere context. Bij de stelling van Pythagoras vertelt de formule dat de kwadraten van de rechthoekszijden optellen tot het kwadraat van de hypotenusa. Dit is dan een stelling die bewezen moet worden. Het meer dan 2000 jaar oude bewijs voedt tegelijkertijd het besef, dat hier inderdaad iets voorligt dat bewezen moet worden, en dat waard is om bewezen te worden. (12) Evenwel, in een alternatief kader valt er niets te bewijzen. Dan geldt de genoemde formule per definitie. De formule geeft dan immers de cirkel met straal c. (13) (Welke formulering men kiest is, na het wiskundig inzicht, een kwestie van didactiek en de Afd. Voorlichting.)

ix-b. Vervolgens wiskunde en de empirie. Volgens Reuten leent de theorie van het algemene evenwicht zich (vooralsnog) niet voor empirische toetsing, en hij verwijst naar Hahn die dat ook vindt. Reuten beschrijft Hahns voorbeeld:

"De theorie veronderstelt het bestaan van een vrijwel oneindig [?/TC] aantal markten. Dus er zou vandaag onder andere een markt moeten zijn voor paraplu’s, af te leveren op Kerstmis van het jaar 1998 indien het die dag regent."

 

Het is ironisch dat een ‘theoreticus’ (Hahn, vindt hij zelf) toch een ‘empirische’ uitspraak doet, ook al betreft het dat iets niet zou bestaan.

De empiricus kijkt er wat anders tegenaan. Hij ziet immers een potentieel nuttig wiskundig model en vraagt zich vervolgens af of de afwijkingen in de data tolerabel zijn. Nog mooier is de vraag of er wellicht een creatieve manier bestaat om de data zodanig te herinterpreteren dat de afwijkingen verwaarloosbaar worden. Het mooist is het wanneer de theorie voor een deel ook per definitie waar is. Is er werkelijk geen markt voor dergelijke paraplus ? Nemen we enkele woorden niet te letterlijk ?

Het zgn. ‘ontbreken van een markt’ is niet in alle omstandigheden een probleem. Ook in het heden bestaan niet alle denkbare paraplu’s. De subjecten moeten accepteren wat economisch mogelijk is. Het gebrek aan rijkdom is niet te verwarren met het niet-bestaan van een markt.

Wanneer je nu rijk bent, dan kun je een gouden paraplu met diamanten laten maken, die nu nog niet bestaat. Wanneer je rijk bent, dan kun je een bedrijf oprichten dat klaarstaat met paraplu’s, af te leveren op kerstmis van het jaar 1998 indien het die dag regent. Wanneer een rijk persoon een bedrijf kan oprichten om voor de gevraagde paraplu te zorgen, dan is duidelijk dat het goedkoper is zelf een paraplu met je mee te sjouwen: hetgeen vermoedelijk dan de marktprijs is van een paraplu voor kerstmis 1998 als het regent. Het motto is: ‘voor alles is een prijs’.

Hahns probleem van de ontbrekende markten overlapt met het probleem van de externe effecten. De onzekerheid van de toekomst kan gezien worden als een extern effect. Het klassieke voorbeeld is het roet van de fabriek dat het wasgoed in de omgeving vervuilt. Er bestaat per definitie geen directe markt voor externe effecten. (14) Echter, de externe effecten zijn impliciet besloten in andere acties. Onder gebruikelijke veronderstellingen is de werkelijkheid causaal en deterministisch, zodat alles (wat in de toekomst gebeurt) bepaald wordt door acties (in het heden). In het heden bestaan markten, en die kunnen aspecten van de toekomst verdisconteren. Ieder subject heeft via bestaande markten de gelegenheid om de externe effecten te verdisconteren. Bijv. gaan mensen stemmen op een Schone Lucht Forum. Eventueel kan men betogen dat door het ontbreken van directe markten een lager optimum bereikt wordt. Coase’s Theorema stelt echter dat er (p.d.) sprake is van verdelingseffecten. (15)

Aldus, bij het wat anders kijken naar de werkelijkheid kan het (Arrow-Debreu) algemeen evenwicht model de werkelijkheid vermoedelijk redelijk beschrijven. Verklaard is dan dat markten op ieder moment ruimen, inclusief evenwichtige voorraadvorming, ook al worden de subjecten eventueel teleurgesteld in de verwachtingen die ze over de toekomst hadden. Ook die teleurstellingen zijn verklaard - want mensen zijn dom.

 

Ter afronding

 

Bij het grotere publiek valt wel eens een onbehagen te proeven t.a.v. de kwaliteit van de economiebeoefening. Een directe aanleiding hiervoor was de oliecrisis van 1973/74, toen vele economen een adequate reactie schuldig bleven. Overigens hadden economen vrij snel een antwoord, namelijk dat van John Hicks 1974 en Robert Gordon 1975. (16) Maar dat weerklonk niet universeel, het verstoorde publieke vertrouwen is niet gemakkelijk hersteld, en het proces heeft inmiddels zijn eigen dynamiek. Inmiddels is 100% zeker dat bijv. de massale werkloosheid niet aan de economische wetenschap ligt maar aan andere zaken, met name het gehele proces van beleidsvoorbereiding.

Dit plaatst de discussie over de waarheidsvinding van economen in perspectief. Aandacht voor methodologie en waarheidsvinding is in iedere wetenschap essentieel, doch het zou voor de economische wetenschap perspectivische vertekening zijn indien zo’n discussie de indruk wekt dat het vak disfunctioneert en dat mede daardoor grote maatschappelijke problemen blijven voortbestaan.

Die perspectivische vertekening is tegen te gaan door bij de publieke discussie over de waarheidsvinding niet in algemeenheden te blijven steken. Indien het aan de waarheidsvinding mankeert, dan zijn de volgende vragen aan de orde: wie, wat, waar ?
 
 

Voetnoten

 
 
 
  1. G.A. Reuten, “Waarheid in de economie”, ESB 16/12/92 pp1208-1216
  2. Inmiddels is het proefschrift van Hugo Keuzenkamp verschenen dat dieper op de methodologische kwestie ingaat. Ik ben het enthousiast aan het lezen. Misschien is het voor mij beter dát nu te lezen dan dit te (her-) schrijven. Aan de andere kant ben ik nu bezig aan de bundel “Trias Politica & Centraal Planbureau”, heb ik deze aantekeningen voor me liggen, en zijn deze zinvol verwerken, terwijl de studie van Keuzenkamp toch moet bezinken. Voor de goede orde zij gemeld dat mijn plan uit 1991 voor het beoogde proefschrift “Definition and Reality in the general theory of political economy” reeds de nodige methodologische hoofdstukken kent. Het is dus niet ‘reageerderig’ dat ik het artikel van Reuten hier als uitgangspunt neem. Dat artikel was en is een nuttige aanleiding om reeds bestaande eigen gedachten in een bepaalde vorm te gieten.
  3. Hugo A. Keuzenkamp, “Probability, econometrics and truth; A treatise on the foundations of econometric inference”, proefschrift KUB 25 februari 1994
  4. Universiteitskrant Groningen UK 4/2/81: “Waarom is veel sociale wetenschap zo verschrikkelijk saai, terwijl we toch juist in zo’n afgrijselijk spannende wereld leven ? (...)  De reden voor dit merkwaardige verschijnsel is volgens Hofstee in zijn boek “De empirische discussie”, dat de onderzoekers zich er veel te weinig van bewust van zijn dat interessante onderzoeksthema’s slechts uit het wetenschappelijk debat geboren worden. Sociaal-wetenschappeljk onderzoek is volgens Hofstee verspilling van tijd, moeite en geld als de onderzoeker zijn inspiratie niet put uit de polemiek met een wetenschappelijk tegenstander die vanuit radicaal tegengestelde uitgangspunten vertrekt. De wetenschap moet moet [sic] een poging zijn uit te maken wie van de twee het meest gelijk heeft. In zijn boek ontwikkelt Hofstee (...) : het weddenschapsmodel. (...) Afgelopen week nam A.D. de Groot in zijn oratie stelling tegen Hofstee’s impliciete afwijzen van de ‘theoretische discussie’. (...) Ruud Bosman (...) betoogt dat Hofstee’s wetenschapsopvatting, hoewel er enkele belangrijke aanzetten in gegeven worden, toch geen reëel alternatief vormt voor de ook volgens Bosman in het slop geraakte traditionele methodologie.”
  5. Throgmorton, “The rhetorics of policy analysis”, Policy Sciences 24 p153-179 Kluwer 1991
  6. Cool, “Omgangsvormen in politiek en wetenschap en het niemandsland daartussen”, juli 1994
  7. Overigens heb ik elders de waarheidsvinding binnen de voorbereiding van het economisch beleid besproken.
  8. Consistentie is hiervan, als ‘logische waarheid’, het fundament - waarbij het alleen loont om zich daarop toe te leggen wanneer men over wiskundige gaven beschikt.
  9. Na de gewone leraar ziet nu de hoogleraar zijn imago aangetast. Het volgende citaat behelst geen statistisch verantwoorde beschrijving maar getuigt wel van een niet geheel onbelangrijke beeldvorming binnen de publieksmedia. W. Kayzer zegt n.a.v. “Een schitterend ongeluk”, een door hem gemaakt TV programma met buitenlandse wetenschappers en niet specifiek over de economie: “Ik houd niet van algemeniseren, maar ik merk wel dat over het algemeen gesproken Nederlandse wetenschappers een heel andere manier van discussiëren hebben (...) In de Nederlandse wetenschapscultuur wordt mijns inziens toch voor een aanzienlijk deel (...) piskijkerij bedreven. (...) Als je in Nederland iets buiten je vakgebied durft te zeggen word je gestraft. Benauwenis, onderlinge jaloezie, kinnesinne, die cultuur is hier heel sterk en dat is tegengesteld aan het idee van de homo universalis die in de Alma Mater om zich heen zijn collegawetenschappers verzamelt (...)”.  Uit: Kees Sluys, “De floretten zijn geslepen; interview met Kayzer”, VPRO gids 1993/1 p2-5
  10. Tinbergen, “Het getal twee is van Keynes”, ESB 1987 p1092 & Tinbergen, “The significance of Keynes’ theories from the econometric point of view”, in S.E. Harris (ed), “The new economics. Keynes’ influence on theory and public policy”, Knopf 1948 pp219-231. Het relevante citaat is op p227: “Much new insight has been gained, in recent decades, by studying the consequences of low elasticities. The fact of these low elasticities has several times been detected by econometricians; but equally perhaps by people with inside information or the right intuitions. Lord Keynes is one of the latter group. An example of practical importance concerns the elasticity of the demand for German exports assumed by him in his discussion of the reparations problem [Keynes, “The German transfer problem”, EJ March 1929]. Contrary to common view, an elasticity of only 2 was supposed to exist, leading to the conclusion that an expansion in the value of exports (in world currencies) would only be possible at the cost of heavy, and in fact socially impossible, wage rate reductions. Later attempts to determine statistically the values of the relevant elasticities led me to the same value, as the median of a considerable number of observations.”
  11. Voor de volledigheid: dit doet vermoeden dat Keynes al veel eerder dan 1929 van zo’n lage elasticiteit uitging, en dat ook hij flink gerekend heeft in plaats van alleen intuïtie te gebruiken. Het is ook nuttig te constateren dat Tinbergen Keynes niet klakkeloos navolgt en in de eerste plaats op zijn eigen berekeningen vertrouwt. Dat levert wat mij betreft een gedeelde claim op.
  12. J.M. Keynes, “The Economic Consequences of the Peace”, Macmillan 1919, 1988
  13. Hier heel simpel opgevat, als het zodanig formuleren van hypothesen dat ze in principe voor weerlegging vatbaar zijn. Keuzenkamp (1994) op. cit. is scherper.
  14. Zie over cognitieve dissonantie en mensen:  Aronson, “The social animal”, Freeman 1992
  15. Dit argument wordt duidelijker wanneer het bewijs wordt gegeven. Bekijk onderstaand vierkant met zijden  z = a + b en oppervlakte z * z = z2 = (a + b)2. In dit vierkant is met dikke lijnen een ander vierkant gekanteld, met zijden c en dus een oppervlak van c2.  Dit gekantelde vierkant wordt omgeven door vier driehoeken abc, met elk een oppervlak van ab/2. Het oppervlak van het grote vierkant is gelijk aan dat van het gekantelde en de vier driehoeken tesamen, dus ook geldt z2 = c2 + 4 ab/2. Met eliminatie van z vindt men a2 + b2 = c2.  Pythagoras bewees het anders, zie H. DeLong, “A profile of mathematical logic”, Addison Wesley 1971.

  16. Een cirkel met straal c (boven) is p.d. de verzameling punten (a, b) op afstand c van het middelpunt.
  17. In die zin is het probleem van externe effecten per definitie onoplosbaar. Wanneer er een markt wordt geschapen, is er geen extern effect meer, en zijn er - in theorie - weer andere externe effecten.
  18. Zie ook Voltaire, “Candide”.
  19. Michael Bruno & Jeffrey Sachs, “Economics of worldwide stagflation,” Blackwell 1985