Aan de Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden EZ
T.a.v. mw. mr. E.A. Goeman, secretaris
ALP:P/S03
Postbus 20101
2500 EC ‘s-Gravenhage
 
  Betreft: Gronden voor het bezwaar van 27 januari 2004 t.a.v. de besluiten van de directeur van het Centraal Planbureau in de brief van 7 januari 2004 kenmerk 2004 / P / 1
(indachtig ook uw brief van 12 februari 2004, kenmerk POI/AR/4001289)

2 maart 2004
 
 
 
 

Geachte commissie,

Als bijlage voeg ik toe een "Lijst der stukken, versie 23, 1 Maart 2004". Bij verwijzing zal ik daar gangbaar gebruik van maken, en ik ga ervan uit dat u de stukken tot uw beschikking en bekeken heeft ook al verwijs ik niet expliciet. Met name mijn brief "Aan de wetenschappelijke collega’s van het Centraal Planbureau" opgenomen als pag 180-228 in mijn "Trias Politica & Centraal Planbureau" uit 1994, ook beschikbaar als PDF op mijn website, geeft een goed overzicht van deze zaak. Tevens voeg ik toe, in zesvoud, het boekje "De ontketende kiezer" (DOK) van mijzelf en Hans Hulst, Rozenberg publishers 2003, dat voor het grotere publiek een overzicht van de kwestie geeft.

De brief van de directie (voortaan D) van 7 januari 2004 herhaalt het eerdere standpunt van POI / EZ van 18 oktober 2002. Ik heb dit reeds besproken in mijn beroepschrift van 15 november 2002 en aanvullend op 12 december 2002. De brief van D van 7 januari 2004 verwijst in de aanhef naar de brief van 12 december 2002. Deze oudere bespreking en de brief van 5 september 2003 hebben dus geen effect gehad op de argumentatie van D / POI / EZ. In het navolgende zal ik uit die eerdere teksten putten om te laten zien dat men daar evenwel niet aan voorbij kan gaan.

(1)

Het gaat mij om een adequate vervulling van mijn functie van wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau (CPB) zoals neergelegd in het Functie Informatie Formulier (FIF) van 1987-05.

Het gaat daarbij om de integriteit van de wetenschap. Bescherming van mijn persoon is daarvan afgeleid. [Voetnoot 1]

In de lijst der stukken 1991-05-03 vindt u een briefwisseling tussen mij en de directie (voortaan D) t.a.v. het houden van een interne presentatie van mijn analyse. Deze briefwisseling is ook toegankelijk in "De ontketende kiezer" (DOK) op pagina 112-113. Wat mij betreft staat de klok stil bij deze briefwisseling van 3 mei 1991 waar D deze interne bespreking verbiedt. Het tegenhouden van de discussie lijkt me wetenschappelijk onacceptabel. Ik kan me voorstellen dat een presentatie een keer niet lukt, maar hier is het stelselmatig tegengehouden. Ik verkeer in de wachtkamer totdat deze censuur ongedaan wordt gemaakt. Volgens wetenschappers, zie DOK in de belendende pagina’s, vermijdt de directie niet de indruk rechter in eigen zaak te zijn. Deze wetenschappers hebben maar een aspect bekeken, en mijns inziens is er meer aan de hand. Daarnaast is ook het ontslag incorrect, en bijvoorbeeld ongewenst indien de integriteit van de wetenschap wordt gerespecteeerd. [Voetnoot 2]

(2)

Tot mijn spijt kan ik het ‘informatieblad’ niet meer vinden dat u me destijds zond met een beschrijving van de rol van uw commissie in dit geheel. Wellicht kunt u mij een nieuw informatieblad toezenden, niet alleen een versie uit 2004 maar misschien ook een uit 1990 ?

In ieder geval meen ik me te herinneren dat uw commissie iets toegankelijker zou zijn t.a.v. de juridische vereisten. Ik hoop dat dit nog steeds zo is - doch het informatieblad zou hier de juiste tekst danwel formulering geven.

Ik hoop, derhalve vanuit deze herinnering, dat ik me tot u mag richten in gewone taal, d.w.z. ontdaan van juridisch jargon, en dat u bij de beoordeling van het bezwaar t.a.v. de besluiten van de directie van het CPB niet slechts juridische criteria t.a.v. het taalgebruik aanlegt.

Mogelijk is de juridificering van de samenleving zo toegenomen dat ook uw commissie niet meer weet wat ‘gewone taal’ is. Dat zou dan iets zijn om alert op te zijn.

Ik kan bijvoorbeeld waarschuwen t.a.v. diverse problemen die ik in het verleden ondervond t.a.v. het verschil tussen gewone taal en juridisch jargon. Bijvoorbeeld:

(3)

Bij het zoeken naar uw informatieblad kwam ik tegen: het "Sociaal Jaarverslag 1988" van het ministerie van EZ. Daarin staat op de laatste pagina:

"Met één punt van de personeelszorg bij EZ hebben we allemaal te maken: de regeling van onze rechtspositie. Alle regelingen samen garanderen uw rechten. Bij uitvoering ervan door de directie POI staat belang [sic] van de medewerker steeds voorop. Als u ergens mee zit, aarzel dan niet om bij personeelszaken aan de bel te trekken." In mijn ervaring heeft de directie POI mijn belang helemaal niet voorop gezet maar juist alles gedaan om de censuur in stand te houden en me ontslagen te krijgen. Het "Sociaal Jaarverslag 1988" is onzorgvuldig of misleidend gesteld of pleegt valsheid in geschrifte. Doet iemand daar iets aan ?

Ongetwijfeld zal POI menen dat men rekening moet houden met de belangen van meer medewerkers die soms kunnen conflicteren. Zoiets lijkt me evenwel geen rechtvaardiging voor censuur van de wetenschap. De juristen van POI (en die van BZK) zijn uitgegaan van de opdracht van D dat ik ontslagen moest worden, en ik heb geen jurist van POI ontmoet die uitgegaan is van mijn belang: de waarheid en integriteit van de wetenschap. POI heeft gelogen en bedrogen om mij ontslagen te krijgen. Men heeft de medewerkers van de afdeling niet gehoord, men heeft niets gedaan aan de meineed van mijn chef, men heeft niets gedaan om de censuur van de wetenschap tegen te gaan, etcetera.

Ook bij behandeling van deze zaak moet ik u waarschuwen dat de juristen van POI niet te goeder trouw zijn. Hieronder staan weer een paar voorbeelden.

(4)

In uw brief van 12 februari 2004, kenmerk POI/AR/4001289, meldt u t.a.v. de vergoeding van de kosten voor de behandeling van mijn zaak voor uw commissie:

"Deze kosten worden door mij vergoed indien ik mijn besluit herroep wegens onrechtmatigheid die aan mij toe te rekenen is." Ik kan mij niet herinneren dat deze mogelijkheid ook in het verleden bestond. Het is ook niet genoemd door advocaten die ik in het verleden gesproken heb. Is dit een nieuwe regeling ?

Uw melding komt wat mij betreft tamelijk laat. Mijn oorspronkelijke advocaat is vertrokken naar een andere betrekking, de zaak is door de mishandeling door POI nogal complex geworden, en het zou een majeure operatie zijn om nieuwe juristen zich te laten inwerken. Bovendien heb ik weinig vertrouwen t.a.v. het zelf-kritische vermogen van POI, en moeten onrechtmatigheden denkelijk door mij bij de rechter worden afgedwongen met weer allerlei nieuwe rechtsgangen, die ook geen vertrouwen inboezemen.

Bijv. die bewering in het "Sociaal Jaarverslag 1988" ? Is POI zo ruiterlijk om te erkennen dat dit volksverlakkerij is ? Is het rechtmatig dat men volksverlakkerij pleegt ?

Bijv. ben ik in april 1990 uit werk en afdeling verplaatst, en de rechter heeft dit veroordeeld als een détournement de pouvoir. Was het rechtmatig dat de directie dit machtsmisbruik pleegde, of was het onrechtmatig, en meldt POI dit dan vrijwillig of moet ik daarvoor naar de rechter ?

Bijv. het besluit uit 1998 om geen nieuw besluit t.a.v. de verplaatsing te nemen ? Is het rechtmatig van EZ om tot voor de CRvB met misleiding na te jagen dat geen ‘nieuw feit’ voor me zou zijn ? Of is het onrechtmatig dat men niet goed naar me luistert ? Ik stond daar nota bene zonder jurist bij de CRvB: acht EZ het rechtmatig dat men de wetenschap zo mishandelt met zo’n ongelijke strijd ? Misleidend was bijvoorbeeld: zo beweerde de jurist van POI bij de CRvB dat ik in april 1990 ontslagen moest worden, terwijl D juist besloot de interne bezwarenprocedure af te wachten. Is het rechtmatig dat je misbruik maakt van zwak arbeidsrecht, of heb je juist de taak om dat recht naar de geest toe te passen ?

(5)

Ik maak uw commmissie er aldus op attent dat ik geen jurist ben, dat ik eigenlijk geen middelen heb om mij adequaat juridisch te verdedigen (waar anderen mij ten onrechte aanvallen met juridische middelen). In het verleden heb ik me gedwongen gezien om in beperkte mate juristen in te schakelen maar dan ten koste van een oneigenlijk beslag op de eigen middelen, en de grens is bereikt.

(6)

Ik maak u gaarne nog attent op mijn brief van 1990-07-31 aan de Plv. SG. mr. J.W. Weck, en diens reactie van 1990-08-30 (BSG 90085470) en mijn reactie daarop weer van 1990-09-12. Volgens mr. Weck valt mijn ‘melding van een vermoeden van een misstand’ onder de bezwarenprocedure die destijds was opgestart. Ik heb er tot op heden echter weinig van gemerkt dat dit het geval is geweest.

Ik heb de nieuw-ingestelde Commissie Integriteit Rijksoverheid (CIR) geschreven of men de kwestie kan behandelen, maar men wil dit niet doen omdat ik inmiddels ben ontslagen en daardoor geen rijksambtenaar. Dat ik de melding reeds in 1990 deed toen ik nog ambtenaar was schijnt niet uit te maken, of tegen me te werken omdat het dan ‘oud’ zou zijn (terwijl de censuur nog steeds voortgaat). Ik heb ook D verzocht om medewerking aan behandeling door de CIR te verlenen, bijv. door als directie de CIR te verzoeken de kwestie wel in behandeling te nemen, maar D weigert hierop te reageren en hoeft van de rechter hier ook niet te reageren omdat dit verzoek van me niet onder de AWB zou vallen.

Is het niet wonderlijk dat D stelselmatig ontkent dat de integriteit van de wetenschap in het geding zou kunnen zijn ? Waarom maakt D zichzelf tot rechter in deze kwestie ? Heeft de medewerker ook niet zelf de mogelijkheid om te denken dat de integriteit in het geding zou kunnen zijn ? En wanneer de medewerker dat vermoedt, welke regeling bestaat hier dan voor bij het CPB ? Het is alleszins denkbaar dat de rechtspositie van een wetenschappelijk medewerker zo zwak is dat D over alle middelen beschikt om de wetenschap te censureren, maar is dit wat men werkelijk wenst ?

Is het een optie dat uw commissie bij de CIR informeert hoe men ‘meldingen van een vermoeden van een misstand’ onderzoekt, zodat u daar een voorbeeld aan kunt nemen ? Klaarblijkelijk wil mr. Weck graag dat u dat doet. Op grond van deze brief kunt u denkelijk meer middelen claimen dan u normaal heeft. Mijns inziens houdt dit bijvoorbeeld in dat u actief achter de informatie aangaat, in plaats van af te wachten wat ik u aanlever, omdat ik niet alle informatie kan aanleveren. En zou het niet logisch zijn dat ik enige bescherming krijg ?

Is het een optie dat u de minister adviseert mijn verzoek om D te schorsen honoreert, opdat een nieuwe (interim) D mijn verzoeken op onbevangen wijze in behandeling kan nemen ? Het schijnt dat uw commissie weinig middelen heeft, wellicht is dit de beste uitweg.

(7)

De brief van 2004-01-07 van de directie van het Centraal Planbureau die hier aan de orde is, is ondertekend door de huidige directeur, prof. dr. F.J.H. (Henk) Don.

Henk meent echt dat ik ontslagen moet worden. Ik meen dat D te schorsen is omdat men er niet in geslaagd is een zodanige sfeer van vertrouwen op het bureau te scheppen dat deze mishandeling van de wetenschap niet is voorgekomen cq. niet adequaat is opgelost toen ik het intern aankaartte.

Begrijp me goed: Henk en ik zijn ongeveer even oud, beiden geboren in 1954, we gingen vroeger wel eens uit eten, en ik waardeer het ook zeer dat ik mag deelnemen aan de CPB reunies, zoals laatst in maart 2002. Ik ben zeer boos en verontwaardigd t.a.v. de behandeling die mij wordt aangedaan, maar ben niet geneigd om dit aan iemand persoonlijk toe te schrijven. Het is jammer dat het allemaal zo loopt. De kwestie is echt die van de wetenschappelijke ethiek, betreft de ‘geest van Tinbergen’. Het is jammer dat Henk dit niet ziet, en schorsing is dan de adequate maatregel. Mijn redenering is ook dat mijn nieuwe economische analyse op den duur wel aanvaard zal worden, zodat ik bij dit alles de sterkere partij ben, terwijl het voor de sterkere partij past om mededogen te tonen. Vermoedelijk zijn het ook CPB-ers die als eersten de zinvolheid van mijn analyse zullen zien, dus ik redeneer steeds vanuit mijn waardering voor de collega’s. De kwestie moet wel goed geregeld worden.

Van belang is ook dat ik destijds gesproken heb met toenmalig directeur Gerrit Zalm en toenmalig onderdirecteur Hans den Hartog, en niet met toenmalig onderdirecteur Henk Don. Henk weet derhalve alleen uit tweede hand van de zaak. Toen hij directeur werd, heeft hij helaas een gesprek afgewezen. De nieuwe onderdirecteuren houden zich afzijdig van de zaak en verwijzen naar eerdere besluiten en zij menen dat Henk wel voldoende weet. Maar Henk weet niet genoeg want is niet bij de gesprekken geweest. De afzijdigheid van de nieuwe onderdirecteuren is nogal jammer. Bijv. de nieuwe onderdirecteur prof. dr. C. van Ewijk, die van de Universiteit van Amsterdam komt, zou afstand kunnen nemen van het censureren van de discussie (zoals beschreven op pag 112-113 van DOK); het is dan nogal jammer dat hij zich niet met de kwestie wil bemoeien.

De brief van 2004-01-07 van de directeur van het Centraal Planbureau die hier aan de orde is, lijkt me gedragen door de juristen van POI die uitgaan van oude en verkeerde instructies, en ik heb mijn twijfel of de huidige directie wel echt weet waar men mee bezig is.

(8)

Ik verzoek uw commissie om (a) vast te stellen dat hier de integriteit van de wetenschap in het geding kan zijn, en (b) te concluderen dat D niet kan volstaan met puur juridische argumentaties en dat men ruiterlijk mee behoort te werken aan de oplossing van dit probleem.

In anticipatie op een verdwaalde directie gelden natuurlijk de andere mogelijkheden zoals bijvoorbeeld boven genoemd.

(9)

Na de besluiten van de CRvB van 21 februari 2002 heb ik mijn verzoeken aan D gedaan binnen de termijn van zes weken. Indien D binnen redelijke tijd (zes weken) had gereageerd, had ik denkelijk nog gebruik kunnen maken van de termijn van zes maanden welke bestaat voor het voorleggen van de besluiten van de Raad aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

D en POI kozen er echter voor om niet te reageren. Via een lange en wonderlijke weg, en pas na ingrijpen van de rechter, bevinden mijn verzoeken zich nu voor uw commissie.

Mijn verzoek is dat u deze taktiek van D en POI niet tolereert en dat u het op zich neemt om ‘stand in’ te zijn voor dit EHRM.

Gaarne verzoek ik u daarbij mij middelen te verlenen om mijn verdediging in de voorliggende kwesties op juiste wijze te voeren.

Mijn verzoek is dat u daar een miljoen euro voor beschikbaar stelt.

Bijvoorbeeld lijkt het me nuttig dat alle stukken van deze zaak op een DVD komen, beschikbaar komen voor wetenschappers, externe juristen en deskundigen t.a.v. de wetenschappelijke ethiek, en dat hun commentaar aan deze DVD wordt toegevoegd. Zulks uit te breiden met nadere verklaringen van betrokkenen. Zulk bewijsmateriaal lijkt me inmiddels bijna onvermijdelijk nu D zich zo opstelt.

In uw advies van 9 februari 1998 memoreert u in punt 4.2 dat uw commissie "niet bevoegd is tot het geven van een opdracht tot een dergelijk onderzoek" en in punt 4.3 dat "op verzoek van de belanghebbende, door hem meegebrachte getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord. De Commissie is dus niet verplicht getuigen op verzoek van de belanghebbende op te roepen." Evenwel, indien u van goede wille bent, kunt u altijd getuigen en deskundigen uitnodigen, hetgeen wat anders is dan oproepen. Voor de zitting van de CRvB heb ik mijn getuigen en deskundigen een aangetekend schrijven gezonden, maar men is niet gekomen. De voorzitter van de Commissie Integriteit Rijksoverheid, die door zijn secretaris van het schrijven op de hoogte was gebracht, liet het aangetekend schrijven zelfs ongeopend terugbezorgen. Klaarblijkelijk heeft het weinig impact wanneer ik mensen vraag om hun bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van deze censuur van de wetenschap. Maar u heeft mogelijk meer impact, en wellicht dat voor u een uitnodiging volstaat. U nodigt ze dan uit om met mij mee te komen. Ik verwijs naar de lijst personen die ik genoemd heb in de verschillende rechtsgangen.

Wellicht kunt u mij mogelijk ook middelen ter beschikking stellen zodat ikzelf zo’n opdracht kan geven en dan getuigen en deskundigen voor de rechtbank kan dagen, waarvan ik u de resultaten dan ter beschikking kan stellen. Indien u niet zo’n budget heeft, kunt u de minister daarom verzoeken, en indien hij dit budget niet ter beschikking stelt kunt u een persbericht uitgeven dat de minister naar uw inzicht incorrect optreedt ten aanzien van de integriteit van de wetenschap bij het CPB. Wellicht dat er iemand in de samenleving reageert. Waar een wil is, is een weg, en de kwestie lijkt me belangrijk genoeg.

(10)

In de brief van 2004-01-07 van D is het voornaamste argument dat ik wederom aan de orde zou stellen wat reeds door uw commissie, rechtbank en Raad besloten is. Ik bestrijd dat. Ik wens verschoond te blijven van deze beledigende insinuaties ingegeven door de juridische huur-leugenaars van POI.

(10a)

Ik stel onvolkomenheden aan de orde. Het zijn deze onvolkomenheden die de aangegeven besluiten op losse schroeven stellen.

Het is ook evident dat er onvolkomenheden zijn. Ik ben incorrect behandeld, natuurlijk vallen er gaten. Het was al in 1989/90 duidelijk dat D verstrikt zit in de logica van deze kwestie. De kwestie is alleen op te lossen door deze fatsoenlijk te behandelen. Via juridische truuks kan D nog de schijn wekken dat er geen logische problemen zijn, maar die gaan daardoor niet weg.

De structuur in dit geheel is dat rechters gangbaar het bevoegde gezag volgen, dat het bevoegde gezag hier incorrecte informatie aanlevert, dat er zo problemen met de feiten en de logica ontstaan, en dat het heel wat werk kost om de ellende ongedaan te maken.

Het enige wat ik kan doen is de problemen aan de orde stellen. Dit levert pakken papier op, het zij zo.

(10b)

Mijn aanname is steeds dat ook D grote waarde hecht aan de integriteit van de wetenschap. Een terugblik op en evaluatie van alles wat nu juridisch is gepasseerd is niet a priori zinloos en het kan heel goed zijn dat D vanuit de integriteit van wetenschap toch andere besluiten zou willen nemen.

Hoe kan D zeggen dat zaken reeds vaststaan wanneer de weg naar het EHRM nog niet is genomen ? Het is toch ook logisch dat ik D om middelen voor deze rechtsgang verzoek indien die mij ontbreken ? De integriteit van de wetenschap is in het geding !

(10c)

Ik merk dat de brief van 2004-01-07 van D nogal gelijkluidend is aan het eerdere verweerschrift dat POI / EZ eerst alleen aan de arrondissementsrechtbank richtte, in wat aldaar de procedure 02 / 2004 is geworden. Eerst wilde men niet reageren, nu accepteeert men dat men moet reageren, maar de teksten zijn vrijwel gelijk. Het enige verschil is dat de brief nu aan mij is gericht zodat bezwaar openstaat.

Ik kan derhalve putten uit mijn beroepschriften van 2002-11-15 en 2002-12-12. Deze beroepschriften lijken nu te behoren bij de procedure 02 / 2004 maar betreffen wel degelijk mijn verzoeken aan de directie en behoren ook bij deze zaak. Het is nuttig om deze beroepschriften bij de hand te houden om de argumentatie volledig te houden en te zien dat D (POI / EZ) niet luistert, terwijl men van een wetenschapper toch zou verwachten dat men luistert.

(11)

Ik verzoek u de punten te behandelen in deze volgorde die denkelijk het helderst is:

Punt A: Het mij mededelen van het ‘primair’ besluit zodanig dat ik daar beroep tegen kan aantekenen.

Punt B: De FPB voor 1 februari 1990 - 1 oktober 1991 (eventueel splitsen voor subperiodes)

Punt C: De FPB voor 1 januari 1989 - 31 januari 1990

Punt D: De middelen om de integriteit van de wetenschap te verdedigen
 
 

(12) Punt A: de verplaatsing (punt 3 in de brief van de directie).

Parabel: Jan Klaassen en Katrien hebben een auto. Jan Klaassen noemt deze ‘Pietje’ en Katrien noemt deze ‘Annabel’. Katrien vernietigt Annabel. Daarna gaat Jan Klaassen met Pietje naar de kermis.

Discussie: Hoe kan Jan Klaassen nu met Pietje naar de kermis gaan, wanneer Pietje en Annabel slechts twee namen voor dezelfde auto zijn die zojuist door Katrien vernietigd is ? De parabel kan alleen wanneer er een inbreuk wordt gepleegd ten aanzien van logica en wiskunde. Er is een onderscheid tussen de naam van iets en dat iets zelf. In de parabel wordt dat onderscheid niet gemaakt. De parabel is dus gebaseerd op een denkfout.

(12a)

Ik ben verplaatst in april 1990 op grond van artikel 58 ARAR (noem de inhoud a). Na intern bezwaar bij EZ blijft dit besluit in stand, dit is het ‘besluit op bezwaar’ van 17 januari 1991 (noem de inhoud b). De besluiten zijn gelijkluidend (a = b). In beroep bij de rechter wordt dit besluit vernietigd, en wel in de uitspraak van 8 november 1993 (AW 91/00139, 00379, 0059 en 00761, onderdeel 1e, p15-16, p21). Waar beide besluiten gelijkluidend zijn, is er geen onderscheid tussen primair besluit en besluit op bezwaar. Het besluit dat verwijst naar artikel 58 ARAR kan derhalve geen primair besluit meer zijn, want het is vernietigd.

In zijn brief van 7 januari 2004 stelt D dat het besluit op bezwaar "niet ontvankelijk" luidde.

Echter, het besluit op bezwaar was "niet gegrond" en daarmee identiek aan het primair besluit. De rechtbank stelt immers in de uitspraak van 8 november 1993:

"De rechtbank stelt het volgende voorop: De dienstleiding van het CPB heeft namens verweerder bepaald dat klager met ingang van 18 april 1990 niet meer op de afdeling werkzaam kon zijn en hem overgeplaatst naar een andere kamer. In zijn besluit van 17 januari 1991 heeft verweerder de bezwaren van klager hiertegen niet-ontvankelijk verklaard. In de contra-memorie en ter zitting heeft gemachtigde van verweerder echter gesteld dat dit onderdeel niet correct is weergegeven en dat het de bedoeling was het bezwaar van klager tegen de verplaatsing ongegrond te verklaren. Nu ook gemachtigde van klager - zoals hij ter zitting heeft aangegeven - daarvan is uitgegaan, zal de rechtbank in haar verdere beoordeling van dit geschilpunt ervan uitgaan dat verweerder klagers bezwaar terzake ongegrond heeft verklaard." (Uitspraak van de rechter, AW 91/00139, 00379, 00559, en 00761, t.a.v. besluit nr 1 onderdeel e, p14) Vervolgens wordt het beroep hier gegrond verklaard en het besluit vernietigd. (p21).

D (POI / EZ) suggereert nu onontvankelijkheid, zodat iemand zich inderdaad zou kunnen afvragen of er verschil zou kunnen zijn tussen het primaire besluit om mij met machtsmisbruik te verplaatsen en een denkbaar besluit op bezwaar om het bezwaar onontvankelijk te achten (omdat D mogelijk het recht heeft om misbruik te plegen). Echter, het besluit op bezwaar was dat het het bezwaar ongegrond werd geacht, en dit werd door de rechter vernietigd.

Aldus heeft verweerder zelf al in 1993 aangegeven dat het besluit niet "onontvankelijk" luidt maar "ongegrond" moet zijn, maar nu wordt er in 2004 weer "onontvankelijk" van gemaakt. Wellicht heeft de jurist van EZ (mr. Bol als opvolgster van mr. Schuurs ?) alleen gekeken naar de laatste pagina van de rechterlijke uitspraak ? Wanneer worden zulke fouten tot valsheid in geschrifte ?

Ik heb al gezegd dat het de rijksoverheid m.i. miljarden kost wanneer men mij niet volgt t.a.v. de wetenschappelijke integriteit: dergelijke fouten en misleiding door de juristen zijn geen bagatel.

Het besluit tot verplaatsing op grond van artikel 58 ARAR is vernietigd als een détournement de pouvoir. Het misbruik van artikel 58 ARAR is een détournement de pouvoir zowel primair als na bezwaar. Het besluit na bezwaar is ongewijzigd overgenomen van het primaire besluit. Er is dus geen verschil, ‘beide’ zijn vernietigd. Of wou EZ nu beweren dat er geen détournement de pouvoir heeft plaatsgevonden ? En wil men daarmee het oordeel van de rechter corrigeren en de geschiedenis herschrijven ?
 
 

(12b)

Merk de tegenstrijdigheid tussen deze uitspraken:

  1. Uw eigen commissie stelt in uw advies van 9 februari 1998 punt 3.3 duidelijk:

  2. "De rechtbank heeft in haar vonnis, 8 november 1993 nr. AW 91/00139, het besluit tot verplaatsing van bezwaarde nietig geacht. Hoewel bezwaarde destijds feitelijk wel verplaatst is heeft deze verplaatsing in juridische zin -achteraf- nimmer plaatsgevonden."
     

  3. De CRvB meent op 28 februari 2002 echter (in 00/4386 punt 4.1):


  4. "De Raad (...) wijst erop dat de nietigverklaring uitsluitend betrekking heeft op het besluit tot handhaving van de verplaatsing en dat het primaire verplaatsingsbesluit in stand is gebleven."
Is dit een kwestie waarbij een hoger lichaam een correctie aanbrengt t.a.v. een lager lichaam ? Neen, dat kan het niet zijn. Er is namelijk inhoudelijk geen verschil tussen het ‘primaire besluit’ door D en het ‘besluit op bezwaar’ door de minister: immers, het advies luidde niet anders dan het overnemen van het oorspronkelijke besluit. Als a = b, en a wordt vernietigd, dan ook b.

Gaarne zag ik het innerlijk tegenstrijdige oordeel van de Raad gecorrigeerd, hetzij door het EHRM hetzij door de directeur van het CPB die toch ook een bekwaam econometrist is en die weet wat a = b betekent (hij kan een nieuw besluit nemen), hetzij door de druk van de publieke opinie welke gemobiliseerd kan worden wanneer de commissie bijvoorbeeld dat persbericht uitgeeft dat de minister incorrect handelt t.a.v. de integriteit van de wetenschap bij het CPB (een nieuwe directeur neemt het goede besluit).

(12c)

Ik mag er op wijzen dat de juristen van EZ hier zijn gaan draaien. Eerst vond men zoals uw commissie op 9 februari 1998, maar toen men er achter kwam dat dit nare consequenties had voor het opnieuw bekijken van de beoordeling over 1990, deed men de Raad de suggestie van die andere mening. Die juristen van POI hebben dus op enig moment meineed of valsheid in geschrifte gepleegd. Wie gaat dat aanpakken ? Mogelijk zijn hier verschillende personen bij betrokken, de ene jurist zei dit, de andere dat, maar mag ik dan deze verschillende personen voor uw commissie horen, is er dan geen verdeeldheid binnen EZ, en kunnen we dan uitzoeken wie uiteindelijk de baas is die hier meineed of valsheid in geschrifte pleegde ? Hopelijk kan ik erop vertrouwen dat uw commissie dit doorgeeft aan het Openbaar Ministerie ?

(12d)

Eventueel maakt de Raad dezelfde fout als EZ, door de uitspraak van de rechtbank van 1993 niet zorgvuldig te lezen t.a.v. onontvankelijkheid en ongegrondheid (door alleen naar de laatste pagina’s te kijken en niet het binnenwerk), maar het schijnt juridisch niet gebruikelijk te zijn om te veronderstellen dat de Raad fouten kan maken. Of zou het officiële standpunt van EZ kunnen zijn dat de Raad hier gedwaald heeft, en dat de ontslagkwestie weer heropend moet worden ?

(12e)

Een andere lezing is dat er verschil is tussen het ‘primaire besluit’ om mij met détournement de pouvoir (verwijzing naar artikel 58 ARAR) te verplaatsen en het ‘besluit op bezwaar’ om met détournement de pouvoir (verwijzing naar artikel 58 ARAR) deze verplaatsing te handhaven - en slechts het "handhaven" zou dan destijds voor vernietiging in aanmerking zijn gekomen.

Mijns inziens kan niet zo’n onderscheid worden aangebracht. "Handhaven" is alleen een ander woord voor dezelfde uitkomst. Het primaire besluit en het besluit op bezwaar zijn identiek, en derhalve ‘allebei’ vernietigd. Het besluit tot verplaatsing op grond van artikel 58 ARAR is vernietigd als een détournement de pouvoir. Het misbruik van artikel 58 ARAR is een détournement de pouvoir zowel primair als na bezwaar. Het besluit na bezwaar is ongewijzigd overgenomen van het primaire besluit. Er is dus geen verschil, ‘beide’ zijn vernietigd.

De Raad kan derhalve niet verwijzen naar het ‘primaire besluit’ van de verplaatsing op grond van artikel 58 ARAR. Dit bestaat niet.

Waar EZ geweigerd heeft een nieuw besluit te nemen, is in de daaropvolgende rechtsgang geconstateerd dat ik wel de facto maar niet de iure verplaatst ben. Er is dus geen juridische basis om iets anders te denken. In de brief van 18 oktober 2002 stelt EZ, en nu in zijn brief van 7 januari 2004 stelt D, dat het primaire verplaatsingsbesluit gelijk is aan het eerdere besluit dat mij is medegedeeld en dat tot de beroepsgang leidde, namelijk het besluit op grond van artikel 58 ARAR. Dit zo aanwijzen lijkt me niet terecht, want dit besluit is vernietigd.

Zou D gelijk hebben, en zou er in het recht inderdaad onderscheid gemaakt worden op basis van de naam die aan besluiten wordt gegeven en niet op basis van de inhoudelijke betekenis, dan ontstaan deze problemen:

Ik acht e.e.a. extra raadselachtig, omdat het ‘besluit op bezwaar’ t.a.v. artikel 58 identiek is aan het originele besluit. Wanneer het ene verworpen is, dan logisch ook het andere. Verder ken ik geen ander besluit.

(12f)

De Raad maakt gewag van een besluit dat ‘in stand is gebleven’, terwijl het besluit dat verwijst naar artikel 58 ARAR juist vernietigd is. Uitgaande van de wijsheid van de Raad moet de conclusie wel luiden dat EZ aldus een verkeerd besluit als het gezochte primaire besluit aanwijst.

Klaarblijkelijk verwijst de Raad dan in zijn wijsheid naar een ander ‘primair besluit op grond van artikel x ARAR’, met x ongelijk aan 58, waarvan mij vooralsnog kennis van het bestaan is onthouden.

Het gaat dan om een besluit c anders dan a = b waarvan ik nog niet op de hoogte ben gesteld.

Derhalve verzoek ik D om mij dit besluit c mede te delen opdat ik kan overwegen of ik in beroep wil gaan.

EZ moet mij aldus nog steeds op de hoogte stellen van een klaarblijkelijk nog bestaand primair verplaatsingsbesluit, zodanig dat mij de mogelijkheid van beroep openstaat. Iemand veroordelen tot iets zonder de mogelijkheid van beroep toe te staan is een inbreuk op de fundamentele grondrechten. Ik verzoek D mij dit ‘primaire besluit’ mede te delen, zodanig dat ik daartegen beroep kan aantekenen.

Voor de goede orde memoreer ik dat indien mij kennis van dit ‘primaire besluit’ wordt onthouden, e.e.a. vatbaar is voor toetsing aan het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, met name artikel 6 en artikel 13.

Artikel 6 - Recht op een eerlijk proces

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Artikel 13 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

(12g)

Om misverstanden te vermijden verzoek ik uw commissie om mr Kalk als getuige op te roepen (danwel uit te nodigen), die het rechterlijk vonnis uit 1993 geschreven heeft.

(12h)

Hier tussendoor speelt nog dat de juristen van EZ verwarring scheppen ten aanzien van de verplaatsing uit de fysieke kamer en de verplaatsing uit werk en afdeling. Doordat de kamer niet meer van belang lijkt doordat ik bij het CPB ontslagen ben, kan POI de kwestie bagatelliseren, terwijl de kwestie van de verplaatsing uit werk en afdeling de rechtspositie raakt en heeft plaatsgevonden met leugens en machtsmisbruik waardoor ook de integriteit van de wetenschap is geraakt. POI zou kunnen luisteren en ruiterlijk kunnen erkennen dat het mij steeds om dat laatste gaat, maar nee, eerst dwingt men mij tot enkele vruchteloze rechtsgangen om te proberen die verwarring t.a.v. de ‘kamer’ uit de wereld te krijgen, en wanneer dit vruchteloos blijkt (AWB 98 / 2424) verwijst men nu naar de vruchteloosheid van die pogingen. Ik kan dit niet fatsoenlijk achten. Het is werkelijk niet aan de orde om de rechtsgang die verwatert door de bewust aangebrachte verwarring over de fysieke kamer aan te dragen als bewijslast ten aanzien van de rechtspositie.

(12i)

De Raad schrijft ook:

"Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantasbaar. Daarvan uitgaande is de materiële grondslag (...) dat appellant na zijn verplaatsing zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, niet aangetast." Volgens de correcte redenering zijn echter zowel de beslissing op bezwaar als het primaire besluit vernietigd (daar zij identiek zijn). Daardoor staat wel degelijk de mogelijkheid open dat de beschuldigingen van D t.a.v. het functioneren geen materiële grondslag hebben.

Hoe kan de Raad zo’n ‘materiële grondslag’ constateren terwijl deze niet in een besluit is vastgelegd dat openstaat voor hoor en wederhoor ? Het zou toch onzinnig van me zijn om zo’n ‘grondslag’ te accepteren zonder om een besluit daarover te vragen waarvoor beroep open staat ?

De Raad oordeelt over een ‘materiële grondslag’ zonder besluit met hoor en wederhoor, en handelt aldus in strijd met bovenaangehaald Artikel 13 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

De Raad heeft geconstateerd dat ik de iure niet verplaatst ben maar de facto wel, zodat men naar een verklaring heeft moeten zoeken. Men zoekt die verklaring in een ‘materiële grondslag’ die blijkbaar gedekt kan worden door een ‘primair besluit’ dat na vernietiging uit de as herrijst en toch weer een juridische dekking voor die materiële grondslag geeft. Dit is erger dan een dwaling van het recht.

(12j)

PM. Enkele passages uit eerdere stukken, enigszins bijgewerkt:

Ik heb steeds gesteld dat ik nog geen gelegenheid heb gehad om mij tegen beschuldigingen omtrent de verplaatsing te verdedigen. Ik wil gaarne weten wat het officiële besluit is. Waarom besloot D dat ik verplaatst moest worden ? Wanneer ten aanzien hiervan een besluit wordt genomen, dan kan ik mij daartegen verdedigen. Ja, er zijn beweringen in de wandelgangen, en de chef heeft in de zitting voor de bezwarencommissie gelogen, maar er bestaat geen besluit waar beroep voor openstaat. Ik heb EZ voortdurend in de gelegenheid gesteld om een besluit te nemen omtrent de reden waarom ik verplaatst moest worden. EZ heeft besloten geen nieuw besluit te nemen, en een uitspraak van EZ ter zitting was dat ik weer op het CPB zou werken indien ik niet inmiddels ontslagen was. Waar Raad stelt: "Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantastbaar" en waar er geen onderscheid is tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar, betekent dat dat ik officieel niet verplaatst ben ! Dit impliceert dat er geen noodzaak was om mij te verplaatsen, en derhalve kan ik accepteren dat er de iure geen verplaatsing bestond.

Dat er geen reden was om me te verplaatsen, is m.i. ook een nieuw feit dat aanleiding geeft de ontslagkwestie te herzien. Hoe kan er een ‘materiële grondslag’ bestaan wanneer die niet genoegzaam wordt gedekt door jurisprudentie ? De Raad gaat hieraan voorbij - en dat lijkt me dus een dwaling van het recht.

Merk op: t.a.v. het ontslag heb ik mij steeds verdedigd met het argument dat eerst duidelijkheid over de verplaatsing nodig is. Dat het ontslag inmiddels in rechte vast staat, terwijl het is gebaseerd op een verplaatsing die niet is onderbouwd en die geen juridische status heeft, is een dwaling van het recht.

In afwachting van de procedures heb ik anderhalf jaar lang loyaal op een kamertje apart gewerkt. In de stukken is terug te vinden dat mijn chef onjuiste informatie heeft verstrekt in verband met die verplaatsing, maar EZ doet daar niets mee, en een nieuw besluit wordt mij geweigerd. In de rechtsgang hierover wordt gesteld dat ik door de vernietiging van de verplaatsing eigenlijk ook ben teruggeplaatst, en dat ik gewoon weer op mijn afdeling zou werken indien ik inmiddels niet ontslagen zou zijn. Dit is een erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden. De verdere afwikkeling van dit punt verzandt procedureel, doordat rechters onvoldoende onderscheid maken tussen materiële verplaatsing uit een werkkamer en een verplaatsing uit functie en afdeling. De détournement de pouvoir had juist op dat laatste betrekking. De erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden is vervolgens wel een nieuwe feit (wanneer de juristen wakker worden t.a.v. wat dit inhoudelijk betekent) met ook gevolgen voor de beoordeling over die periode en de periodiek over dat jaar.

(12k)

D schrijft nog:

"Verder is van belang dat de Raad in 98/447 AW oordeelt dat de verplaatsing geen rol speelt bij de toetsing van de beoordeling." Dit is een verkeerde voorstelling van zaken. In mijn aanvullend beroepschrift van 12 december 2002 schreef ik dat reeds, maar POI luistert niet. Dit oordeel van de Raad geldt slechts voor de FPB over de periode tot januari 1990, aangezien de kwestie van de verplaatsing geldt voor april 1990. De kwestie is wel degelijk van belang voor de resterende periode en het ontslag. Overigens is mijn oordeel hier voorlopig, want ik ken het ‘primaire besluit’ c nog niet, waarvoor ik dus helderheid van D vraag.

(12l)

Ik verzoek u D op te dragen om alsnog adequaat te reageren en mij zo’n besluit c mede te delen, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen D en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(13) Punt B: de FPB voor 1 februari 1990 - 1 oktober 1991 (punt 2 uit de brief van D).

(13a)

Mijn positie t.a.v. de FPB is dat D de eigen toezegging gestand moet doen. Het is alleen een ‘verzoek’ in termen van beleefd taalgebruik, maar het komt neer om het gedaan krijgen van de toezegging.

In zijn brief van 28 januari 1990 (D8354 p1) aan mij schrijft onderdirecteur Den Hartog:

"Eind 1990 zal een Formele Personeelsbeoordeling worden opgemaakt over uw functioneren, waarbij de genoemde taakomschrijving als criterium zal dienen. De beoordelingstermijn zal ingaan per datum van deze brief en eindigen op een nader te bepalen datum in december 1990. Aan de hand van deze beoordeling zal worden bezien of een bevordering van U naar schaal 12 in overweging kan worden genomen." In zijn brief van 10 april 1990 (D8038 p1) aan mij schrijft directeur Zalm: "Voorts ben ik van mening dat de geadviseerde beheersbeslissing nl. om uw functioneren aan het eind van het jaar 1990 - met als achtergrond de u opgedragen taak (bijlage van brief D8354 dd. 28 januari 1990) een zorgvuldig advies is, hetgeen ik dan ook overneem." (sic) Deze FPB over 1990 heb ik evenwel nooit gezien.

Wanneer blijkt dat hij niet bestaat, moet hij maar opgemaakt worden.

Dat die FPB opgemaakt moet worden lijkt me voort te vloeien uit de toezegging. Ik doe geen nieuw verzoek of zo, het gaat slechts om het uitvoeren van wat is toegezegd.

Het bestuur heeft dit toegezegd, de bestuursrechter heeft slechts de rol om af te dwingen dat dit inderdaad gebeurt. De bestuursrechter kan dit niet eenzijdig intrekken.

Heeft het ontslag in 1991 opschortende werking t.a.v. de toezegging van D in 1990 om zo’n FPB te gaan maken ? Het lijkt me niet. Die toezegging is reeds aan mij gedaan: alleen ik zou kunnen besluiten dat het niet meer nodig is, en niemand anders. Het zou eigenrichting van D zijn, onrechtmatig, om die toezegging eenzijdig in te trekken. De bestuursrechter kan het gedrag van D hier niet pardonneren, dat zou deelname zijn in een onrechtmatige daad.

Mag ik mij voelen als de spreekwoordelijke burger wiens rechten onder zijn voeten weggestolen worden ?

(13b)

De rechtsgang t.a.v. deze FPB is door toedoen van D / POI / EZ wat verwarrend maar kan gezien worden in het raamwerk van de volgende logica.

Een van de gevolgen van de verplaatsing betreft de verkorte beoordeling over 1990 die er nog steeds van uit gaat dat ik verplaatst ben.

T.a.v. een verkorte beoordeling is geen beroep mogelijk, slechts t.a.v. een FPB.

Toen na enorme vertraging door EZ eindelijk in 1997 / 98 meer duidelijkheid ontstond omtrent het besluit ‘geen besluit te nemen t.a.v. de verplaatsing’, brak het moment aan om dan ook consistentie t.a.v. de beoordeling te krijgen.

T.b.v. deze consistentie verzocht ik: ‘over 1990 was een FPB toegezegd, laat deze dan maar zien’. Daarop heeft EZ zich verdedigd met: ‘deze FPB bestaat niet’. Daarop heb ik gezegd dat mijn verzoek vanzelfsprekend is te begrijpen als ‘als hij niet bestaat, maak hem dan maar’ - zoals een docent de studenten aan het begin van het semester zegt dat hij aan het eind scripties wil zien.

Mogelijk wekt het voor sommigen verwarring dat de toezegging van D t.a.v. de FPB de periode 1 februari 1990 - december 1990 betreft, terwijl ik in mijn brief van 4 april 2002 spreek over de langere periode 1 februari 1990 - 1 oktober 1991. Zoals aangegeven leek het me nuttig de hele periode maar samen te voegen. Maar mogelijk is het nuttig om toch het onderscheid aan te brengen:

(13c)

D / POI / EZ proberen verwarring te zaaien t.a.v. mijn bewoordingen. Mijn verzoek van 25 maart 1999 zou ‘niet in zodanige bewoordingen zijn gesteld dat verweerder had moeten begrijpen dat ik verzocht om alsnog een FPB op te maken’. De brief van D verwijst naar de uitspraak van de rechtbank AWB 99 / 7723 AW en van de CRvB 00/4386, die hier het standpunt van het bevoegde gezag overnemen.

Dit is een wonderlijk argument: in mijn bezwaarschriften bij deze zaken heb ik wel degelijk uitgelegd hoe mijn verzoeken zijn te begrijpen. Misschien heeft men het niet onmiddellijk begrepen, maar dat kan altijd hersteld worden. Ja, ik denk dat EZ het vanaf het begin goed had ‘moeten’ begrijpen: een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg, en gezien mijn kennis van de zaak had EZ ervan mogen uitgaan dat ik kon weten dat deze FPB denkelijk nog niet bestond. EZ had dit ook met een telefoontje bevestigd kunnen krijgen. Het had zelfs ook op de rechtszitting opgelost kunnen worden. (NB: T.a.v. de verwarring omtrent ‘ongegrond’ en ‘onontvankelijk’ hierboven ben ik EZ hier zeer terwille geweest door die duidelijkheid ter zitting te krijgen.) EZ kan dan toch gewoon het besluit herformuleren, en ingaan op de inhoud van het verzoek ?

Ik heb de rechtszaak tot en met de CRvB overigens niet gevoerd om te beargumenteren dat EZ dit had ‘moeten’ begrijpen. Ik heb slechts steeds uitgelegd wat de betekenis van mijn verzoek was toen mij duidelijk werd dat dit door EZ aan een enge interpretatie werd onderworpen. EZ koos er echter voor om niet de logische conclusie te trekken en de FPB dan te maken. Met onwillige honden is het moeilijk boeven vangen. Bijgevolg heb ik in 2002 een nieuw verzoek ingediend dat nu letterlijk vraagt om die FPB op te maken. Begrijpt verweerder het nu ?

PM. Toen EZ reageerde ‘de FPB bestaat niet’ had ik eventueel een apart nieuw verzoek kunnen indienen ‘maak hem dan’, maar ik schrok hiervoor terug omdat EZ de neiging heeft niet meer op mijn verzoeken te reageren, en dat leidt tot allerlei vertraging. Het leek me beter om gewoon uit te leggen wat de bedoeling van het geheel is. Het heeft ook zijn voordelen dat allerlei onderdelen van deze zaak die over diverse rechtslagen en datums verspreid raakten, weer bij elkaar zijn.

(13d)

De brief van D geeft de overweging dat deze FPB niet meer zou hoeven omdat ik inmiddels ontslagen ben.

Dat is niet aan de orde. Zoals gezegd, die toezegging is reeds aan mij gedaan: alleen ik zou kunnen besluiten dat het niet meer nodig is, en niemand anders. Het zou eigenrichting van D zijn, onrechtmatig, om die toezegging eenzijdig in te trekken.

Het ‘ontslag als ontbindende voorwaarde’ wordt ook genoemd door de rechtbank AWB 99 / 7723 AW en de CRvB 00/4386. Zij doen dit echter binnen de context van het hoofdonderwerp van de bewoording ‘laat maar zien’:

"Met de rechtbank constateert de Raad dat gedaagde op goede gronden heeft geweigerd inzage te verlenen in een eind 1990 opgemaakte FPB, reeds omdat zodanige FPB niet bestaat. Dat gedaagde het verzoek in kwestie had moeten opvatten als een verzoek om alsnog een FPB op te maken, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, vermag de Raad niet in te zien. In dit verband verwijst de Raad naar de overweging van de rechtbank dat gedaagde niet gehouden was alsnog tot een FPB over te gaan aangezien het ontslag van appellant rechtens onaantastbaar is." (00/4386 pag 3, punt 3) De focus is hier op de bewoording ‘laat maar zien’ en het argument omtrent het ontslag hangt er wat bij. De Raad "verwijst" naar een "overweging". Dat is vaag, want "verwijzen" is wat anders dan "onderschrijven", en een "overweging" is wat anders dan een besluit.

De Raad zegt in het geheel niets over de toezegging die D reeds zelf gedaan heeft. De kwestie is ook niet in die termen bij rechter en Raad besproken. Ik kan niet anders concluderen dat de Raad deze toezegging over het hoofd heeft gezien.

Het is onjuist van D om het te doen voorkomen dat de Raad heeft gekeken naar de oorspronkelijke toezegging en dat die gezien het ontslag vervalt. De stukken laten zulke stelligheid niet toe, en de Raad heeft duidelijk een heel andere focus gehad.

(13e)

Ik heb in deze kwestie een duidelijk belang. (Dat schijn ik ook steeds te moeten expliciteren.) De ontslagbrief met ontslaggrond geeft slechts een samenvattende en zoals gezegd deels vage conclusie van het functioneren. Een ruimere beschrijving van het functioneren, met blijkbaar negatieve maar mogelijk ook positieve kanten, blijft wel degelijk een afzonderlijk belang.

Merk op dat ik in die periode april 1990 - oktober 1991 loyaal op een kamertje apart heb gelezen en geschreven, terwijl de directie ondertussen mijn rechtspositie aantastte.

Met machtsmisbruik ben ik uit werk en afdeling geplaatst, en men moge zich realiseren dat ik mij van dat machtsmisbruik bewust was. Mijn functioneren is zwartgemaakt, ik ben in de positie gebracht dat ik collega’s dus ook moest vertellen wat D over mij beweerde, mijn economische analyse mocht niet besproken worden. Tegelijkertijd heb ik rustig verder gestudeerd, verschillende onderwerpen bekeken en beschreven, en ook mijn analyse uitgewerkt. Me dunkt dat mijn loyale functioneren in die periode toch ook in zo’n FPB gewaardeerd moge worden. Daarvan is in de ontslagbrief echter nog geen sprake.

De FPB is mij toegezegd. Ik heb er recht op. De directie houdt zich niet aan de afspraak. Nu krijg ik weer uitvluchten om de FPB niet op te maken.

Ik heb in 1991 nog niet aangedrongen om de toezegging gestand te doen omdat ik meende dat het logisch was om in de lopende procedure toch eerst duidelijkheid te krijgen omtrent de verplaatsing op 18 april 1990. Ik wil de lopende procedure niet al te zeer belasten. Maar nu de Raad aan zoveel misverstanden ten prooi valt, is zo’n verzoek verstandig, mede ook door het Nieuwe Feit (zie mijn eerdere uitleg) van de de iure erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden.

Had ik de toezegging van de FPB in 1991 aan de orde moeten stellen ? Ik heb mij destijds beperkt tot wat mij destijds juridisch logisch leek. Men kan niet in redelijkheid van me verlangen dat ik toen al van alles een punt maakte, dat zou juist onredelijk zijn. Ongetwijfeld zou de verplaatsing op incorrecte wijze in de FPB zijn terechtgekomen en dan had ik zowel t.a.v. de verplaatsing als de FPB tegelijk rechtszaken moeten voeren: dat zou de duidelijkheid niet bevorderd hebben.

Wanneer men vindt dat ik dat toen wel had moeten doen, dan lijkt me me dat een nieuw feit dat ik in 1990 had moeten weten, wat ik toen niet wist, dat dit zo gezien zou worden.

Ik ga er overigens vanuit dat de juridische aanpak van EZ steeds plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke directie van het CPB. Ik moet ervan uitgaan dat de regels op redelijke wijze worden toegepast - anders houdt het recht op.

(13f)

Er is geen enkel materieel bewijs dat ik niet goed zou hebben gefunctioneerd, noch t.a.v. de periode voor de verplaatsing, noch t.a.v. de verplaatsing zelf, noch nadien. Er zijn slechts beweringen van EZ. Deze beweringen zouden getoetst kunnen worden door onderzoek, maar die middelen heb ik niet, en tot mijn verbazing roepen rechters geen getuigen en deskundigen op (cq. uitnodigen). Bestaat er niet het fenomeen van de onderzoeksrechter ? Het enige wat ik kan doen is wijzen op de inconsistenties in de leugens van EZ. Wanneer de Raad daar geen aandacht aan besteedt, dan ben ik helemaal machteloos. N.a.v. de weigering van EZ om een nieuw besluit t.a.v. de verplaatsing te nemen, constateert de Raad terecht: "Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantastbaar." Dat ik de facto wel verplaatst ben maar de iure niet, daar kan ik dus niets aan doen, maar dat de iure is wel een nuttig Nieuw Feit. Maar dan concludeert de Raad ten onrechte: "Daarvan uitgaande is de materiële grondslag van het besluit van 17 januari 1991, te weten dat appellant na zijn verplaatsing zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, niet aangetast." Dit is ten onrechte, want hoe kan men uitgaan van een ‘materiële grondslag’ wanneer die niet in een besluit is vastgelegd zodanig dat daar beroep voor open staat ? De Raad gaat aldus geheel voorbij aan het Nieuwe Feit (zie mijn uitleg) dat de iure is ontstaan. Men negeert de nieuwe rechtssituatie dat ik juridisch niet verplaatst ben. Men negeert de tegenstrijdigheid met andere besluiten zoals over de periodiek over 1990 die wel van verplaatsing uitgaan. Dit staat loodrecht op logica en rechtsgevoel. Ik heb een uitermate zwakke positie, en het enige wat ik kan doen is aandacht vragen is de consistentie. Wanneer de Raad daar geen oog voor heeft, dan houdt het recht op.

(13g)

Het is usance dat er bij (onvrijwillig) ontslag een FPB wordt opgemaakt. Overigens heeft D mij bij het ontslag niet verteld dat men tegen deze usance inging, ik hoorde dat pas bij de rechtszitting over het ontslag toen de rechter of Raad daar melding van maakte. Hoe dan ook heb ik dat argument hierboven niet gebruikt maar ik denk wel dat dit de bron is van het misverstand en dat de Raad er wel uit eigen beweging naar verwijst in het bovenaangehaalde citaat.

Ik zie nog steeds geen aanleiding dat argument te gebruiken. Maar het is wel nuttig om te vermelden dat het wonderlijk blijft dat bij mijn ontslag geen FPB is opgemaakt - en dit is eerder ook door de Raad bekritiseerd.

Aldus is er omtrent het ontslag niets bekend omtrent het functioneren dat vatbaar is voor beroep, behalve de ontslaggrond zelve en de ontslagbrief met een vage omschrijving.

Ik heb steeds gemeend dat het logisch was om eerst de verplaatsingskwestie helder te krijgen voordat over deze toegezegde FPB over de periode na januari 1990 gesproken hoefde te worden.

Tot mijn spijt heeft EZ deze logica niet gevolgd. Eerst is een nieuw besluit over de verplaatsing toegezegd, toen is het vertraagd, en toen kwam na jaren het ‘besluit geen nieuw besluit te nemen’.

Toen kwam vast te staan dat ik in 1990 de iure niet verplaatst ben, was er natuurlijk een gevolg voor de zogenaamde ‘verkorte beoordeling’ over 1990 die er nog steeds van uit gaat dat ik wel verplaatst ben. Merk op: Tegen zo’n ‘verkorte beoordeling’ staat echter geen mogelijkheid tot beroep open. Dat geldt alleen voor een FPB.

De FPB is mij toegezegd, laat hij opgemaakt worden.

(13h)

Ik verzoek u D op te dragen om alsnog adequaat te reageren en de FPB (s) op te maken, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen D en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(14) Punt C: de FPB voor 1 januari 1989 - 31 januari 1990 (punt 1 in de brief van D).

(14a)

Van belang is hierbij ook mijn brief van 5 september 2003 n.a.v. de uitspraak van de Rechtbank d.d. 22 juli 2003 AWB 02/02004 BESLU. Ik stel namelijk:

"Ter zitting heeft de rechter ook een juridische ‘impressie’ gegeven ten aanzien van mijn eerste verzoek t.a.v. de FPB voor de periode van 1 januari 1989 - 31 januari 1990. Het zou heel goed kunnen, ik ben vanzelfsprekend zeer beperkt in mijn juridische mogelijkheden, dat de Centrale Raad wel degelijk een oordeel heeft geveld, dat slechts vernietigd kan worden door de Europese Rechter. Mijn verzoek aan u tot het opmaken van de FPB kan zich dan ook als volgt vertalen: (a) een versterking van het (andere) verzoek om middelen beschikbaar te stellen om deze stap naar de Europese Rechter te maken, (b) het verzoek om mijn lezing te onderschrijven, dat de Centrale Raad niet onaangekondigd een FPB mag vaststellen als dit niet aan de orde is, en dat voor vaststelling getuigen gehoord moeten worden. Bij (b) kunt u altijd zelfstandig overgaan tot herzien van dit FPB danwel opstellen van een nieuw FPB.

Mijn verzoek is of u met de brieven van 29 maart 2002 en 4 april 2002 ook deze huidige brief en de stukken voor de rechtbank aan de bezwarencommissie toestuurt. Welbeschouwd zou de bezwarencommissie de beschikking moeten hebben over het hele dossier."

(14b)

Ik kan hieronder onderscheid maken tussen (14c) een formele analyse van de uitspraak van de Raad en (14d) het argument t.a.v. de wijze van behandeling.

(14c)

(14c1)

D / POI / EZ kiezen voor deze redenering:

"Het hoger beroep heeft geleid tot uitspraak 98/447 AW, waarin de Raad (1) de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank ‘s-Gravenhage vernietigt, en (2) de beslissing van 28 mei 1997 (alsnog) inhoudelijk beoordeelt én dit besluit in stand laat." Dit is een interpretatie van de uitspraken van de Raad.

Men moet wel kijken wat de Raad precies besluit, en hoe de vernietigde uitspraak luidt.

(14c2)

De uitspraak van de Raad (98 / 447) omtrent de uitspraak van de rechtbank (AWB 97 / 2348) kan geanalyseerd worden middels propositionele logica. Dit laat zien dat de Raad een tegenstrijdigheid veroorzaakt. We hebben de volgende proposities:

  1. De rechtbank: "verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 1997 ongegrond."
  2. De Raad: "Vernietigt de aangevallen uitspraak."
  3. De Raad: "Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond."
Op basis van (a) en (b) moet men concluderen dat het beroep niet-ongegrond is.

Dit is echter in strijd met (c) dat het beroep ongegrond zou zijn.

Want een propositie kan niet zowel niet-ongegrond als ongegrond zijn.

De Raad schept aldus een logische tegenstrijdigheid.

(14c3)

Indien de Raad (c) had gewild, dan had men onder (b) de uitspraak moeten herbevestigen en niet moeten vernietigen. Wat vernietigd is, kan men niet in stand laten.

(14c4)

Mogelijk bedoelde de Raad dat men de motieven van de rechtbank vernietigt, en niet de uitspraak. Maar dat staat er niet.

(14c5)

Misschien verschilt het juridisch taalgebruik weer zodanig van het ABN dat inmiddels een nieuwe taal is ontstaan, maar dit lijkt me in strijd met de wet op het aantal talen dat in Nederland erkend wordt.

(14c6)

Waar de Raad deze tegenstrijdigheid schept, kan de redenering van de Raad nagelopen worden in tijd en logica, en de redenering is dan te stoppen bij de laatste aanname die de tegenstrijdigheid veroorzaakt. In de tijd en logisch (‘alsnog’) komen eerst (a) en (b). Hier is (b) ook vastgesteld door de hoogste autoriteit. Derhalve is het beroep niet-ongegrond.

(14c7)

Uitgaande van ontvankelijkheid, neem aan dat er drie mogelijkheden zijn: gegrond, ongegrond, en onbeslist. Er is de logische equivalentie:

Het beroep is gegrond Û Het besluit is vernietigd

Wanneer niet-ongegrond (op basis van (a) en (b)) ook gegrond betekent, dan is de FPB vernietigd.

Wanneer niet-ongegrond (op basis van (a) en (b)) slechts ‘gegrond of weer onbeslist’ betekent, dan blijft een contradictie met (c) bestaan omdat hier voor ‘beslist en ongegrond’ gekozen wordt. Wat wel weer consistent is, is volgtijdelijk kiezen voor ‘beslist’, en dus niet ‘onbeslist’. Immers, de Raad meent dat de zaak ‘geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft’. Derhalve is het beroep wederom gegrond en is de FPB wederom vernietigd.

Ik zie me aldus gerechtvaardigd om te concluderen dat de FPB vernietigd is.

(14c8)

De opmerkingen van de Raad over de inhoud van de beoordeling zijn in formele zin aldus slechts te beschouwen als een weergave van de indruk die Raad heeft gekregen op grond van het ter zitting beperkt voorliggende documentatie. De Raad meent genoeg te hebben gezien - ook al heeft men de getuigen nog niet opgeroepen. Mijn indruk is dat men erg de behoefte heeft gevoeld deze (voorbarige) indruk op schrift te stellen, mogelijk met de goede bedoeling om eventuele verdere processen te voorkomen. Maar al deze bedoelingen laten bovenstaande logische deductie onverlet.

(14c9)

Formeel zie ik aldus de conclusie dat de beoordeling vernietigd is. Aldus moet EZ een nieuwe FPB opmaken. Merk op dat voor het opstellen van de juiste beoordeling ook een onderzoek naar de afdeling nodig is, welk onderzoek tot nu toe steeds geweigerd is. E.e.a. zal bevestigen dat de vernietigde beoordeling inderdaad geen stand kon houden.

(14c10)

Problematisch is de dwaling van de Raad t.a.v. (c). Dit is geen manier om een nette wetenschapper te behandelen. Het valt weer op dat het EZ klaarblijkelijk niets kan schelen dat het recht zo dwaalt.

(14c11)

Ter verheldering van dit punt zou ik D willen vragen welke FPB nu dan rechtsgeldig zou zijn: Die met de gedeelde scores of die met de tussentijds gewijzigde scores ? Beide zijn vernietigd !

PM1. T.a.v. beide varianten van deze FPB voor deze periode geldt dat zij geen ontslag onderbouwen. In oktober 1989 kreeg ik twee periodieken, en door het verschuiven van de periodiek-data zou ik in maart 1990 wederom twee periodieken krijgen. Bij de directie ontstond een aarzeling over deze opeenstapeling van periodieken. Dat kan ik allemaal wel begrijpen, maar het probleem ontstond dat de chef verwees naar de inhoud van mijn notitie van november 1989. Zo’n koppeling kan niet gelegd worden. De discussie werd nogal schimmig, en toen heb ik een FPB aangevraagd. Deze staat nog steeds een periodiek voor maart 1990 toe. Misschien is het nuttig dat nog wel even te noemen.

PM2. Waar in deze schimmige discussie ook gesteld werd dat de bevordering wel eens niet door zou kunnen gaan, met verwijzing naar genoemde notitie, is het punt geherformuleerd. Het gaat er nu om of reeds deze FPB een bevordering naar schaal 12 onderbouwt. Eerst beweerde de directie dat een bevordering niet aan de orde was, in beroep is aangetoond dat dit wel het geval was, en nu is de vraag aan de orde of het functioneren het mogelijk maakt. Het lijkt me nuttig dat dit wordt vastgesteld, niet alleen omdat het waar is, maar ook om verdere onzekerheid te vermijden. Voor het functioneren van een wetenschapper is het gewenst dat zijn bevordering niet afhangt van de inhoud van zijn analyse.

(14d)

(14d1)

Bij de zitting van de Raad 98 / 447 stond de uitspraak van de rechtbank AWB 97 / 2348 op de agenda, en niet de inhoudelijke toetsing van de FPB.

Op de agenda stond dus alleen de formele redenering van de rechtbank om juist géén toetsing te plegen.

Ik wijs erop dat de Raad diverse redenen geeft om die formele redenering van de rechtbank inderdaad te herzien.

Ik vind het niet gepast dat men mij dwingt dat ik mijn tijd verdoe met al deze formele zaken, terwijl onderzoek van de afdeling wordt afgehouden.

In ieder geval, van mijn kant is bij deze Raad geen bodem-procedurele inhoudelijke verdediging ter zake gevoerd, en de Raad dwaalt door dit wel te veronderstellen.

Waar de rechtbank reeds eerder dwaalde door de inhoudelijke verdediging te negeren met incorrecte formele redeneringen (welke overigens waren geopperd door EZ), dwaalt de Raad nu door te denken dat die verdediging reeds ten volle gegeven is en ook ten volle door de rechtbank (-en) gewogen.

Ik heb bij de Raad gesproken over de uitspraak van de rechtbank en over de formele redenering die de rechtbank heeft gegeven om niet inhoudelijk te toetsen. Ik heb bij de Raad geen bodem-procedurele inhoudelijke verdediging gevoerd t.a.v. het besluit van EZ van 28 mei 1997.

Vanzelfsprekend ga ik niet bij de Raad een zaak voeren welke niet aan de orde is. Het zou ook in strijd zijn met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ik verwijs hierbij naar de uitspraak van de Raad zelf (AW 1994/7-10 in deze zaak, en met name pagina 5) waarin de Raad zelf aangaf, met verwijzing naar het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, dat niet tussentijds ter zitting scores kunnen worden veranderd. Nu zou tussentijds een hele beoordeling worden vastgesteld ! Op dezelfde wijze zou men toch niet zomaar het onderwerp mogen veranderen ?

(14d2)

Laat ik twee punten noemen die bij de zitting van de Raad niet ter sprake zijn gekomen. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, 97 / 2348 AW d.d. 20 maart 1998, waarvan de tekst me in het algemeen nogal knullig overkomt, laten zich in ieder geval twee beweringen van EZ vaststellen (laatste pagina):

  1. EZ: "Het feit dat de verkorte beoordeling een beter beeld geeft van het functioneren van de heer Cool komt omdat er vier maanden tijd zit tussen de verkorte beoordeling en de definitieve beoordeling. In die tijd is er veel veranderd."

  2. Mijn reactie: Uit de verslagen van de afdeling valt op te maken dat zaken in die periode juist verbeterd zijn door het invoeren op mijn initiatief van gestructueerd werkoverleg. Dit is bij de medewerkers ook na te vragen. Ongetwijfeld zal D hierover moeten oordelen, maar het kan niet zo zijn dat D’s oordeel in strijd is met de feiten en nog in te winnen getuigenissen.
  3. EZ: "De analyse die de heer Cool gemaakt heeft over de werkloosheid viel niet binnen de werkzaamheden van de heer Cool, en is dan ook als zodanig niet meegenomen in de beoordeling van het functioneren van de heer Cool."

  4. Mijn reactie: Het onderwerp van de werkloosheid valt wel degelijk binnen de lange termijn studie waaraan ik werkte. De notitie van november 1989 is in overleg met de chef en HAC tot stand gekomen. Mogelijk zegt de advocaat van EZ maar wat, en zet de rechtbank zo op een dwaalspoor, of dit is werkelijk zo: maar dan is de FPB onvolledig.
(14d3)

Waar ik deze kwestie nu voorleg aan de commissie is het natuurlijk een heikel punt dat een lagere orgaan mogelijk niet bevoegd zou zijn om te treden in de overwegingen van de Raad.

Het blijft nuttig het probleem wel te noemen. Eventueel is een gang naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nodig, maar dan wel nadat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput. Het punt kan op zijn minst worden voorgelegd om te doen blijken of de kwestie inderdaad uitgeput is (zoals D / POI / EZ inderdaad reeds beweert).

(14d4)

In een bepaald opzicht is de commissie echter een hoger orgaan dan de Raad. De commissie bevindt zich in de boezem van EZ en kan de minister adviseren juist te retireren op stellingnames die de Raad als gegeven moet beschouwen.

Voor de juristen van POI kan gelden dat zij een taakstelling hebben gekregen, zodat het hun er nog slechts om gaat om bij de Raad te ‘winnen’, met welke oogkleppen op dan ook. Die oogkleppen zijn voor de Raad evenwel de officiële bevindingen van het bevoegde gezag, en deze lijken vaak zwaarder te wegen dan de bevindingen van de eenvoudige wetenschappelijke medewerker die een probleem ziet ten aanzien van de integriteit van de wetenschap.

Voor de commissie bestaat in principe echter de vrijheid de bevindingen van de Raad die voorliggen te evalueren, en de commissie kan zich beraden over de vraag of dergelijke oogkleppen de waarheid teveel in de weg hebben gezeten.

De commissie zou kunnen vinden dat het inderdaad ongewenst is dat de Raad de FPB inhoudelijk gaat beoordelen terwijl dit niet op de agenda stond en terwijl hiervoor geen verdediging is gevoerd.

(14d5)

De Raad geeft zelf aan dat een inhoudelijke toetsing in de loop der jaren is gemangeld. In 2.2 kan de Raad het oordeel van de rechtbank niet volgen:

Dat de inhoudelijke toetsing in de loop der jaren is gemangeld vindt zijn oorzaak in het feit dat uw commissie ter zitting scores is gaan veranderen. Dit heeft geleid tot een nogal complexe procesgang. De kwestie is nog steeds niet goed geregeld. Tenslotte dient ook de afdeling nog onderzocht.

(14d6)

De Raad meent plots zelf voldoende geïnformeerd te zijn:

"2.1. Allereerst overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet om het verzoek van appellant om de behandeling van het geding aan te houden voor nader onderzoek te honoreren, nu hij zich op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht."

"2.3. (...) Aangezien de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft zal de Raad een oordeel geven over de inhoud van de bestreden beoordeling."

Dat ‘aangezien’ geldt slechts de meningsvorming binnen de Raad, en er valt in de stukken geen voorgaand gegeven of redenering te zien. Waarop is dat ‘aangezien’ gebaseerd ?

De Raad heeft de kwestie van de verplaatsing verhaspeld, heeft men echt scherp gekeken of er toch geen aanleiding was om het onderzoek te houden ? En mijn verdediging ter zitting is gevoerd t.a.v. de formele procesgang en niet de inhoud: hoe kan men dan menen genoeg te weten ?

Tevens stelt de Raad een terughoudende toets uit te voeren - zie paragraaf 3 in de uitspraak - en dat zou men toch onjuist moeten achten, aangezien de bodemprocedure ontbreekt want door de rechtbank juist afgehouden. Verwijzing naar de bodemprocedure van de tussentijds aangepaste beoordeling is niet correct, want deze beoordeling is nu juist anders.

Met dit soort rechtsgangen raken wetenschap en recht in het gedrang.

In de uitspraak van de Raad vind ik mijn standpunt t.a.v. de FPB ook zeer verhaspeld terug. Mij worden visies in de schoenen geschoven die ik in het geheel niet onderschrijf. Bijv. is de suggestie in 3.5 dat ik een verband zou leggen tussen de FPB en de verplaatsing, evident absurd, want beide betroffen toch een andere periode !

(14d7)

D zou het met me eens kunnen zijn.

D schrijft echter: "In uw brieven toont u niet aan dat voornoemde besluiten evident onjuist zijn, noch draagt u feiten of omstandigheden aan die bij de eerdere besluitvorming en daaropvolgende beroepsprocedures geen rol hebben gespeeld. Gelet hierop en gelet op alle bovengenoemde rechterlijke uitspraken weiger ik om terug te komen van deze eerdere besluiten."

De omstandigheid die ik aandraag is dat de Raad in strijd handelt met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, omdat men plots de agenda van een formele behandeling van de uitspraak van de rechtbank heeft uitgebreid met een inhoudelijk oordeel over de FPB. Dat dit gebeurde is me ook niet ter zitting verteld, daar kwam ik pas achter toen ik de uitspraak ontving.

D kan menen dat dit niet uitmaakt, omdat D tevreden is met de bevestiging door de Raad van de FPB. Dit is dan echter resultaat-voetbal.

Liever zou ik zien dat D pal staat voor een zorgvuldige uitvoering van de beroepsprocedure voor de medewerkers.

Uw commissie zou D hier kunnen corrigeren. Bijvoorbeeld zou u de minister kunnen adviseren de FPB als vernietigd te beschouwen en deze opnieuw doen vaststellen met de mogelijkheid van bezwaar. Vervolgens dien ik weer bezwaar in en kunnen we door middel van onderzoek en het horen van deskundigen en getuigen vaststellen wat ervan overblijft.

Of anders middelen ter beschikking stellen en naar het EHRM. Zie hiervoor ook het eerder gestelde.

(14e)

Ik hoop dat uw commissie niet alleen de formele weg (14c) volgt maar ook de wijze van behandeling (14d) bekritiseert. U kunt natuurlijk ook de weg van D / POI / EZ volgen, maar te prefereren lijkt me dat de FPB op een correcte wijze wordt vastgesteld.

(14f)

Ik verzoek u D op te dragen om alsnog adequaat te reageren en de FPB op te maken, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen D en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.
 
 

(15) Punt D: de middelen (punt 4 in de brief van D).

(15a)

Ik verwijs naar artikel 69 ARAR, zie de versie SDU 1990, ISBN 90 12 064740, ‘bijgewerkt tot 1 januari 1990’, mij destijds uitgereikt:

"Door Ons kan worden bepaald, in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zal worden verleend." In dit artikel wordt niet expliciet aangegeven dat een ambtenaar hierom kan verzoeken. Het recht van petitie is meen ik echter reeds in de 15e eeuw verleend.

Me dunkt dat D op grond van dit artikel inhoudelijk op de kwestie moet ingaan en dat men niet kan volstaan met het voor kennisgeving nemen van mijn brief. Gaarne zag ik het verzoek beoordeeld vanuit de integriteit van de wetenschap.

Eventueel meent men dat ik inmiddels ontslagen ben en daarom geen beroep meer kan doen op dit artikel, maar dit beroep wordt gedaan in het kader van de onderhavige procedure die loopt sinds 1989.

(15b)

Van mijn verzoek tot nader onderzoek door wetenschappers en middelen om de zaak voor te leggen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heb ik zelf aanvankelijk onmiddellijk aangegeven dat ik daarvoor geen expliciete rechtsgrond zag. Inmiddels laat zich artikel 69 ARAR noemen.

Ik ga ervanuit dat de juristen van POI / EZ altijd kennis hebben gehad van artikel 69 ARAR, zodat de rechtsgrondslag geen probleem zou hoeven zijn.

Na de uitspraak van de Raad achtte ik het nuttig om D cq. de minister van EZ als de minister verantwoordelijk voor het functioneren van het CPB in de gelegenheid te stellen om dit verzoek te honoreren. Al te licht zou het misverstand kunnen ontstaan dat ik tevreden zou zijn met de kwaliteit van de rechtsgang of met de stand van zaken of dat er m.i. geen sprake zou zijn van breidel van de wetenschap, of dat de mening van externe wetenschappers er verder niet toe zou doen. Ik kan me voorstellen dat een directeur of een minister, die de zorg voor de integriteit van de wetenschap dierbaar is, op het verzoek ingaat, of dat een bezwarencommissie van EZ daarover een verstandig advies doet. Dat ik het verzoek doe lijkt me alleszins netjes, en ik betreur het dat D in de brief van 7 januari 2004 cq. EZ in de brief van 18 oktober 2002 de zaak zo afdoet en de rechtsgang van deze casus ‘uitputtend’ noemt. Het is een lange en moeizame rechtsgang, met de nodige tegenwerking van de juristen van EZ, en de kwestie lijkt me nu juist niet uitputtend behandeld nu een stap naar de Europese rechter nodig lijkt.

(15c)

D stelt:

"(...) hecht de Minister van Economische Zaker er aan om het dossier van alsmede de correspondentie met u als gesloten te beschouwen. Aan u is in dat kader derhalve medegedeeld dat de Minister van Economische Zaken uw brieven betreffende de kwestie van uw ontslag voortaan voor kennisgeving aanneemt. Hieromtrent heeft de Arrondissementsrechtbank geoordeeld inzake AWB 00/06821 (...)"

"Gelet op het feit dat u reeds eerder is medegedeeld dat de Minister van Economische Zaken uw brieven betreffende de kwestie van uw ontslag voortaan voor kennisgeving aanneemt en bovengenoemde rechterlijk oordeel omtrent deze handelswijze neem ik uw vierde verzoek slechts ter kennisgeving aan."

De brief is destijds overigens geschreven door D zelf.

Van belang is dat de rechtbank in genoemd besluit heeft gesteld dat de rechtbank geen algemeen besluit kan nemen dat D cq. EZ altijd moet reageren. D cq. EZ hebben een eigen discretionaire bevoegdheid. Wel heeft de rechter ter zitting opgemerkt dat altijd de mogelijkheid openstaat om een punt t.a.v. het AWB aan de orde te stellen. D kan derhalve niet naar 00/06821 verwijzen alsof deze uitspraak van de rechtbank zou sanctioneren dat men niet langer adequaat reageert.

Dat D hier een eigenzinnige lezing aan 00/06821 geeft wordt bevestigd door de uitspraak van de rechter in 02 / 2004:

"(...) en dat derhalve reeds eerder aan eiser te kennen is gegeven dat met hem over deze kwestie niet langer zal worden gecorrespondeerd. Verweerder verwijst daarvoor ook naar een uitspraak van deze rechtbank van 8 augustus 2000, reg.nr. AWB 00/06821 gewezen tussen dezelfde partijen waarin de rechtbank deze optstelling van verweerder heeft gesanctioneerd. In dezelfde uitspraak heeft de rechtbank evenwel opgemerkt dat, indien eiser in de toekomst aan verweerder een verzoek zou doen tot het nemen van een besluit in de zin van de Awb (...) de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat." Zoals hierboven aangegeven is wel degelijk een basis in het ARAR aanwezig. En het ARAR mag bij de juristen van POI / EZ bekend verondersteld worden, zie ook het détournement de pouvoir t.a.v. artikel 58.

(15d)

Het is overigens wrang dat D nu naar de uitspraak 00/06821 refereert. Deze uitspraak kwam tot stand nadat ik de directie van het CPB had verzocht of men medewerking wilde verlenen om deze casus van de wetenschappelijke integriteit voor te leggen aan de in die periode nieuw opgerichte Commissie Integriteit Rijksoverheid (CIR). De directie wenste niet te reageren, schreef mij dat men niet meer zou reageren. Ik vond mijn verzoek alleszins redelijk, en ik vind nog steeds dat een wetenschappelijk medewerker van het CPB van de directie van het CPB ondersteuning mag verwachten voor borging van de integriteit van de wetenschap, ook richting CIR. Het is jammer dat de rechter niet vond dat de directie niet op dit verzoek hoefde te reageren. Merk op dat ik de kwestie reeds in die termen aan de orde stelde in mijn brief in 1990 aan plv. secr. Weck - die de kwestie echter beschouwde als een taak van de bezwarencommissie. Overigens heeft de CIR nadien bemoeienis afgewezen omdat ik inmiddels geen ambtenaar in de zin van het ARAR zou zijn - terwijl de CRvB mij in die periode nog wel zo behandelde, en het dezelfde zaak betrof. Het Rijk maakt hier een wonderlijk doolhof van, maar me dunkt niet adequaat voor de integriteit van de wetenschap.

(15e)

Ik verzoek u D op te dragen om alsnog adequaat te reageren en mij genoemde middelen te verstrekken, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Opdat het geen vestzak-broekzak wordt tussen D en EZ, is de boete aan mij over te maken, giro 3736767.

( 16 ) Ter afsluiting

In de rechtspraak zijn er gangbaar de risico’s van het veroordelen van een onschuldige of het vrijspreken van een schuldige.

Volgens D / POI / EZ is er geen kans op het eerste, en men bezweert u dat dit laatste risico heel erg omvangrijk is.

Ik heb steeds gevraagd om onderzoek van de kwestie en adequate besluiten op grond van feiten die vastgesteld worden na onderzoek. Hopelijk is inmiddels voldoende naar boven gekomen om me serieus te gaan nemen. Het lijkt me dat ik als medewerker en econometrist van het Centraal Planbureau in staat gesteld moet worden om mijn economische analyse en advies tot een parlementaire enquête met belangstellende collega’s te bespreken zodat de publicatiegang van mijn artikel voortgezet kan worden. De directie houdt dit met machtsmisbruik tegen. Ik verzoek u: maak dat machtsmisbruik ongedaan.
 
 

Met vriendelijk groet,
 

Thomas Colignatus / Thomas Cool

http://thomascool.eu

Bijlage 1: Lijst der stukken, versie 23, 1 Maart 2004

Bijlage 2: Thomas Cool en Hans Hulst, "De ontketende kiezer", Rozenberg publishers 2003
 

--------------
Voetnoten

(1)

PM. In de stukken bij deze zaak circuleren twee “FIF” versies: neem vooral toch de goede. Personeelszaken heeft ooit abusievelijk een deel van de FIF voor de statistisch medewerker ingediend (zie de lijst der stukken 1990-05-14) voor die van een wetenschappelijk medewerker.

PM. In de stukken wordt regelmatig gesteld dat ik niet zou weten dat er een onderscheid is tussen een wetenschappelijk medewerker op de universiteit en op het CPB. Dat is een pertinent verkeerde voorstelling van zaken. Het gaat mij om een adequate vervulling van de functie op het CPB, in het kader van het FIF en vanuit het oogpunt van de integriteit van de wetenschap. Het is denkelijk nuttig om hier te refereren aan de Memorie van Antwoord bij de instelling van het CPB, de “Voorbereiding van de vaststelling van een Nationaal Welvaartsplan”: “De aard der werkzaamheden van het Planbureau, waarbij de wetenschappelijke en zelfstandige arbeid de grootste plaats inneemt, leidt er toe, dat de verhouding tusschen hooger en lager personeel op dit bureau anders ligt dan gewoonlijk bij ambtelijke organisaties het geval is.” Ik zie rechters hier onvoldoende rekening mee houden.

(2)

PM. In een van de rechtszaken (96 / 1591) heeft een rechter vastgesteld dat D bevoegd is de publicatie van een artikel tegen te houden. Dit is echter niet aan de orde. In de rechtszaak heb ik de rechter uitgelegd dat ik de kwestie van de publicatiegang ter toetsing aan de rechter heb voorgelegd toen de directie het verschijnen van reeds een interne notitie verbood. In een later stadium na discussie bij de bezwarencommissie mocht die interne notitie wel verschijnen. Ik heb nu nog slechts een concept-publicatie die ik eerst met belangstellende collega’s wil bespreken voordat er een definitieve versie komt. Eventueel kan ook de voorlichtingsdienst van EZ nog suggesties doen opdat mijn advies tot een parlementaire enquête niet tot misverstanden leidt bij niet-economen. Pas dan is de volgende stap aan de orde, met ook de vraag naar een onafhankelijke redactie. Aldus laat zich constateren dat de rechtsgang niet synchroon loopt met de ontwikkelingen op de werkvloer. Eventueel kan ik het oude verzoek ten aanzien van de gehele publicatiegang intrekken en een nieuw verzoek indienen, nu gespecificeerd voor het voortgang van de discussie, maar zo blijft men bezig. Ik acht het hoe dan ook een dwaling van het recht dat de rechter (96 / 1591) oordeelt over het eindstadium van publicatie terwijl er slechts een concept-publicatie ligt die besproken moet kunnen worden.

PM. In DOK geef ik een globaal overzicht van mijn analyse van de werkloosheid en de verstarring in de voorbereiding van het economisch beleid. Dit is slechts een globaal overzicht, en bedoeld voor de gemiddelde lezer. De volledige analyse is met de collega econometristen op het CPB te bespreken - als de directie dat mogelijk maakt.

PM. Het economisch beleid van de rijksoverheid sinds 1989/91 is aldus gebaseerd op CPB adviezen die gebaseerd zijn op censuur van de wetenschap. Mijns inziens kost dit de overheid miljarden.

PM. Sommigen doen de suggestie dat ik dan maar elders moet publiceren. Dat is echter niet aan de orde. De juiste volgorde is: De integriteit van de wetenschap is te respecteren, de interne discussie op het CPB moet zijn voortgang kunnen krijgen, en daarna kan de rijksoverheid, eventueel als men wil, profijt ontlenen aan mijn nieuwe economische analyse.