Aan de Arrondissementsrechtbank Den Haag
Sector Bestuursrecht
Postbus 20302
2500 EH Den Haag

AANTEKENEN

Betreft: Beroep t.a.v. het besluit van de minister van Economische Zaken na bezwaar (kenmerk POI / A&R / 4012951 d.d. 29 maart 2004)

5 Mei 2004
 
 
 
 

Edelachtbare,
 
 

Tot mijn spijt moet ik bij u een beroep voorleggen t.a.v. bovengenoemd besluit van de minister van 29 maart 2004 (bijlage). De minister heeft zich laten adviseren door de Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden EZ, en verenigt zich met dit advies, zie het advies van 29 maart 2004, kenmerk CABEZ / 793. Het besluit en onderliggende advies komen mij onzorgvuldig voor.

Laat ik overigens opmerken dat ik het wel zorgvuldig en zeer te waarderen vond dat de Commissie mij adequaat heeft geïnformeerd omtrent de regelingen omtrent de Commissie en de wijzigingen die sinds 1990 zijn opgetreden. Tevens heb ik geconstateeerd en gewaardeerd dat de Commissie in haar presentatie eenzelfde inzichtelijkheid nastreeft als welke ik zelf beoog. Het lijkt me aldus mogelijk dat uw rechtbank snel tot de kern van de zaak doordringt.
 
 

(A) Een mogelijk eye-opener

In het verweerschrift schrijft de directeur van het Centraal Planbureau (CPB):

"(...) ga ik slechts in op de opmerking van de heer Cool (...) dat de beslissing op bezwaar van 17 januari 1991 strekte tot het ongegrond verklaren van zijn beroep en niet (zoals abusievelijk in het bestreden besluit is vermeld) tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Deze opmerking van de heer Cool is terecht, maar doet niets af aan mijn besluit van 28 februari 1997 of het oordeel van de Arrendissementsrechtbank ’s-Gravenhage (AWB 98/2424) dat de heer Cool gelet zijn ontslag geen belang heeft bij een nieuwe beslissing omtrent die verplaatsing." Volgens mij is echter deze analogie van toepassing: waar het besluit van de directeur CPB van 7 januari 2004 beweerde ‘de fiets heeft wielen en rijdt uitstekend’ maakt het verweerschrift van de directeur CPB van 18 maart 2004 er nu van ‘de fiets heeft (de opmerking van de heer Cool is terecht, vierkante) wielen en rijdt uitstekend’.

Hiervoor geldt:

  1. Het is onzorgvuldig geweest van de Commissie om hierover geen hoor en wederhoor te laten plegen.
  2. Er is onderscheid tussen al deze kwesties van 17 januari 1991, het besluit van de directie van 1997, de uitspraak van de rechtbank van 1998, en de kwestie die voorligt in 2004.
    1. T.a.v. de kwestie van 17 januari 1991 ben ik in 1993 teruggeplaatst (de iure). Evenwel was ik inmiddels ontslagen en werd ik in 1993 feitelijk niet teruggeplaatst.
    2. De behandeling van het ontslag was onzorgvuldig. Ik heb de directie in 1993 verzocht te verklaren hoe het destijds is kunnen gebeuren dat men meende mij te moeten verplaatsen en waardoor ik feitelijk (de facto) verplaatst ben geweest. Met name de beschuldiging door de chef van werkweigeren is nimmer formeel in een besluit vastgelegd en nimmer toetsbaar voor de rechter geweest, en zou mijns inziens gecorrigeerd mogen worden. Er werd de toezegging gedaan dat men een nieuw besluit zou nemen.
    3. In 1997 heeft de minister ‘besloten geen nieuw besluit te nemen’. (1) Waar dit lijkt te impliceren dat men nu ook formeel zo’n verklaring als bedoeld onder (b) weigert, wordt mijn rechtspositie aangetast, maar (2) de weigering over al deze jaren werd tenminste een beetje toetsbaar voor de rechter.
    4. In 1998 maakte de rechter geen onderscheid tussen (2b&c) mijn rechtspositie, waarvoor vooral de nimmer formeel gemaakte beschuldiging van werkweigeren relevant is, en (k) de fysieke kamer, waarvoor ik geen belang meer heb omdat ik ontslagen ben. De rechtbank vatte (2c) op als slechts betrekking hebbend op (k) en niet op (2b). Helaas volgde men ook een procedure waarin geen hoger beroep mogelijk is.
  3. Het gaat me hier niet om het heropenen van een oud besluit dat inmiddels rechtsgeldig is. Het besluit (2c) is rechtsgeldig door de dwaling in (2d). (Maar het is nog onduidelijk wat (2c) nu precies betekent t.a.v. (2b), afgezien dat erkend is dat ik ben teruggeplaatst.)
  4. Voor 2004 is het volgende relevant. In een uitspraak van de Raad verwijst men naar een primair besluit dat blijkbaar nog zou bestaan. Maar ik ben teruggeplaatst (2a), dus het moet wat anders zijn. In de huidige rechtsgang gaat het me om "meegedeeld krijgen van een, volgens de Centrale Raad van Beroep bestaand, besluit dat mij evenwel nog niet is meegedeeld". 
  5. De directeur stelt dat ik een "nieuw besluit" zou willen. Neen, zie (4). Eventueel bestaat zo’n besluit niet, maar dan zou de directeur aan de Raad kunnen vragen waarom men verwijst naar iets dat niet bestaat. De bal ligt bij de directie.
  6. Het verschil tussen ‘niet-ontvankelijk’ (fout) en ‘ongegrond’ (correct) is niet relevant voor de kwesties uit 1997 en 1998.
  7. Het verschil is wel relevant voor de rechtsgevolgen in 2004. Waar het besluit van de directeur CPB van 7 januari 2004 beweerde ‘de fiets heeft wielen en rijdt uitstekend’ maakt het verweerschrift van de directeur CPB van 18 maart 2004 er nu van ‘de fiets heeft (de opmerking van de heer Cool is terecht, vierkante) wielen en rijdt uitstekend’.
  8. Het is nauwelijks ‘abusievelijk’ te noemen. Ik had er al eerder op gewezen. Er is ook de weigering nu om de gevolgen onder ogen te zien (met de analogie van (7)). Er is ook de onwaarheid door deze waaier van wanorde en desinformatie. De advocaten van EZ tonen onvoldoende respect voor de integriteit van de wetenschap, en schijnen er slechts op uit te zijn om reeds genomen besluiten te verdedigen zonder verder te luisteren naar argumenten die deze besluiten onhoudbaar maken. Dit gebrek aan respect is een fundamentele misstand in de rechtspositie van een econometrist van het CPB. 
  9. In een zitting van hoor en wederhoor had de mogelijkheid bestaan om dit nader te adstrueren. Eventueel had de directeur CPB ingezien dat hij verkeerd ondersteund werd en dat zijn handtekening nu onwaarheid afdekt. Ook had ik de voorzitter kunnen vragen om deze advocaten van EZ te wraken omdat zij op deze wijze inbreuk plegen op de ‘due process’. Evenwel, door deze hoorzitting niet te houden, ontvalt mij deze mogelijkheid tot adstructie, en deze onzorgvuldigheid doet schade aan de zaak.
  10. Velen hebben betwijfeld of het wel zin heeft om deze procedure voort te zetten. Het bovenstaande maakt denkelijk duidelijk op deze manier toch fouten aan het licht komen. Het is belangrijk dat ik dit nog eens zeg. Gangbaar hebben mensen allerlei impressies, maar ik ben een integer wetenschapper en ik behandel de kwestie zorgvuldig.

(B) Hoofdverzoek aan de rechtbank
 
 

De kwestie rondom de verplaatsing is maar een voorbeeld. De onzorgvuldigheid dat er geen hoorzitting is geweest geldt voor alle onderdelen. De zaak is complex, de Commissie had via gerichte vragen haar onduidelijkheden kunnen wegnemen. De complexiteit blijkt hieronder bij ieder onderdeel. 

Uit het nieuwe reglement van de Commissie blijkt dat men mogelijk meer bevoegdheden heeft dan gewone rechters. In artikel 10:

"(1) De commissie kan zich door deskundigen van advies en verslag laten dienen. 

(2) De commissie kan overlegging vorderen van ter zake dienende bescheiden. 

(3) De commissie is bevoegd een onderzoek ter plaatse in te stellen of te doen stellen."

Ik verzoek de rechtbank derhalve om de uitspraken te vernietigen, de zaak terug te verwijzen naar de Commissie, en de Commissie de suggestie van een hoorzitting en toepassing van artikel 10 te overwegen.

Hieronder staan nog detail-overwegingen. Op grond van dit alles acht ik ook de Commissie in de huidige samenstelling niet meer betrouwbaar. Ik verzoek u te bevestigen dat er een vertrouwensprobleem is, en dat de kwestie daarom ook het beste behandeld zou kunnen worden door een andere Commissie, zo mogelijk met hooggeleerd universitair gewicht.

Deze verzoek aan uw rechtbank laat mijn overige verzoeken omtrent dwangsommen hieronder onverlet, omdat deze ook zinvol zijn.
 
 

(C) Het niet houden van een hoorzitting (t.a.v. (A) in ook andere bewoordingen)
 
 

Een eerste punt van onzorgvuldigheid is dat de Commissie mij niet gehoord heeft. Ten aanzien van de voorliggende punten stelt men dat zij ‘kennelijk’ zijn, d.w.z. ‘kennelijk ongegrond’ en ‘kennelijk niet-ontvankelijk’, hetgeen een grond kan zijn om van het horen van belanghebbenden af te zien. 

Evenwel, uit de overweging van de Commissie leid ik af dat de wet stelt dat dit ‘kan’ en niet ‘moet’. Van belang is daarom de vraag of de Commissie zorgvuldig oordeelt over de mate van kennelijkheid en de noodzaak van verdere hoor en wederhoor, in het bijzonder in het licht van de aanwezigheid van punten die aan het twijfelen kunnen brengen.

Er laat zich vaststellen dat verweerder tussentijds tussen besluit van 7 januari 2004 en verweerschrift van 18 maart 2004 van standpunt is veranderd. Gaarne leg ik aan uw rechtbank de vraag voor of de Commissie in zo’n situatie kan afzien van het horen van belanghebbenden. 

Het betreft hier in het bijzonder de karakterisering van de eigen besluiten uit 1990 en 1991 omtrent de verplaatsing, waarvoor de uitspraak van de rechtbank van 8 november 1993 geldt. Waar de directie van het Centraal Planbureau (CPB) (denkelijk gesteund door de advocaten van EZ) eerst bij het besluit van 2004 sprak over ‘niet-ontvankelijk’, erkent de directeur (denkelijk gesteund door dezelfde advocaten) in het verweerschrift nu plots dat dit ‘ongegrond’ is. Maar de inzet van mijn verzoek aan de directie van het CPB betrof juist het rechtsgevolg hieromtrent, omdat bij ongegrondheid geen verschil is tussen het primaire besluit uit 1990 en het besluit na bezwaar uit 1991. Me dunkt dat de Commissie nader aan EZ had moeten vragen waarom men meende dat deze tussentijdse wijziging van standpunt in 2004 geen gevolgen heeft, en dat men ook mijn mening hierover had moeten horen. Het is onzorgvuldig om dit niet te doen.

Tevens, in mijn beroep bij de Commissie stelde ik reeds: 

"Ook bij behandeling van deze zaak moet ik u waarschuwen dat de juristen van POI niet te goeder trouw zijn." Het toeval wil dat ik in april een artikel schreef in het Tijdschrift voor het Economisch Onderwijs, dat de hoofdredacteur mij het nummer toezond, en dat ik in datzelfde nummer een ander artikel aantref: "Katvanger voor het leven. Over de goede trouw bij schuldsanering" (TEO, 2004, nr 2, april, p113-117). Daarin staat: Artikel 3:11 BW: "Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. (...)" Ik ontbeer in deze kwestie juridisch advies en kan dit niet verifiëren. Maar ik kan wel het vermoeden uiten dat dezelfde advocaten betrokken zijn geweest bij het besluit van de directie van het CPB uit 2004 en het verweerschrift. Het lijkt me gewenst dat directie en EZ hier helderheid in geven, en dat indien dit het geval is deze advocaten verder gewraakt worden. 

Waar dit onduidelijk is, had hier in de hoorzitting duidelijkheid over kunnen ontstaan. 

Het gaat hier niet puur en alleen om de beschrijving van het oude eigen standpunt, maar juist ook om het onder ogen zien van de rechtsgevolgen in 2004. Waar men eerst nog kon beweren ‘de fiets heeft wielen en rijdt uitstekend’ maakt men er nu van ‘de fiets heeft inderdaad vierkante wielen en rijdt uitstekend’, en zo’n juridische wijziging aanbrengen zonder de gevolgen onder ogen te zien getuigt van kwade trouw.
 
 

(D) De beschuldiging van het "terug komen op rechtens onaantastbare besluiten"
 
 

Het besluit en onderliggende advies geven een onjuiste voorstelling van zaken, doordat men stelt alsof ik de directie van het Centraal Planbureau zou hebben gevraagd "terug te komen" van een drietal rechtens onaantastbare besluiten. Dat is in het geheel niet het geval. Wat ik de directie van het Centraal Planbureau vraag is de gevolgen van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep onder ogen te zien. Indien de directie deze gevolgen zeer onaangenaam vindt, kan men natuurlijk altijd overwegen om op de besluiten terug te komen: maar dat is een optie en niet de kern van mijn verzoek (ook al zal ik die optie steeds in herinnering roepen).
 
 

(E) Minister en commissie verklaren mijn verkeerd voorgestelde verzoeken ongegrond.
 
 

(ad 1) verplaatsing
 
 

Het advies van de Commissie is onzorgvuldig.

Het verweerschrift gebruikt de term "vaststellen" terwijl het mij ging om "meedelen van een kennelijk reeds vastgesteld besluit dat mij nog niet is meegedeeld".

Dit is de historische volgorde:

  1. Het besluit op bezwaar in 1991 luidde dat het bezwaar ongegrond was.
  2. De rechtbank heeft dit in 1993 vernietigd.
  3. Derhalve is het bezwaar gegrond.
  4. Derhalve is het primaire besluit ook vernietigd (zou ik inmiddels niet ontslagen zijn, dan zou ik in 1993 mijn werk op het CPB weer hebben opgenomen).
  5. Derhalve ben ik de iure niet verplaatst (hetgeen ook bevestigd is in een andere zitting in 1998: zou ik inmiddels niet ontslagen zijn, dan zou ik zijn teruggeplaatst).
  6. Wanneer de Raad in zijn uitspraak spreekt over een primair besluit dat nog zou gelden, dan is er blijkbaar een ander primair besluit waarover ik nog niet ingelicht ben (of de Raad is ook in de war t.a.v. ‘niet-ontvankelijk’ en ‘ongegrond’).
  7. Waar de huidige rechtsgang over gaat: Ik verzoek mij dit ‘primaire besluit volgens de Raad’ mede te delen, zodanig dat ik daartegen beroep kan aantekenen.
PM. In de laatste zin van de paragraaf spreekt de Commissie over een rechtens onaantastbare besluit. Wat juridisch onaantastbaar is:
  • In 1993 dat ik ben teruggeplaatst (de iure).
  • In 1998 dat de directie geen verklaring meer hoeft te geven hoe het destijds is kunnen gebeuren dat men meende mij te moeten verplaatsen en waardoor ik feitelijk (de facto) verplaatst ben geweest. (Overigens dwaalde de rechtbank in 1998 door geen onderscheid te maken tussen de kamer en de rechtspositie en nimmer formeel gemaakte beschuldiging van werkweigeren.)
Wat ik onzorgvuldig aan het advies van de Commissie vind, is dat men niet duidelijk omschrijft hoe de teksten van de verschillende besluiten en verzoeken luiden. Hierdoor lijkt het om hetzelfde te gaan, terwijl dat niet zo is.

Waar ik heb gezegd ‘neem maar een nieuw besluit’ heb ik niet erkend dat ik verplaatst moest worden of dat het primaire besluit om mij te verplaatsen op grond van artikel 58 ARAR de iure nog bestond. In de beschrijving van de Commissie komt wel die suggestie naar voren, en die suggestie had men moeten vermijden.

De laatste zin van de paragraaf van de Commissie geeft de indruk dat het primaire verplaatsingsbesluit o.g.v. artikel 58 ARAR uit de as is herrezen en rechtens onaantastbaar is, quod non. 

Ik verzoek u het besluit van de minister te vernietigen. Ik verzoek u de directie van het CPB op te dragen om alsnog adequaat te reageren en mij zo’n besluit mede te delen waarvan de Raad gewag maakt en anders dan het vernietigde besluit, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen directie en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(ad 2) FPB 1990-1991
 
 

Hier is er duidelijk verschil tussen:

  1. Het besluit van de directie uit 1999 dat men geen FPB kan laten zien die er niet is, welke kwestie uitgeprocedeerd is.
  2. Mijn stelling nadien dat de directie een FPB heeft toegezegd en die dus moeten laten maken.
Het is niet te goeder trouw wanneer advocaten hier schrijven over ‘terugkomen op eerdere besluiten’. T.a.v. (a) heeft men mijn verzoek anders uitgelegd dan zinvol is, het besluit luidde dat men niet kon laten zien wat er niet was, en deze andere uitleg heeft tot uitprocederen geleid. Allez, dan is er nu een formulering die misschien wel begrepen wordt. De FPB is mij toegezegd. Het is geen verzoek, het is toegezegd.

Vervolgens, in het verweerschrift schrijft de directeur CPB: "Het doet voorts niets af aan het oordeel van de Raad in 98 / 447 AW dat verplaatsing geen rol speelt bij de toetsing van de beoordeling."

Hiervoor geldt:

  • De evaluatie van mijn functioneren over 1990-1991 gaat er nog van uit dat ik op grond van artikel 58 ARAR terecht verplaatst ben. Evenwel is dit besluit vernietigd. Er is nimmer een FPB opgemaakt. Laat die FPB opgemaakt worden, zoals mij in 1990 is toegezegd, zodat kan blijken dat ik onder moeilijke omstandigheden goed heb gefunctioneerd.
  • Dat ik in april 1990 de facto verplaatst ben kan niet met terugwerkende kracht beoordeeld worden in de FPB 1989-1990. Deze perioden overlappen elkaar immers niet. (Ik zeg dit vanaf het begin, verweerder zegt het, de Raad zegt het.)
  • Het is wel zo dat mijn chef omtrent de verplaatsing in april 1990 een bewering doet over werkweigeren, welke beschuldiging de directie nimmer juridisch tot een besluit heeft gemaakt dat open staat voor hoor en wederhoor en toetsing door externen. Het is ook zo dat de chef tijdens een zitting van de bezwarencommissie in 1990 een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de positie van een collega. Het is wonderlijk dat de Hoofdafdelingschef (HAC) hier geen vraagtekens bij plaatst. Me dunkt dat dit vragen oproept of de eerdere FPB 1989-1990 die door de chef en HAC is opgesteld nog wel correct is. Op zijn minst zou men toch wat zorgvuldiger moeten luisteren naar mijn inhoudelijke argumenten t.a.v. die eerdere FPB.
Het advies van de Commissie lijkt me nogal onzorgvuldig. Men verwijst naar de uitspraken van de Raad, maar gaat niet inhoudelijk in op mijn verzoeken aan de directie om de rechtsgevolgen van die uitspraken onder ogen te zien en middels besluiten uit te werken. Ik zou graag willen weten waarom de Commissie vindt dat mijn redenering niet klopt, maar men laat dit duister.

Ik verzoek u het besluit van de minister te vernietigen. Ik verzoek u de directie op te dragen om alsnog adequaat te reageren en de FPB op te maken, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen directie en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(ad 3) FPB 1989-1990
 
 

De redenering is hier subtiel. Ik verwijs naar het beroep. 

Verweerder vat mijn verzoek op als het heropenen van een reeds genomen besluit. Evenwel heeft de Raad m.i. de FPB vernietigd, moet er een nieuwe komen, en dat is wat anders dan heropenen.

De Commissie volgt hier de lijn van verweerder. In zijn advies stelt de Commissie dat de Raad oordeelt dat het besluit van 28 mei 1997 in stand kan blijven. Dat is echter de halve waarheid, want de Raad vernietigt dat besluit ook. En in de tijd en logica komt die vernietiging het allereerst. Na vernietiging kan er een nieuwe FPB komen met hoor en wederhoor.

In mijn beroep heb ik heel zorgvuldig uitgewerkt hoe dit logisch in elkaar zit. Het is onzorgvuldig van de Commissie dat men niet ingaat op mijn argumentatie. Het was zorgvuldiger geweest wanneer de Commissie gerichte vragen tijdens een hoorzitting gesteld had.

Eventueel had men kunnen zeggen "De Raad hoeft zich niet aan de logica te houden, maar heeft zijn eigen juridische geheimtaal die voor leken niet te volgen is, en ook wij als Commissie mogen halve waarheden debiteren. Helaas voor u is dat inderdaad allemaal zo, ook al draagt het niet bij tot de transparantie van de rechtspositie van wetenschappers in rijksdienst, jagen we iedereen zo op kosten, en werken we zo censuur in de hand." Want kijk, dat is toch wat er gebeurt. Was men zo eerlijk geweest, dan was het ook voor uw rechtbank veel helderder geweest dat er hier iets gebeurde dat juridisch toch twijfelachtig is. (Op zijn minst had ik dan ook een zinvolle quote gehad voor mijn website en was de kwestie vatbaarder geworden voor vragen van journalisten en kamerleden, in plaats van nu verstopt te zijn in jargon.)

De behandeling door de Commissie is onzorgvuldig en niet sensitief voor het rechtsgevoel en de maatschappelijke behoefte aan transparantie. 

Ik verzoek u het besluit van de minister te vernietigen. Ik verzoek u de directie op te dragen om alsnog adequaat te reageren en de FPB op te maken, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen directie en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(ad 4) Middelen
 
 

Ik heb de directie verzoeken gedaan om de kwestie nader te laten onderzoeken door wetenschappers en tevens middelen te verschaffen om de kwestie voor te leggen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Vanuit het oogpunt van de integriteit van de wetenschap is het zinvol dat ik dit verzoek heb gedaan. Het stemt droef dat we moeten vaststellen dat de directie het op deze wijze afhandelt. 

De directie heeft dit slechts voor kennisgeving aangenomen. In mijn beroepschrift heb ik verwezen naar artikel 69 ARAR, zodat de rechtsgrondslag evenwel geen probleem zou hoeven zijn, en ik heb de veronderstelling geuit dat de advocaten van EZ kennis hebben gehad van het ARAR. In het advies van de commissie concludeert men dat de mededeling van de directie geen besluit is in de zin van artikel 1:3 AWB. Men acht mijn beroep daarom niet ontvankelijk. Dit is onzorgvuldig, want men kan ook oordelen tot kennelijke weigering om het verzoek te beoordelen in het kader van artikel 69 ARAR.

Ik verzoek u het besluit van de minister te vernietigen. Ik verzoek u de directie op te dragen om alsnog adequaat te reageren, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen directie en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

NB. In de rechtsgang die sinds maart 2002 nodig was om de directie van het CPB zover te krijgen dat men bereid was om de besluiten van 7 januari 2004 te nemen, is er de uitspraak van uw rechtbank 03 / 5241 AW V106 BB G217, d.d. 2 maart 2004, en daarin veroordeelt u het Ministerie van Economische Zaken tot vergoeding van het griffiegeld van 116 euro. Tot op heden heb ik deze vergoeding nog niet ontvangen. Wellicht wilt u EZ manen ook hier aandacht aan te geven.
 
 

Hoogachtend,
 
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu