Aan de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht
 


AANTEKENEN

Betreft: de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2005
toegezonden per brief van 13 januari 2005, procedure AWB 04 / 2003 AW 

21 februari 2005
 
 
 
 

Geachte Raad,
 
 

Tot mijn spijt moet ik bij u een beroep voorleggen t.a.v. bovengenoemde uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2005 (bijlage).

De uitspraak komt mij onzorgvuldig en onjuist voor.

Ik veronderstel dat u over alle onderliggende stukken beschikt die sinds 1989 in deze zaak zijn geproduceeerd en dat ik daar vrijelijk naar kan verwijzen.

Inleiding

Voor de goede orde meld ik dat het hier gaat om censuur van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau (CPB) in een kwestie die loopt sinds december 1989. 

De directie van het CPB stelt dat het bureau een onafhankelijk wetenschappelijk instituut is. Mijn aanstelling was een wetenschappelijke. 

Echter, mijn wetenschappelijke analyse is van bespreking tegengehouden, mijn persoon is belasterd, en ik zag mij met leugens en laster ontslagen. Er wordt gesteld dat ik zou hebben werkgeweigerd, doch deze aantijging is nimmer formeel gemaakt, zodat ik mij daartegen niet heb kunnen verweren. Ik ben met machtsmisbruik uit mijn werk en afdeling geplaatst, dit is door de rechter ongedaan gemaakt, doch pas op een tijdstip dat ik reeds ontslagen was welk ontslag feitelijk op die verplaatsing was gebaseerd (want wanneer ik gewoon mijn werk had mogen doen was daar geen aanleiding toe geweest). Deze kwesties zijn nimmer door een onafhankelijk orgaan onderzocht en rechters alsmede uw Raad hebben de uitspraken van het bevoegd gezag gevolgd in plaats van in te zien dat eerst zo’n onafhankelijk onderzoek nodig is. De rechtsgang is bovendien bemoeilijkt door kwade trouw van de juristen van de ministeries van EZ en BZK, die niet meer naar de waarheid kijken maar slechts het ontslag ten doel stellen.

Er kan geen sprake zijn van wetenschappelijke onafhankelijkheid wanneer er op deze wijze geen bescherming tegen machtsmisbruik is.

Ik verzoek u ofwel mijn gelijk te bevestigen ofwel, indien u daar nog aan twijfelt, de kwestie die hier voorligt terug te verwijzen naar de bezwarenadviescommissie van EZ en deze op te dragen de kwestie in behandeling te nemen.

De kern van de onzorgvuldigheid van de rechtbank

De kern van de onzorgvuldigheid van de rechtbank ligt daarin dat men stelt (p3):

(i) "Aangezien terzake reeds besluiten zijn genomen (...) heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank die verzoeken niet anders kunnen opvatten dan dat zij ertoe strekken dat verweerder van deze besluiten terugkomt (...)"

(ii) "Hetgeen eiser in dat verband heeft aangevoerd met betrekking tot het karakter van zijn verzoeken doet hier niet aan af, aangezien de procedure van de Awb niet voorziet in een beoordeling van de gevolgen van de uitspraken van de CRvB."

Dit "aangezien" klopt in beide gevallen niet. Het zijn non-sequitur’s.

(Ad i) Weliswaar zijn reeds besluiten genomen, maar die besluiten zijn nog niet volledig, en het is wel degelijk mogelijk om nog aspecten aan te geven waarover nog niet besloten is.

(Ad ii) Inderdaad kent de Awb hier geen specificatie maar het is onjuist om hier een specificatie te verwachten.

De juist gang is immers:

  1. De Raad doet een uitspraak.
  2. Betrokkene constateert dat die uitspraak gevolgen voor zijn rechtspositie heeft.
  3. Betrokkene doet een verzoek aan zijn directie.
  4. De directie neemt een besluit.
  5. Dan staat beroep en hoor en wederhoor open.
Er is aldus geen specifieke procedure voor de "beoordeling van de gevolgen van de uitspraken van de CRvB" nodig. 

De situatie is dan zo:

  1. De rechtbank constateert dat iets niet bestaat, wat niet bestaat en niet hoeft te bestaan. 
  2. Maar daaruit kan men niet concluderen - dat "aangezien" - wat de rechtbank denkt te concluderen.
  3. Het is wel degelijk zo dat ik gevolgen van de uitspraken van de CRvB heb geconstateerd.
  4. Ik heb de directie van het CPB niet verzocht om genomen besluiten te heroverwegen.
Ergo:

Indien de gevolgen van de uitspraken van de Raad de directie (soms "D") onwelgevallig zijn, dan is dat jammer voor de directie. Een bijzonder geval is dat indien de uitspraken van de CRvB onlogisch zijn of fouten maken, ook dan komen de gevolgen voor rekening van de directie.

Het is machtsmisbruik wanneer de directie en de juristen van EZ het voorstellen alsof ik om heroverweging heb verzocht. 

Het laat zich heel helder vaststellen dat ik NIET om heroverweging heb verzocht terwijl de directie en de juristen van EZ dat WEL stellen: zij zijn te kwader trouw. Het is vervolgens onzorgvuldig van de rechtbank daaraan mee te werken en mijn positie verkeerd voor te stellen.
 
 

Ten aanzien van de onderdelen:
 
 

  1. Uit mijn brief van 4 april 2002: "Ik verzoek u een Functionele Personeels- Beoordeling (FPB) op te maken voor de periode vanaf 1 februari 1990 - 1 oktober 1991, en deze mij mede te delen zodanig dat ik eventueel gebruik kan maken van een recht op bezwaar en beroep. 

De uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2005 stelt op pag 3:

"De rechtbank stelt vast dat de besluitvorming terzake de formele personeelsbeoordeling over de periode van 1 januari 1989 tot 1 oktober 1991 (...) haar beslag heeft gekregen (...)" Wat is nu "beslag krijgen" ?

Betekent dat alles is uitbehandeld ?

De rechtbank lijkt dit te denken, want stelt:

"Aangezien terzake reeds besluiten zijn genomen (...) heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank die verzoeken niet anders kunnen opvatten dan dat zij ertoe strekken dat verweerder van deze besluiten terugkomt (...)" Dit is allemaal een grove onzorgvuldigheid.

De situatie is zo:

  1. In zijn brief van 10 april 1990 (D8038 p1) aan mij schrijft directeur Zalm: 

  2. "Voorts ben ik van mening dat de geadviseerde beheersbeslissing nl. om uw functioneren aan het eind van het jaar 1990 - met als achtergrond de u opgedragen taak (bijlage van brief D8354 dd. 28 januari 1990) een zorgvuldig advies is, hetgeen ik dan ook overneem." (sic)

  3. Deze FPB over 1990 heb ik evenwel nooit gezien.
  4. In mijn brief aan de minister van 25 maart 1999 verzocht ik: 

  5. "Tevens zou gezien de brief van de directeur van het CPB van januari 1990 sprake zijn van een beoordeling aan het eind van 1990 m.b.t. een bevordering naar schaal 12, met wederom financiële gevolgen. Ik neem aan dat zo'n besluit gebaseerd wordt op een FPB. Ik verzoek u mij inzage te geven in deze FPB."
  6. De juristen van EZ hebben tot en met de CRvB volgehouden dat die FPB niet bestaat zodat ook geen inzage kan worden verschaft.
  7. Ik heb uitgelegd dat wanneer deze nog niet bestaat, hij van mij ook gemaakt mag worden. (Dit had met een telefoontje opgehelderd kunnen zijn.)
  8. EZ negeert deze mogelijkheid en houdt vast aan de stelling dat die FPB niet bestaat zodat ook geen inzage kan worden verschaft.
  9. De Raad volgt de juristen van EZ in de uitspraak.
  10. De Raad overweegt in de zaak 00/4386 vervolgens ook dat een FPB niet gemaakt lijkt te hoeven worden, omdat ik inmiddels ontslagen ben. Dat is slechts een overweging en geen uitspraak, want in de uitspraak volgt men de juristen van EZ dat geen inzage kan worden verschaft in iets wat niet bestaat.
  11. De Raad heeft in zijn overwegingen ook geen melding gemaakt van bovenstaande brief 10 april 1990 (D8038) dat de FPB mij is toegezegd. Ik heb die toezegging nimmer ‘teruggegeven’. De dienstleiding heeft niet het recht zomaar op toezeggingen terug te komen.
  12. Een gevolg van de uitspraak van de Raad is dat ik de directie expliciet moet verzoeken dat de FPB opgemaakt wordt.
  13. In mijn bezwaarschrift voor de commissie advisering bezwaarschriften van 2 maart 2004 heb ik nog verduidelijkt:

  14. "Mogelijk wekt het voor sommigen verwarring dat de toezegging van D t.a.v. de FPB de periode 1 februari 1990 - december 1990 betreft, terwijl ik in mijn brief van 4 april 2002 spreek over de langere periode 1 februari 1990 - 1 oktober 1991. Zoals aangegeven leek het me nuttig de hele periode maar samen te voegen. Maar mogelijk is het nuttig om toch het onderscheid aan te brengen:
  • De periode 1 februari 1990 - december 1990 waarvoor de toezegging bestaat
  • De periode december 1990 - 1 oktober 1991 die me een nuttige uitbreiding lijkt."
Het is onzorgvuldig van de rechtbank om aan dit geheel voorbij te gaan en mijn positie verkeerd voor te stellen.
 
 

PM. Het is met enige aarzeling dat ik gewag moet maken van een zeker ‘autisme’ in de gehele rechtsgang. Hopelijk kan ik deze gedachte uitdrukken zonder dat hierover misverstanden ontstaan en zonder dat men de indruk heeft dat ik rechters en Raad zoiets in persoonlijk opzicht zou voorleggen. Het gevaar is bovendien dat zo’n opmerking op mijzelf terugslaat, dat men gaat vinden dat de pot de ketel verwijt, en dergelijke. Zulke risico’s moeten dan maar geaccepteerd worden. Waar het mij om gaat is dat klaarblijkelijk in de voorliggende rechtsprocedures t.a.v. de censuur de mogelijkheid bestaat dat een dienstleiding machtsmisbruik pleegt, en dat geen correctie mogelijk blijkt omdat rechters dat machtsmisbruik als uitgangspunt nemen in plaats van boven de kwestie te staan. Het was machtsmisbruik van de juristen van EZ om te stellen dat ‘we kunnen geen inzage geven in een FPB die niet bestaat’ terwijl ieder redelijk mens kan vaststellen dat die FPB mij in de brief van 10 april 1990 (D8038 p1) is toegezegd, zodat hij, als hij niet bestaat, dan maar gemaakt moet worden. Het is van enorm groot belang voor me dat die FPB alsnog gemaakt wordt. De beschuldiging van werkweigeren is nimmer formeel gemaakt, heb ik nimmer aan hoor en wederhoor kunnen voorleggen, en via zo’n FPB zal men daar niet aan ontkomen. Uiteindelijk zal zo duidelijk kunnen worden dat het afdelingshoofd de waarheid geweld heeft aangedaan en dat hem al deze jaren ten onrechte door de directie de hand boven het hoofd is gehouden.
 
 

  1. Uit mijn brief van 29 maart 2002: "Hoewel de Raad u niet opdraagt een nieuwe FPB te maken, verzoek ik u dit alsnog te doen."

  2.  

     
     

    Mutatits mutandis zoals het voorgaande.

    Hier kan nog gewezen worden op deze overweging van de rechtbank (p4):

    "Eiser stelt in zijn verzoeken en in bezwaar andermaal de feiten aan de orde zoals hij ze ziet, om vervolgens te concluderen dat de oorspronkelijke besluitvorming en de daarop volgende gerechtelijke uitspraken onjuist zijn. Op geen enkele wijze wordt daarbij door eiser aannemelijk gemaakt dat hij deze visie op de feiten niet eerder naar voren heeft gebracht of heeft kunnen brengen."

    Deze wonderlijke gedachtengang wordt klaarblijkelijk ingegeven vanuit de perceptie alsof ik heb verzocht om heroverweging.

    Mijn positie wordt dan verkeerd voorgesteld.

    Ik geef slechts de logica aan: 

    Als de Raad dit en dat besluit, dan zus en zo en dan verzoek ik om zulks (waar de Raad zich nog niet over uitgesproken heeft).

    De rechtbank heeft derhalve niet op die logica getoetst en oog gehad voor mijn belang. Alles is gezien door de bril alsof ik terugkwam op uitbehandelde zaken. Dat is onzorgvuldig.
     
     

  3. Uit mijn brief van 29 maart 2002: "Ik verzoek u mij dit ‘primaire besluit’ mede te delen, zodanig dat ik daartegen beroep kan aantekenen."

Ik wijs erop:

  1. De bezwarenadviescommissie stelt in het advies van 9 februari 1998 punt 3.3 duidelijk:

  2. "De rechtbank heeft in haar vonnis, 8 november 1993 nr. AW 91/00139, het besluit tot verplaatsing van bezwaarde nietig geacht. Hoewel bezwaarde destijds feitelijk wel verplaatst is heeft deze verplaatsing in juridische zin -achteraf- nimmer plaatsgevonden."
  3. De CRvB meent op 28 februari 2002 echter (in 00/4386 punt 4.1):

  4. "De Raad (...) wijst erop dat de nietigverklaring uitsluitend betrekking heeft op het besluit tot handhaving van de verplaatsing en dat het primaire verplaatsingsbesluit in stand is gebleven."
Is dit een kwestie waarbij een hoger lichaam een correctie aanbrengt t.a.v. een lager lichaam ? Neen, dat kan het niet zijn. Er is namelijk inhoudelijk geen verschil tussen het ‘primaire besluit’ door D en het ‘besluit op bezwaar’ door de minister: immers, het advies luidde niet anders dan het overnemen van het oorspronkelijke besluit. Als a = b, en a wordt vernietigd, dan ook b.

Wanneer de Raad geen fouten maakt, dan kan de conclusie slechts zijn dat er klaarblijkelijk nog een primair besluit bestaat dat mij nog niet is medegedeeld.

De jurist van EZ heeft in kwade trouw een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, namelijk dat het primaire besluit hier gelijk zou luiden aan het vernietigde besluit maar nog wel zou bestaan.

Een groot deel van de tijd op de hoorzitting bij de rechtbank is besteed aan het verschil tussen een primair besluit en een besluit op bezwaar (waarbij het eerste in stand kan blijven indien het verschilt van het tweede).

Helaas doet de rechtbank geen uitspraak over deze discussie. 

In plaats daarvan stelt de rechtbank dat ik om heroverweging van de kwestie heb gevraagd. 

Maar ik heb niet om heroverweging gevraagd.

Ik heb gezegd: de verplaatsing is vernietigd, vertel mij dan wat het primaire besluit is waarnaar de Raad verwijst. Ik ben nu veroordeeld zonder dat mij dit primaire besluit is medegedeeld, en ik wil gaarne weten wat het is, zodat ik daar zo nodig bezwaar tegen kan indienen.
 
 

NB. Overigens formuleert de rechtbank het verplaatsingsbesluit onzorgvuldig. Op pag 1 wordt dit aangeduid als "(ver)plaatsing in april 1990 naar een andere kamer bij het CPB" maar dit betrof een verplaatsing uit werk en afdeling, alsmede een fysiek andere kamer. 

Ik verwijs hier naar de brief van 15 mei 1990 van mr. Sandberg aan onderdirecteur Den Hartog waarop diens brief van 18 mei 1990 een antwoord is, alsmede het besluit van de rechtbank t.a.v. de détournement de pouvoir dat gebaseerd is op de werkzaamheden en niet slechts de fysieke kamer.

De juristen van EZ hebben in kwade trouw vaak doen voorkomen alsof het alleen om de fysieke kamer ging. 

  1. Uit mijn brief van 29 maart 2002: "Mijn verzoek is de kwestie te laten onderzoeken door wetenschappers, en mij ook de middelen te geven om de kwestie voor te leggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name t.a.v. het punt dat de Raad voorbij is gegaan aan mijn verzoek tot het horen van getuigen en deskundigen."

De overweging van de rechtbank is:

"Het eerst in beroep nader duiden door eiser van zijn verzoek als een verzoek tot schadeloosstelling als bedoeld in artikel 69 van het ARAR, doet hier niet aan af, aangezien -wat er ook zij van een dergelijke verzoek- verweerder met deze uitleg van het verzoek bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden." Onzorgvuldig hieraan is:
  1. Artikel 69 van het ARAR dient niet slechts schadeloosstellingen. De tekst luidt veel ruimer.
  2. Het is wonderlijk te stellen dat verweerder geen rekening met het ARAR heeft kunnen houden.
  3. De rechtbank lijkt te verlangen dat een ambtenaar bij ieder verzoek aan zijn directie begeleiding heeft van een advocaat die het verzoek vanaf het begin tot in de puntjes verzorgd specificeert. Dit doet afbreuk aan de vertrouwensrelatie tussen ambtenaar en directie. Bij mijn oorspronkelijk verzoek mag ik ervan uitgaan dat de directie uitgaat van het ARAR en dat het niet nodig is om de directie in het ARAR wegwijs te maken.
    1. Mochten bij een verzoek misverstanden rijzen waardoor belangen geraakt worden, dan dient de bezwarenprocedure om deze onduidelijkheden op te lossen. De rechtbank lijkt nu te stellen dat verduidelijkingen die in de bezwarenprocedure naar boven komen het oorspronkelijke verzoek ontkrachten omdat dit vanaf het begin klaarblijkelijk onduidelijk zou zijn gesteld. Dit is een perverse interpretatie van het recht op bezwaar en beroep.
    2. Wanneer de juristen van EZ in kwade trouw stellen dat mijn verzoek niet op het ARAR zou zijn gebaseerd, en wanneer ik dan reageer dat dit wel zo is, dan kan dit mijn verzoek in generlei wijze ontkrachten.
  4. Mijn bezwaarschrift is derhalve niet van dien aard dat men tot kennelijke onontvankelijkheid kan besluiten. Men had mij op zijn minst moeten horen.

NB. In de rechtsgang die sinds maart 2002 nodig was om de directie van het CPB zover te krijgen dat men bereid was om de besluiten van 7 januari 2004 te nemen, is er de uitspraak van uw rechtbank 03 / 5241 AW V106 BB G217, d.d. 2 maart 2004, en daarin veroordeelt de rechtbank het Ministerie van Economische Zaken tot vergoeding van het griffiegeld van 116 euro. Tot op heden heb ik deze vergoeding nog niet ontvangen. Wellicht wilt u EZ manen ook hier aandacht aan te geven.
 
 

Hoogachtend,
 
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu