Aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken
De heer Jan Willem Oosterwijk
PB 20101
2500 EC ’s-Gravenhage
J.W.Oosterwijk @ minez.nl
 
 

In persoon

16 december 2004
Betreft: de censuur en het machtsmisbruik door de directie van het Centraal Planbureau (CPB) t.a.v. mijn analyse omtrent de werkloosheid en de verstarring in de voorbereiding van het economisch beleid
 
 
 
 

Geachte heer Oosterwijk,
 

Ik waardeerde het afgelopen vrijdag zeer u te ontmoeten en bovendien met u af te kunnen spreken dat ik u een email zou sturen zodat u zich zou kunnen oriënteren. Bij deze voldoe ik aan mijn kant van die afspraak.

Mijn verzoek is mij te zien zoals ik ben, een bescheiden en hulpvaardig wetenschapper die probeert in zijn gedrag een voorbeeld te nemen aan Jan Tinbergen. Tot mijn spijt moet ik wel een ernstige kwestie aan de orde stellen.

Mijn verzoek aan u is om met mij in gesprek te treden over de censuur en het machtsmisbruik door de directie van het Centraal Planbureau (CPB) t.a.v. mijn analyse omtrent de werkloosheid en de verstarring in de voorbereiding van het economisch beleid.

De rechter heeft in 1993 vastgesteld dat de directie van het CPB mij in april 1990 met machtsmisbruik uit mijn functie op het CPB heeft geplaatst. Een commissie van wetenschappers heeft in 1994 geconstateerd dat er te weinig ruimte voor discussie lijkt te hebben bestaan. In mijn visie wordt mijn werk als wetenschapper gecensureerd en mijn persoon onheus belasterd. De laster is ongedaan te maken en ik ben in mijn functie te herstellen zodat de wetenschappelijke discours ongehinderd doorgang kan vinden. Helaas blijkt de juridische positie van wetenschappelijke medewerkers bij het CPB vrij zwak. De Centrale Raad van Beroep neemt aan dat de directie van het CPB in de capaciteit van bevoegd gezag ook wel de waarheid zal spreken, de Raad onderzoekt de kwestie niet, middelen daartoe ontbreken mijzelf, zodat cruciale aspecten ononderzocht blijven. Waar de Raad uiteindelijk het ontslag heeft gesanctioneerd zijn daarbij geen wetenschappelijke criteria aangelegd. Bijgevolg zie ik mijn persoon mishandeld en de integriteit van de wetenschap aangetast. De Commissie Integriteit Rijksoverheid behandelt de kwestie niet omdat deze ‘oud’ zou zijn, terwijl de aantasting van de integriteit van de wetenschap natuurlijk doorgaat zolang die niet is opgeheven. De recente visitatiecommissie van het CPB heeft niet op mijn brief gereageerd. 

De beste aanpak voor u zou zijn de directie van het CPB te schorsen en tegelijk een interim-directie aan te stellen en een commissie van onderzoek in te stellen. Gaarne zag ik mij in mijn functie hersteld zodat ik op gepaste wijze mijn medewerking aan dit onderzoek kan verlenen.

Mogelijk bent u niet onmiddellijk overtuigd dat dit de beste aanpak zou zijn. Ons gesprek zou onder andere het punt kunnen betreffen dat de kwestie tamelijk complex is en dat er vele stukken bestaan, terwijl anderzijds nog weinig getuigen zijn gehoord omdat de rechtbank tot nu toe alleen uitgaat van uitspraken in de hiërarchische lijn. Het zou heel nuttig zijn de stukken op een CD of DVD beschikbaar te stellen voor het grotere publiek en de casus te laten beschrijven door een onafhankelijke commissie met gevoel voor de wetenschappelijke aspecten.

Waar u zich t.a.v. uw beslissing over de modaliteiten van een gesprek zult laten adviseren door uw directie POI, moet ik u adviseren hier extra kritisch te zijn. In mijn ervaring heeft POI geen begrip voor de wetenschappelijke integriteit en is men slechts gericht op het onderbouwen van een eenmaal genomen besluit, met welke argumenten dan ook. Ik heb de rechter moeten voorleggen dat POI niet te goeder trouw is en dat de behandelende arbeidsjuristen van EZ zijn te wraken. In ons gesprek zou ik u dan ook uitnodigen om toch vooral te luisteren naar geluiden uit de wetenschappelijke wereld, en dan niet naar degegen die de kwestie niet onderzocht hebben maar wel een mening klaar hebben, maar naar degenen die zeggen dat het zinvol is dat de kwestie onderzocht wordt.

Overigens schreef ik op 31 juli 1990 aan mr. J.W. Weck, plaatsvervangend SG EZ, dat de integriteit van de wetenschap in het geding was. Helaas greep deze niet in. Overigens zond ik een van uw voorgangers prof. dr. S. van Wijnbergen eerder een brief als deze op 11 september 1997. Er was enige correspondentie nodig voordat duidelijk was dat hij mijn brief inderdaad onder ogen was gekomen. Mijn hoop is dat u direct in persoon wilt reageren. Overigens reageerde Van Wijnbergen helaas afhoudend. 

Het lijkt me nuttig u ook te verzoeken om een gesprek van me met de minister. In wezen zou het ingrijpen ten aanzien van de censuur en het machtsmisbruik door de directie van het CPB ook uw ambtelijke verantwoordelijkheid zijn doch een wetenschapper kan ook een beroep doen op de politieke verantwoordelijkheid voor de vrijheid van wetenschappelijk denken. Mocht de minister u de dienstopdracht geven dat u niet mag ingrijpen dan zou ik een kopie daarvan op prijs stellen. 

Mijn analyse omtrent de werkloosheid en de verstarring in de voorbereiding van het economisch beleid bevindt zich deels op het internet, althans voorzover ik in mijn bestaan als opgejaagd wetenschapper daar tijd voor heb kunnen vinden. Deze analyse is vanzelfsprekend veel complexer dan de krantenartikelen die u mogelijk ooit onder ogen zijn gekomen. De finesses kunnen natuurlijk pas aan bod komen in de wetenschappelijke discours met de wetenschappelijke collegae op het CPB.

Ik zal deze brief overigens ook door anderen laten lezen. In het bijzonder maakt deze brief deel uit van mijn verslaglegging van de CPB-kwestie in het publieke domein en zal ik hem daartoe ook op het internet plaatsen.
 

Hoogachtend,
 

Thomas Colignatus / Thomas Cool 
http://thomascool.eu