Aan de minister van Economische Zaken
Afdeling POI
Postbus 20101
2500 EC ‘s-Gravenhage
 
 

Betreft: Aanvulling op mijn brief van 29 maart 2002
Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 21 februari 2002
98/447 AW, 00/4386 AW, en 00/4407-00410 en 00/4412 en 004414

4 april 2002
 
 
 
 

Geachte minister,
 

In aanvulling op mijn brief van 29 maart 2002, punt (3) - de zaak 00/4386 t.a.v. de gevolgen van het besluit ‘geen nieuw besluit te nemen t.a.v. de verplaatsing’ - geldt nog het volgende:

Ik verzoek u een Functionele Personeels- Beoordeling (FPB) op te maken voor de periode vanaf 1 februari 1990 - 1 oktober 1991, en deze mij mede te delen zodanig dat ik eventueel gebruik kan maken van een recht op bezwaar en beroep.

De volgende opmerkingen kunnen dienen ter toelichting op dit verzoek.

Bij nalezing van mijn brief van 29 maart 2002 lijkt het me bij nader inzien verstandig om dit verzoek toch te doen.

Aanvankelijk was ik geneigd te denken dat de reeds gedane verzoeken reeds voldoende zouden zijn om de zaak open te breken en vlot te trekken. Ik ging er daarbij van uit dat altijd in een later stadium nog om dit FPB verzocht kon worden. Evenwel bestaat er een kleine kans dat gezegd zou kunnen worden dat ik, door niet naar zo’n FPB te vragen, zou erkennen dat deze niet opgemaakt hoeft te worden. Door nu expliciet dit verzoek te doen, verminder ik de kans om deze uitvlucht.

De Raad ondersteunt de visie van EZ dat ‘vragen om iets te zien’ niet hetzelfde is als ‘vragen om iets te maken’. Als docent zei ik tegen studenten dat ik aan het einde van het semester scripties wilde zien, en dan begrepen zij het wel. EZ deed alsof men het niet begreep. Men redeneerde ‘het bestaat niet, dat weet hij toch ook, dus hoe kan hij nu inzage vragen ?’. In plaats van dan de telefoon te pakken en om opheldering te vragen, begon men juridisch te schermen met dat ‘een FPB willen zien’ toch wat anders zou zijn dan ‘een FPB te laten maken’. Enfin, nu de Raad EZ ondersteunt, moet ik maar vragen of men een FPB wil maken.

De Raad overweegt vervolgens ook dat een FPB niet gemaakt lijkt te hoeven worden, omdat ik inmiddels ontslagen ben. Echter, de ontslagbrief met ontslaggrond geeft slechts een samenvattende conclusie van het functioneren. Een ruimere beschrijving van het functioneren, met blijkbaar negatieve maar mogelijk ook positieve kanten, blijft wel degelijk een afzonderlijk belang.

Het zou toch wonderlijk zijn dat over de gehele periode van 1982-1991 slechts zo’n samenvattende ontslagbrief in rechte vaststaat. Reeds is gevraagd om een FPB over 1989. En indien zo’n FPB wordt opgemaakt, dan kan dit nuttig ook gebeuren voor de laatste periode.

De uitspraak van de Raad is verzonden op 4 maart. Mogelijkerwijs worden hier toch termijnen gehanteerd waarmee ik rekening moet houden. Om die reden lijkt het me toch zinvol om expliciet dit verzoek te doen.

Ook dit verzoek doe ik op rechtsgrondslag, en gaarne vraag ik u te reageren binnen zes weken. Voor de goede orde memoreer ik dat er een brief is van de directie van het CPB dat men niet meer reageert op brieven mijnerzijds over deze kwestie. Mocht u eenzelfde positie innemen, dan resteert mij na genoemde zes weken slechts de mogelijkheid om een kennelijke weigering te constateren.
 
 

Met vriendelijk groet,
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu