Aan de Arrondissementsrechtbank Den Haag
Sector Bestuursrecht
Postbus 20302
2500 EH Den Haag
 
 
 

Betreft: Aanvulling op mijn beroepschrift van 15 November 2002 m.b.t. het
            Besluit van de minister van EZ d.d. 18 oktober 2002 (WJZ 02052568)
            en de (kennelijke) weigering daarin besloten,
            zulks n.a.v. uw brief aan EZ van 20 september (02/2004 BESLU BB)

12 December 2002
 
 
 
 
 

Edelachtbare,
 
 
 

Ik heb u op 15 November 2002 bovengenoemd beroepschrift gezonden t.a.v. bovengenoemd besluit van de minister van EZ.
Inmiddels is de vergoeding van de griffiegelden binnengekomen, en dat punt vervalt derhalve.
Bij herlezing van mijn beroepschrift zie ik dat de argumentatie ten aanzien van de overige punten hier en daar wel iets duidelijker gesteld kan worden.
De volgende nadere aanvulling lijkt me dan in het belang van alle partijen.
 
 

Inleiding



De Centrale Raad van Beroep deed uitspraak op 21 februari 2002 t.a.v. zaken 98/447 AW, 00/4386 AW, en 00/4407-00410 en 00/4412 en 004414.

Op 29 maart 2002 deed ik de minister van EZ enkele verzoeken welke uit deze uitspraak voortvloeien. Op 4 april 2002 heb ik een aanvullend verzoek gedaan.

Aangezien de minister niet op deze verzoeken reageerde, heb ik op 25 mei 2002 bij u beroep aangetekend wegens kennelijke weigering.

U heeft dit beroepschrift opgevat als een bezwaarschrift en als zodanig doorgezonden aan de minister van Economische Zaken (uw besluit van 20 september 2002, 02/2004 BESLU BB).

De minister reageert aan u bij brief van 18 oktober 2002 (WJZ 02052568). Tegelijk was men zo vriendelijk om mij een kopie van deze reactie te doen.

EZ stelt: "(...) deel ik u mede dat de brieven van de heer Cool (...) niet in behandeling worden genomen als bezwaarschrift."

De brief is ondertekend door de coördinator bezwaar en beroep van de directie Wetgeving en Juridische Zaken, en herhalve niet door de voorzitter of secretaris van de bezwarencommissie. Op de eerste pagina van de brief valt ook te lezen dat de brief is behandeld door mr. C.S. Bol, degene die ik bij de behandeling bij de Centrale Raad van Beroep aantrof als de raadsvrouwe van EZ.

Derhalve is het redelijke vermoeden dat de bezwarencommissie het doorgezonden bezwaar niet gezien heeft.

Eventueel valt het onder de competentie van EZ om bezwaren niet door te sturen naar de bezwarencommissie, maar ik vraag mij af of dit zo is, en het is altijd de vraag of dit wijs is.

Hoe dan ook was er destijds reeds sprake van een (kennelijke) weigering bij de minister om besluiten te nemen of te tonen en nu is er vervolgens ook de (kennelijke) weigering om het bezwaar tegen het niet-reageren nu door te sturen aan de bezwarencommissie. De weigering is expliciet aan u gericht, en meer impliciet in mijn richting daar er geen sprake is van een expliciet besluit aan mij gericht.

Dit alles overziend, lijkt de juridische situatie mij deze toe: Dat ik beide weigeringen en met name de laatste aan u ter toetsing voorleg - zoals ik aldus deed op 15 november 2002 en zoals ik dit heden aanvul. Mijn verzoek aan u is dat u een uitspraak doet over de juiste verdere procesgang. Conform het gestelde in mijn brief van 25 mei verzoek ik u de minister op te dragen om alsnog adequaat te reageren, binnen drie weken te rekenen vanaf uw opdracht daartoe, met een boeteclausule van EUR 1000 per dag daarna, en een ophoging van de boete per additionele vertraagde week met een andere EUR 1000 per dag. Adequaat zou zijn de besluiten nemen waarom ik verzocht heb dan wel de zaak door te geleiden naar de juiste beroepsinstantie - naar uw inzicht de bezwarencommissie.

Het kernpunt voor EZ staat denkelijk in de laatste alinea van de brief van 18 oktober 2002:

"In tegenstelling tot hetgeen de heer Cool stelt, bestaat het bedoelde besluit wel degelijk, respectievelijk is het bedoelde besluit wel aan hem medegedeeld. Zoals ik reeds heb aangegeven zijn voorts alle aspecten omtrent het ontslag en functioneren van de heer Cool uitputtend aan de orde geweest in procedures bij uw Rechtbank en bij de Centrale Raad van Beroep. Derhalve heb ik de brieven (van) de heer Cool van 29 maart 2002, 4 april 2002 en 25 mei 2002 niet kunnen aanmerken als verzoeken om een besluit te nemen (in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht), resp. een handeling te verrichten (in de zin van artikel 8:1, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht)." Dit is echter een verkeerde voorstelling van zaken. Al mijn verzoeken zijn gericht op besluiten resp. handelingen welke gericht zijn op de rechtspositie, en het betreft punten die niet eerder in deze vorm aan de orde zijn geweest.

Laat ik dit nader verhelderen voor de verschillende punten. De verplaatsing uit functie en afdeling in april 1990 is het logische vertrekpunt.
 
 

De verplaatsing

EZ stelt in de brief van 18 oktober 2002 aan uw rechtbank, p2:

"Echter, tegen dit primaire besluit is al bezwaar ingediend, dat heeft geleid tot de beslissing op bezwaar van 17 januari 1991 (bezwaar is niet ontvankelijk). Uw rechtbank heeft deze beslissing op bezwaar vernietigd (AW 91/00139, 00379, 00559, en 00761 - zie bijlagen-)." EZ stelt dat het besluit op bezwaar "niet ontvankelijk" luidde. Echter, het was "niet gegrond".
De rechtbank stelt immers in de uitspraak vast: "De rechtbank stelt het volgende voorop: De dienstleiding van het CPB heeft namens verweerder bepaald dat klager met ingang van 18 april 1990 niet meer op de afdeling werkzaam kon zijn en hem overgeplaatst naar een andere kamer. In zijn besluit van 17 januari 1991 heeft verweerder de bezwaren van klager hiertegen niet-ontvankelijk verklaard. In de contra-memorie en ter zitting heeft gemachtigde van verweerder echter gesteld dat dit onderdeel niet correct is weergegeven en dat het de bedoeling was het bezwaar van klager tegen de verplaatsing ongegrond te verklaren. Nu ook gemachtigde van klager - zoals hij ter zitting heeft aangegeven - daarvan is uitgegaan, zal de rechtbank in haar verdere beoordeling van dit geschilpunt ervan uitgaan dat verweerder klagers bezwaar terzake ongegrond heeft verklaard." (Uitspraak van de rechter, AW 91/00139, 00379, 00559, en 00761, t.a.v. besluit nr 1 onderdeel e, p14) Vervolgens wordt het beroep hier gegrond verklaard en het besluit vernietigd. (p21).

Aldus heeft verweerder zelf al in het begin aangegeven dat het besluit niet "onontvankelijk" luidt maar "ongegrond" moet zijn, en nu wordt er weer "onontvankelijk" van gemaakt. Wellicht heeft mr. Bol als opvolgster van mr. Schuurs alleen gekeken naar de laatste pagina van de rechterlijke uitspraak ? Wanneer worden dit soort fouten tot valsheid in geschrifte ?

EZ hanteert het argument van de onontvankelijkheid, zodat er inderdaad verschil kan zijn tussen het primaire besluit om mij met machtsmisbruik te verplaatsen en een denkbaar besluit op bezwaar om het bezwaar onontvankelijk te achten. Echter, het besluit op bezwaar was dat het het bezwaar ongegrond werd geacht, en dit werd door de rechter vernietigd.

Met dit onderscheid tussen onontvankelijkheid en ongegrondheid nu helder in het achterhoofd, kijken we dan nog eens naar de uitspraak van de Raad t.a.v. de gevolgen van het besluit ‘geen nieuw besluit te nemen t.a.v. de verplaatsing’. Hier stelt de Raad (mijn cursivering):

"Hij wijst er op dat de nietigverklaring uitsluitend betrekking heeft op het besluit tot handhaving van de verplaatsing, en dat het primaire verplaatsingsbesluit in stand is gebleven." (00/4386 punt 4.1). In de brief van 18 oktober 2002 stelt EZ dat het primaire verplaatsingsbesluit gelijk is aan het eerdere besluit dat mij is medegedeeld en dat tot de beroepsgang leidde, namelijk het besluit op grond van artikel 58 ARAR. Dit lijkt mij niet terecht, want dit besluit is vernietigd.

De Raad maakt gewag van een besluit dat ‘in stand is gebleven’, terwijl het besluit dat verwijst naar artikel 58 ARAR juist vernietigd is. Uitgaande van de wijsheid van de Raad moet de conclusie wel luiden dat EZ aldus een verkeerd besluit als het gezochte primaire besluit aanwijst.

Merk op:

Eventueel maakt de Raad dezelfde fout als EZ, door de uitspraak van de rechtbank van 1993 niet zorgvuldig te lezen, maar het schijnt juridisch niet gebruikelijk te zijn om te veronderstellen dat de Raad fouten kan maken. Of zou het officiële standpunt van EZ kunnen zijn dat de Raad hier gedwaald heeft, en dat de ontslagkwestie weer heropend moet worden ?

Een andere lezing is dat er verschil is tussen het ‘primaire besluit’ om mij met détournement de pouvoir (verwijzing naar artikel 58 ARAR) te verplaatsen en het ‘besluit op bezwaar’ om met détournement de pouvoir (verwijzing naar artikel 58 ARAR) deze verplaatsing te handhaven - en slechts het tweede zou dan destijds voor vernietiging in aanmerking zijn gekomen.

Mijns inziens kan niet zo’n onderscheid worden aangebracht. (a) Waar EZ geweigerd heeft een nieuw besluit te nemen, is in de daaropvolgende rechtsgang geconstateerd dat ik wel de facto maar niet de iure verplaatst ben. (b) Het primaire besluit en het besluit op bezwaar zijn identiek, en derhalve ‘allebei’ vernietigd. Het besluit tot verplaatsing op grond van artikel 58 ARAR is vernietigd als een détournement de pouvoir. Het misbruik van artikel 58 ARAR is een detournement de pouvoir zowel primair als na bezwaar. Het besluit na bezwaar is ongewijzigd overgenomen van het primaire besluit. Er is dus geen verschil, ‘beide’ zijn vernietigd.

De Raad kan derhalve niet verwijzen naar het ‘primaire besluit’ van de verplaatsing op grond van artikel 58 ARAR. Dit bestaat niet.

Klaarblijkelijk verwijst de Raad dan naar een ander ‘primair besluit op grond van artikel x ARAR’, met x ongelijk aan 58, waarvan mij vooralsnog kennis van het bestaan is onthouden.

Ik verzoek EZ mij dit ‘primaire besluit’ mede te delen, zodanig dat ik daartegen beroep kan aantekenen.

Voor de goede orde memoreer ik dat indien mij kennis van dit ‘primaire besluit’ wordt onthouden, e.e.a. vatbaar is voor toetsing aan het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, met name artikel 6 en artikel 13.

Artikel 6 - Recht op een eerlijk proces

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Artikel 13 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Om misverstanden te vermijden verzoek ik de rechtbank om mr Kalk als getuige op te roepen, die dit rechterlijk vonnis uit 1993 geschreven heeft.

De volgende opmerkingen kunnen dienen ter toelichting op dit verzoek om in kennis te worden gesteld van het ‘primaire besluit’.

PM 1.

Er bestaat een ‘bezwarenregeling’ met een reglement. De procedure is dat eerst een besluit wordt genomen, en dat vervolgens bezwaar openstaat. Echter, nu blijken er besluiten te bestaan - klaarblijklijk ‘primaire besluiten’ geheten - waarvoor bezwaar mogelijk niet vatbaar zou zijn - terwijl bezwaar mogelijk alleen geldt voor ‘besluiten tot handhaving van besluiten’.

Dit lijkt me in strijd met de bezwarenprocedure.

Tevens tast ik in het duister t.a.v. de correcte tekst van het ‘primair besluit’ waarnaar verwezen wordt. Voorzover ik weet is het ‘détournement de pouvoir’ t.a.v. artikel 58 vernietigd - maar bestaat dit machtsmisbruik nog in ‘primaire’ vorm ?

Ik acht e.e.a. extra raadselachtig, omdat het ‘besluit op bezwaar’ t.a.v. artikel 58 identiek is aan het originele besluit. Wanneer het ene verworpen is, dan logisch ook het andere. Verder ken ik geen ander besluit.

De Raad heeft geconstateerd dat ik de iure niet verplaatst ben maar de facto wel, zodat men naar een verklaring heeft moeten zoeken. Men zoekt die verklaring in een ‘materiële grondslag’. Men stelt nu dat die

"materiële grondslag (...) dat appellant na zijn verplaatsing zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, niet (is) aangetast." Hoe kan men zo’n ‘materiële grondslag’ constateren terwijl deze niet in een besluit is vastgelegd dat openstaat voor hoor en wederhoor ?

In zijn brief van 18 oktober 2002 stelt EZ: "Verder is van belang dat de Raad in 98/447 oordeelt dat verplaatsing geen rol speelt bij de toetsing van de beoordeling." Dit geldt slechts voor de beoordeling over de periode tot januari 1990, aangezien de kwestie van de verplaatsing geldt voor april 1990. De kwestie is wel van belang voor de resterende periode en het ontslag. Overigens is mijn oordeel hier voorlopig, want ik ken het ‘primaire besluit’ nog niet.

Ik heb steeds gesteld dat ik nog geen gelegenheid heb gehad om mij tegen beschuldigingen omtrent de verplaatsing te verdedigen. Ik wil gaarne weten wat het officiële besluit is. Waarom besloot men dat ik verplaatst moest worden ? Wanneer ten aanzien hiervan een besluit wordt genomen, dan kan ik mij daartegen verdedigen. Ja, er zijn beweringen in de wandelgangen, maar er bestaat geen besluit waar beroep voor openstaat. Ik heb EZ voortdurend in de gelegenheid gesteld om een besluit te nemen omtrent de reden waarom ik verplaatst moest worden. EZ heeft besloten geen nieuw besluit te nemen, en een uitspraak van EZ ter zitting was dat ik weer op het CPB zou werken indien ik niet inmiddels ontslagen was. De Raad stelt:

"Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantastbaar." Maar dat betekent dat ik officieel niet verplaatst ben ! Dit impliceert dat er geen noodzaak was om mij te verplaatsen, en derhalve kan ik accepteren dat er de iure geen verplaatsing bestond, en was er ook een nieuw feit om het ontslag te herzien. Hoe kan er dan een ‘materiële grondslag’ bestaan ? De Raad gaat hieraan voorbij - en dat lijkt me dus een dwaling van het recht.

Merk op: t.a.v. het ontslag heb ik mij steeds verdedigd met het argument dat eerst duidelijkheid over de verplaatsing nodig is. Dat het ontslag inmiddels in rechte vast staat, terwijl het is gebaseerd op een verplaatsing die niet is onderbouwd en die geen juridische status heeft, is een dwaling van het recht.
 
 

PM 2.

Ik ben verplaatst in april 1990 op grond van artikel 58 ARAR eerste lid. Na intern bezwaar bij EZ blijft dit besluit in stand, zodat de ‘beslissing op bezwaar’ van 17 januari 1991 exact gelijkluidend is. In beroep bij de rechter wordt dit besluit vernietigd in de uitspraak van 8 november 1993 (AW 91/00139, 00379, 0059 en 00761, onderdeel 1e, p15-16, p21). Waar beide besluiten gelijkluidend zijn, is er geen onderscheid tussen primair besluit en besluit op bezwaar. Het besluit dat verwijst naar artikel 58 ARAR kan derhalve geen primair besluit meer zijn, want het is vernietigd.

Dat dit besluit is vernietigd wordt bevestigd door de daaropvolgende poging om meer helderheid te krijgen omtrent de reden waarom ik verplaatst moest worden. In afwachting van de procedures heb ik anderhalf jaar lang loyaal op een kamertje apart gewerkt. In de stukken is terug te vinden dat mijn chef onjuiste informatie heeft verstrekt in verband met die verplaatsing, maar EZ doet daar niets mee, en een nieuw besluit wordt mij geweigerd. In de rechtsgang hierover wordt gesteld dat ik door de vernietiging van de verplaatsing eigenlijk ook ben teruggeplaatst, en dat ik gewoon weer op mijn afdeling zou werken indien ik inmiddels niet ontslagen zou zijn. Dit is een erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden. De verdere afwikkeling van dit punt verzandt procedureel, doordat rechters onvoldoende onderscheid maken tussen materiële verplaatsing uit een werkkamer en een verplaatsing uit functie en afdeling. De détournement de pouvoir had juist op dat laatste betrekking. De erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden is vervolgens wel een Nieuw Feit in deze hele zaak met ook gevolgen voor de beoordeling over die periode en de periodiek over dat jaar.

Dit Nieuw Feit is vervolgens voorgelegd aan de Raad, leidend tot de uitspraak 00/4386 AW. Echter, de Raad volhardt in het juridisch dwalen.
 
 

De FPB over de periode na januari 1990



EZ maakt in zijn brief van 18 oktober 2002 geen expliciete melding van mijn verzoek, in de brief van 4 april 2002, om een FPB voor de periode na januari 1990.

Deze FPB was mij toegezegd, en de directie van het CPB heeft deze toezegging nimmer gestand gedaan.

In zijn brief van 28 januari 1990 (D8354 p1) aan mij schrijft onderdirecteur Den Hartog:

"Eind 1990 zal een Formele Personeelsbeoordeling worden opgemaakt over uw functioneren, waarbij de genoemde taakomschrijving als criterium zal dienen. De beoordelingstermijn zal ingaan per datum van deze brief en eindigen op een nader te bepalen datum in december 1990. Aan de hand van deze beoordeling zal worden bezien of een bevordering van U naar schaal 12 in overweging kan worden genomen." In zijn brief van 10 april 1990 (D8038 p1) aan mij schrijft directeur Zalm: "Voorts ben ik van mening dat de geadviseerde beheersbeslissing nl. om uw functioneren aan het eind van het jaar 1990 - met als achtergrond de u opgedragen taak (bijlage van brief D8354 dd. 28 januari 1990) een zorgvuldig advies is, hetgeen ik dan ook overneem." (sic) Deze FPB over 1990 heb ik evenwel nooit gezien.

Bij de beoordeling van het ontslag heeft de Raad vastgesteld dat er geen FPB was opgemaakt - terwijl het opmaken van een FPB een gebruikelijke stap bij een ontslag schijnt te zijn.

Aldus is er omtrent het ontslag niets bekend omtrent het functioneren dat vatbaar is voor beroep, behalve de ontslaggrond zelve en de ontslagbrief met een vage omschrijving.

Ik heb steeds gemeend dat het logisch was om eerst de verplaatsingskwestie helder te krijgen voordat over deze FPB over de periode na januari 1990 gesproken hoefde te worden.

Tot mijn spijt heeft EZ deze logica niet gevolgd. Eerst is een nieuw besluit toegezegd, toen is het vertraagd, en toen kwam het ‘besluit geen nieuw besluit te nemen’.

Toen kwam vast te staan dat ik in 1990 de iure niet verplaatst ben, bleek er een gevolg voor de zogenaamde ‘verkorte beoordeling’ over 1990 die er nog steeds van uit gaat dat ik wel verplaatst ben. Merk op: Tegen zo’n ‘verkorte beoordeling’ staat echter geen mogelijkheid tot beroep open. Dat geldt alleen voor een FPB.

T.b.v. de consistentie verzocht ik derhalve: ‘over 1990 was een FPB toegezegd, laat deze dan maar zien’.

Daarop heeft EZ zich verdedigd met: ‘deze FPB bestaat niet’.

Daarop heb ik geantwoord dat mijn verzoek vanzelfsprekend is te begrijpen als ‘als hij niet bestaat, maak hem dan maar’ (zoals een docent de studenten aan het begin van het semester zegt dat hij aan het eind scripties wil zien).

Gezien mijn kennis van de zaak had EZ er van mogen uitgaan dat ik wist dat deze FPB nog niet bestond. EZ had dit ook met een telefoontje bevestigd kunnen krijgen. Het had zelfs ook op de rechtszitting opgelost kunnen worden. EZ koos er echter voor om niet de logische conclusie te trekken en de FPB dan te maken.

De Raad ondersteunt de visie van EZ:

"Met de rechtbank constateert de Raad dat gedaagde op goede gronden heeft geweigerd inzage te verlenen in een eind 1990 opgemaakte FPB, reeds omdat zodanige FPB niet bestaat. Dat gedaagde het verzoek in kwestie had moeten opvatten als een verzoek om alsnog een FPB op te maken, zoals appellant ter zitting heeft aangevoerd, vermag de Raad niet in te zien. In dit verband verwijst de Raad naar de overweging van de rechtbank dat gedaagde niet gehouden was alsnog tot een FPB over te gaan aangezien het ontslag van appellant rechtens onaantastbaar is." (00/4386 pag 3, punt 3) Mijns inziens negeert de Raad hier het Nederlands alsmede mijn verzoek tot heropening van de ontslagkwestie.

Evenwel, wat is nu de juridische situatie ?

Klaarblijkelijk wordt er een juridisch verschil aangebracht tussen het ‘verzoek tot zien’ en het ‘verzoek tot laten maken’.

Waar het eerste is afgewezen, staat blijkbaar het tweede nog open. Derhalve heb ik EZ in maart 2002 verzocht om de FPB te laten opmaken.

NB1:

Heeft het ontslag in 1991 opschortende werking t.a.v. de toezegging van de directie van het CPB in 1990 om zo’n FPB te gaan maken ?

Zie bovenstaande uitspraak van de Raad. De Raad "verwijst" naar een "overweging". Dat is vaag, want "verwijzen" is wat anders dan "onderschrijven", en een "overweging" is wat anders dan een besluit.

De rechtsgang over deze kwestie is verworden tot de kwestie of de Nederlandse uitdrukking ‘laat maar zien’ ook betekent ‘laat maar maken’.

Het is nog niet gegaan over het recht op het gestand krijgen van de toezegging.

Het is dit punt dat aan de orde moet komen.

NB2.

Ik heb in deze kwestie een duidelijk belang. De ontslagbrief met ontslaggrond geeft slechts een samenvattende en zoals gezegd deels vage conclusie van het functioneren. Een ruimere beschrijving van het functioneren, met blijkbaar negatieve maar mogelijk ook positieve kanten, blijft wel degelijk een afzonderlijk belang. Merk op dat ik in die periode loyaal op een kamertje apart heb gelezen en geschreven, terwijl de directie ondertussen mijn rechtspositie aantastte. Me dunkt dat deze loyaliteit toch ook in zo’n FPB gewaardeerd moge worden.

De FPB is mij toegezegd. Ik heb er recht op. De directie houdt zich niet aan de afspraak.

Ik heb het verzoek om deze FPB niet gedaan in de periode 1990-1991 omdat ik meende dat het logisch was om toch eerst duidelijkheid te krijgen omtrent de verplaatsing op 18 april 1990. Maar nu de Raad aan zoveel misverstanden ten prooi valt, is zo’n verzoek verstandig, mede ook door het Nieuwe Feit van de de iure erkenning dat ik niet verplaatst hoefde te worden.

Had ik dit verzoek in 1990-1991 moeten doen ? Ik heb mij destijds beperkt tot het juridisch logische. Men kan niet in redelijkheid van me verlangen dat ik toen al van alles een punt maakte, dat zou juist onredelijk zijn.

Ik ga er overigens vanuit dat de juridische aanpak van EZ steeds plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke directie van het CPB. Ik moet ervan uitgaan dat de regels op redelijke wijze worden toegepast - anders houdt het recht op.

NB3.

Er is geen enkel materieel bewijs dat ik niet goed zou hebben gefunctioneerd, noch t.a.v. de periode voor de verplaatsing, noch t.a.v. de verplaatsing zelf, noch nadien. Er zijn slechts beweringen van EZ. Deze beweringen zouden getoetst kunnen worden door extern onderzoek, maar die middelen heb ik niet, en tot mijn verbazing roepen rechters geen getuigen op. Het enige wat ik kan doen is wijzen op de inconsistenties in de leugens van EZ. Wanneer de Raad daar geen aandacht aan besteedt, dan ben ik helemaal machteloos. N.a.v. de weigering van EZ om een nieuw besluit t.a.v. de verplaatsing te nemen, constateert de Raad terecht: "Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantastbaar." Dat ik de facto wel verplaatst ben maar de iure niet, daar kan ik dus niets aan doen, maar dat de iure is wel een nuttig Nieuw Feit. Maar dan concludeert de Raad ten onrechte: "Daarvan uitgaande is de materiële grondslag van het besluit van 17 januari 1991, te weten dat appellant na zijn verplaatsing zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, niet aangetast." Hoe kan men uitgaan van een ‘materiële grondslag’ wanneer die niet in een besluit is vastgelegd zodanig dat daar beroep voor open staat ? De Raad gaat aldus geheel voorbij aan het Nieuwe Feit dat de iure is ontstaan. Men negeert de nieuwe rechtssituatie dat ik juridisch niet verplaatst ben. Men negeert de tegenstrijdigheid met andere besluiten zoals over de periodiek over 1990 die wel van verplaatsing uitgaan. Dit staat loodrecht op logica en rechtsgevoel. Ik heb een uitermate zwakke positie, en het enige wat ik kan doen is aandacht vragen is de consistentie. Wanneer de Raad daar geen oog voor heeft, dan houdt het recht op.

In deze situatie kan ik wel zinnig het verzoek om die FPB bij EZ neerleggen.
 
 

De FPB over de periode van 1 januari 1989 - 31 januari 1990



EZ omarmt een innerlijke tegenstrijdigheid:

"Het hoger beroep heeft geleid tot uitspraak 98/447, waarin de Raad (1) de uitspraak van de rechtbank vernietigt, en (2) de beslissing van 28 mei 1997 (alsnog) inhoudelijk beoordeelt én dit besluit in stand laat." Mijns inziens geldt: Indien de Raad (2) had gewild, dan had men onder (1) de uitspraak moeten herbevestigen en niet moeten vernietigen. Wat vernietigd is, kan men niet in stand laten.

Misschien verschilt het juridisch taalgebruik weer zodanig van het Nederlands dat inmiddels een nieuwe taal is ontstaan, maar dit lijkt me in strijd met de wet op het aantal talen dat in Nederland erkend wordt.

Ter verheldering van dit punt zou ik EZ willen vragen welke FPB nu dan rechtsgeldig zou zijn: Die met de gedeelde scores of die met de tussentijds gewijzigde scores ? Beide zijn vernietigd !

PM1. T.a.v. beide varianten van deze FPB voor deze periode geldt dat zij geen ontslag onderbouwen. In oktober 1989 kreeg ik twee periodieken, en door het verschuiven van de periodiek-data zou ik in maart 1990 wederom twee periodieken krijgen. Bij de directie ontstond een aarzeling over deze opeenstapeling van periodieken. Dat kan ik allemaal wel begrijpen, maar het probleem ontstond dat de chef verwees naar de inhoud van mijn notitie van november. Zo’n koppeling kan niet gelegd worden. De discussie werd nogal schimmig, en toen heb ik een FPB aangevraagd. Deze staat nog steeds een periodiek voor maart 1990 toe. Misschien is het nuttig dat nog wel even te noemen.

PM2. Waar in deze schimmige discussie ook gesteld werd dat de bevordering wel eens niet door zou kunnen gaan, met verwijzing naar genoemde notitie, is het punt geherformuleerd. Het gaat er nu om of reeds deze FPB een bevordering naar schaal 12 onderbouwt. Eerst beweerde de directie dat een bevordering niet aan de orde was, in beroep is aangetoond dat dit wel het geval was, en nu is de vraag aan de orde of het functioneren het mogelijk maakt. Het lijkt me nuttig dat dit wordt vastgesteld, niet alleen omdat het waar is, maar ook om verdere onzekerheid te vermijden. Voor het functioneren van een wetenschapper is het gewenst dat zijn bevordering niet afhangt van de inhoud van zijn analyse.

Het kan nuttig zijn het denkschema te memoreren:
  1. Indien een beroep gegrond is, vervalt het besluit. Indien een beroep niet gegrond is, blijft het besluit intact. Er is dus sprake van een logische equivalentie. Het ene staat en valt met het andere. Vernietiging van het een leidt tot vernietiging van het andere.
  2. Waar de uitspraak van de rechtbank ‘ongegrond’ luidde, betekent vernietiging van die uitspraak in principe dat het beroep gegrond is, en daarmee dat het besluit ook vernietigd.
  3. Brengen we onderscheid aan tussen juridische beslissingslagen en -momenten, dan kunnen we ook een categorie ‘onbeslist’ invoeren. Vernietiging door een hogere rechter van een uitspraak van een lagere rechter betekent dan dat het beroep niet-ongegrond is: ofwel dat het beroep gegrond is ofwel dat de zaak weer onbeslist is.
  4. Onbeslistheid bij de Raad zou in principe moeten leiden tot terugzending aan de rechtbank.

  5. Denkbaar zijn gevallen - met name wanneer partijen het erover eens zijn dat dit gebeurt - waarin onbeslistheid ter plekke wordt opgelost. In dat geval is de uitspraak wederom ‘gegrond’ of ‘ongegrond’.
Bekijk de uitspraak van de Raad 98/447. In paragraaf 2.3 vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank, met de motivering in paragraaf 2.2 van het ontbreken van een inhoudelijke toetsing. In deze stap van de redenatie kiest de Raad voor onbeslistheid. Terugsturen aan de rechtbank zou voor de hand hebben gelegen. In dit geval echter meent de Raad in paragraaf 2.1 voldoende te zijn voorgelicht, en stelt dan in paragraaf 2.3: "Aangezien de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft zal de Raad een oordeel geven over de inhoud van de bestreden beoordeling." Aldus houdt de Raad zich in hoofdlijnen aan bovenstaand stramien, maar met belangrijke afwijkingen:

(i) Bij herbeoordeling van de zaak had men formeel gezien het besluit van de rechtbank niet moeten vernietigen maar moeten herbevestigen (met een andere motivering).

De vernietiging van de uitspraak van de rechtbank (eerste besluit van de Raad) betekent dat het beroep niet-ongegrond is. (Dit betekent ofwel dat het beroep gegrond is ofwel dat de zaak onbeslist is, zie punt (b) hierboven.) Hiermee in strijd is dat de Raad vervolgens stelt (tweede besluit) dat het beroep ongegrond is. Een kwestie kan niet tegelijk niet-ongegrond en ongegrond zijn. Je kunt niet én iets vernietigen én dit in stand laten. Nu men dat niet gedaan heeft, kan het tweede besluit (ongegrond verklaring) niet gedaan worden want het besluit is al vernietigd.

(ii) Merk op dat een inhoudelijke toetsing niet op de agenda van de raadszitting stond. Ter discussie stond alleen de formele redenering van de rechtbank om juist geen toetsing te plegen. Van mijn kant is aldus geen bodem-procedurele inhoudelijke verdediging ter zake gevoerd, en de Raad dwaalt door dit wel te veronderstellen. Waar de rechtbank reeds eerder dwaalde door de inhoudelijke verdediging te negeren met incorrecte formele redeneringen (welke overigens waren geopperd door EZ), dwaalt de Raad nu door te denken dat die verdediging reeds ten volle gegeven is en ook ten volle door de rechtbank gewogen. Ik heb bij de Raad gesproken over de uitspraak van de rechtbank en over de formele redenering die de rechtbank heeft gegeven om niet inhoudelijk te toetsen, en ik heb bij de Raad geen bodem-procedurele inhoudelijke verdediging gevoerd t.a.v. het besluit van 28 mei 1997. Vanzelfsprekend ga ik niet bij de Raad een zaak voeren welke niet aan de orde is. Het zou ook in strijd zijn met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ik verwijs hierbij naar de uitspraak van de Raad zelf (AW 1994/7-10 in deze zaak, en met name pagina 5) waarin de Raad zelf aangaf, met verwijzing naar het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, dat niet tussentijds ter zitting scores kunnen worden veranderd. Nu zou tussentijds een hele beoordeling worden vastgesteld ! Op dezelfde wijze zou men toch niet zomaar het onderwerp mogen veranderen ? Tevens stelt de Raad een terughoudende toets uit te voeren - zie paragraaf 3 in de uitspraak - en dat zou men toch onjuist moeten achten wanneer de bodemprocedure ontbreekt want door de rechtbank juist afgehouden. Verwijzing naar de bodemprocedure van de tussentijds aangepaste beoordeling is niet correct, want deze beoordeling is nu juist anders. Met dit soort rechtsgangen raken wetenschap en recht in het gedrang.

Ten aanzien van deze punten is het natuurlijk een heikel punt dat - waar ik deze kwestie nu voorleg aan de rechtbank - een lagere rechter niet bevoegd zou zijn om te treden in de overwegingen van de Raad. Het blijft nuttig het probleem wel te noemen. Eventueel is een gang naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nodig, maar dan wel nadat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput. Beide punten genoemd onder (i) en (ii) hierboven kunnen in dit stadium aan de rechtbank worden voorgelegd, en het moge dan blijken of de kwestie inderdaad uitgeput is (zoals EZ inderdaad reeds beweert).

Het navolgende moge de redenering nog eens verhelderen.

De letterlijke tekst van de beslissing van de Raad luidt dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd is, en dat betekent bij ondeelbaar recht dat het besluit van EZ ook vernietigd is. Brengen we onderscheid aan tussen rechtslagen, dan betekent het dat het beroep ofwel gegrond ofwel onbeslist is. Tevens meent de Raad dat de zaak ‘geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft’ hetgeen dan toch impliceert dat de kwestie niet-onbeslist is: zodat slechts de mogelijkheid resteert dat het beroep gegrond is. Dat het beroep grond had, spoort met het gegeven dat de Raad vond dat een inhoudelijke beoordeling wel degelijk aan de orde was. Dat men meende dit overhaast zelf te kunnen doen, hoeft geen excuus te zijn om deze dwaling van overhaastheid te laten voortbestaan.

Deze redenering laat zich toetsen aan de volgorde in de argumentatie van de Raad. De opmerking van de Raad in 3.6 luidend ‘heeft de Raad evenmin aanleiding gevonden het bestreden besluit in rechte aan te tasten’ volgt pas nadat de uitspraak van de rechtbank reeds eerder vernietigd is, in paragraaf 2.3, zodat de rechtsstatus van het omstreden besluit reeds veranderd is (namelijk van bevestigd tot wederom vatbaar voor beroep). De volgorde is onthullend.

De opmerkingen van de Raad over de inhoud van de beoordeling zijn in formele zin aldus slechts te beschouwen als een weergave van de indruk die Raad heeft gekregen op grond van het ter zitting beperkt voorliggende documentatie. De Raad meent genoeg te hebben gezien - ook al heeft men de getuigen nog niet opgeroepen. Mijn indruk is dat men erg de behoefte heeft gevoeld deze (voorbarige) indruk op schrift te stellen, mogelijk met de goede bedoeling om eventuele verdere processen te voorkomen. Maar al deze bedoelingen laten onverlet dat de Raad letterlijk de uitspraak van de rechtbank vernietigt en daarmee logischerwijs ook het besluit van 28 mei 1997.

Formeel zie ik aldus de conclusie dat de beoordeling vernietigd is, of men nu uitgaat van ondeelbaar of gedeeld recht,. Aldus moet EZ een nieuwe FPB opmaken. Ik heb dit EZ ook medegedeeld, en daarop helaas geen reactie ontvangen. Merk op dat voor het opstellen van de juiste beoordeling ook een onderzoek naar de afdeling nodig is, welk onderzoek tot nu toe steeds geweigerd is. E.e.a. zal bevestigen dat de vernietigde beoordeling inderdaad geen stand kon houden.

Problematisch is de dwaling van de Raad t.a.v. (ii). Dit is geen manier om een nette wetenschapper te behandelen. Het valt weer op dat het EZ klaarblijkelijk niets kan schelen dat het recht zo dwaalt.
 
 

Verzoek tot onderzoek en middelen



Van mijn verzoek tot nader onderzoek door wetenschappers en middelen om de zaak voor te leggen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heb ik zelf onmiddellijk aangegeven dat ik daarvoor geen expliciete rechtsgrond zie. Wel acht ik het nuttig om EZ in de gelegenheid te stellen om dit verzoek te honoreren. Al te licht zou het misverstand kunnen ontstaan dat ik tevreden zou zijn met de stand van zaken of dat er m.i. geen sprake zou zijn van breidel van de wetenschap, of dat de mening van externe wetenschappers er verder niet toe zou doen. Ik kan me voorstellen dat een minister, die de zorg voor de integriteit van de wetenschap dierbaar is, op het verzoek ingaat, of dat een bezwarencommissie van EZ daarover een verstandig advies doet. Dat ik het verzoek doe lijkt me alleszins netjes, en ik betreur het dat EZ de zaak zo afdoet en de rechtsgang van deze casus ‘uitputtend’ noemt. Het is een lange en moeizame rechtsgang, met de nodige tegenwerking van de juristen van EZ, en de kwestie lijkt me nu juist niet uitputtend behandeld nu een stap naar de Europese rechter nodig lijkt. Overigens is het wel zo dat voor de stap naar het Europese Hof moet gelden dat de juridische middelen in Nederland uitgeput zijn, en in die zin kan het oordeel van EZ wel consistent zijn met een mogelijk besluit mij de middelen daartoe te geven.

Merk op: In de Staatscourant nr. 178, 17 september 2002, de Prinsjesdagbijlage, p23, wordt geconstateerd:

"De Algemene Rekenkamer heeft nooit onderzoek gedaan naar de aanpak en werkwijze van het CPB. ‘De Rekenkamer kan kijken of er voldoende is gedaan om de kwaliteit van de ramingen te waarborgen, maar we hebben dat nooit gedaan. Daar is blijkbaar nooit aanleiding toe geweest,’ zegt Hans de Groot, een van de directeuren van de Algemene Rekenkamer. ‘Het CPB laat zichzelf doorlichten door een visitatiecommissie, met ook buitenlandse wetenschappers. Het is te kostbaar om dat elk jaar te laten doen. Op zich is dit een goede controle, wetenschappelijke instituten pakken dat op dezelfde manier aan.’ De laatste visitatie werd afgerond in maart 1997 en was vol lof over het functioneren van de rijksdienst die ressorteert onder het ministerie van Economische Zaken." Genoemde visitatiecommissie heeft met mij gesproken, en geoordeeld dat de kwestie ‘oud’ was. Ik betreur dat, waar nog steeds deze punten bestaan, en waar de acties van de advocaten van EZ vallen onder de wetenschappelijke verantwoordelijkheid van de directie van het CPB. In het licht hiervan is het niet onlogisch om aandacht van wetenschappers voor deze kwestie te blijven vragen. Overigens heb ik plv. secr.-gen. mr. J.W. Weck in 1990 ook verzocht om mij in contact te brengen met de Rekenkamer, en dat is tot op heden niet gebeurd.

De directie van het CPB heeft onlangs bekend gemaakt dat er in 2003 andermaal zo’n visitatie zal plaatsvinden. Het is niet onlogisch dat ik EZ verzoek het mogelijk te maken dat deze nieuwe visitatiecommissie de juiste informatie krijgt (eventueel slechts over de periode sinds de oude commissie).

Merk overigens op dat het juridisch traject maar een beperkte plaats heeft in het gehele argument t.a.v. de breidel door de directie van het CPB. Mocht dit traject slechts tot een moeras leiden, en bijv. slechts bevestigen dat de directie een bepaalde hiërarchische macht heeft om op deze wijze met de inhoud van een wetenschappelijk inzicht om te gaan, dan betekent dit slechts dat de regels niet goed zijn of dat de rechtsspraak niet werkt. Mijn eigen analyse is dat de breidel geschiedt met misbruik van het arbeidsrecht. Dit lijkt me het overstijgende argument.
 
 


Ter afronding





EZ stelt in de brief van 18 oktober 2002 tevens:

"(...) hecht ik er aan om het dossier van alsmede de correspondentie met de heer Cool als gesloten te beschouwen. Hem is in dat kader derhalve medegedeeld dat ik zijn brieven betreffende de kwestie van zijn ontslag voortaan voor kennisgeving aanneem. Hieromtrent heeft uw Rechtbank geoordeeld inzake 00/06821 (...)" In genoemd besluit heeft de rechtbank gesteld dat men geen algemeen besluit kan nemen dat EZ altijd moet reageren. EZ heeft zijn eigen discretionaire bevoegdheid. Wel heeft de rechter ter zitting opgemerkt dat altijd de mogelijkheid openstaat om een geval van kennelijke weigering aan de orde te stellen. EZ kan derhalve niet naar 00/06821 verwijzen alsof deze uitspraak van de rechtbank zou sanctioneren dat men niet langer adequaat reageert.

Ik doe de verschillende verzoeken ook met de motivatie aanvullende nieuwe feiten boven water te krijgen welke het mogelijk zullen maken om de kwestie van het ontslag weer te heropenen. EZ geeft de kritiek dat ik slechts uitbehandelde zaken oprakel, maar meer respect voor deze motivatie zou kunnen helpen om de juiste nuances te zien. Aanvankelijk meende ik dat het nieuwe feit dat ik nu niet verplaatst blijk te zijn, gebleken in 1998 maar logisch geldend voor 1990, toereikend zou moeten zijn, maar de Raad accordeert dit niet, en dan komen bovenstaande logische ongerijmdheden aan de orde.
 
 

Hoogachtend,
 
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu