Aan de minister van Economische Zaken
Afdeling POI
Postbus 20101
2500 EC ‘s-Gravenhage
 
 

Betreft: Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 21 februari 2002
98/447 AW, 00/4386 AW, en 00/4407-00410 en 00/4412 en 004414

29 maart 2002
 
 
 

Geachte minister,
 

Ik was econometrist en wetenschappelijke medewerker bij het CPB van 1982-1991. In september 1989 stelde mijn chef 2 periodieken voor, in december kreeg ik te horen dat ik slechts 1 periodiek kreeg, waarbij de chef verwees naar een interne notitie van me uit november die ‘bij de directie slecht gevallen was’ en die ik ‘beter niet had kunnen schrijven’. Vragen hierover stellen leidde ertoe dat ik in april 1990 uit werk en afdeling werd geplaatst, en uiteindelijk in oktober 1991 ontslagen.

N.a.v. bovengenoemde uitspraken van de Raad heb ik de volgende opmerkingen en verzoeken:

(1)

In de zaak 98/447 veroordeelt de Raad u tot vergoeding van de griffierechten.
Ik verzoek u het bedrag van EUR 142.94 over te maken op mijn giro 185 1435.

(2)

In de zaak 98/447 vernietigt de Raad de Functionele Personeelsbeoordeling (FPB) t.a.v. mijn functioneren in de periode van 1 januari 1989 - 31 januari 1990.

Hoewel de Raad u niet opdraagt een nieuwe FPB te maken, verzoek ik u dit alsnog te doen.

De volgende opmerkingen kunnen dienen ter toelichting op dit verzoek.

De Raad vernietigt deze FPB (zie pag 3, punt 2.2). Echter, daaropvolgend gaat de Raad deze FPB zelf behandelen (pag 3, punt 2.3). Dit laatste was op de zitting echter niet aan de orde, en er is niet zo’n verdediging gevoerd.

T.a.v. de FPB-kwestie heb ik me op formele wijze verdedigd, zeggend dat toch eerst een correcte FPB opgemaakt moet worden alvorens wij over de inhoud kunnen gaan spreken. Tevens heb ik indicaties gegeven hoe ik over de inhoud dacht. De Raad verklaart dit ‘inleidend beroep’ van me nietig. Men meent reeds voldoende geïnformeerd te zijn. Dat laatste komt mijn echter voor als een dwaling van het recht, zeker waar men geen getuigen heeft gehoord. De voortijdige uitspraak van de Raad zal de verdere beroepsgang kunnen belasten, maar met het horen van getuigen is dit te minimaliseren.

T.a.v. de FPB heb ik wel een aantal zaken naar voren gebracht waarvan ik hoop dat zij u niet zijn ontgaan. Zo heb ik aangetoond dat de chef op een aantal punten niet betrouwbaar is gebleken, terwijl er ook materiaal naar boven is genomen waaruit vooringenomenheid van de directie blijkt. Om het opmaken van de FPB zo zorgvuldig mogelijk te laten gebeuren, stel ik voor dat we een aantal wetenschappers inschakelen, die met diverse betrokkenen spreken om te komen tot een waarheidsgetrouw beeld. Mijn voorstel is dat we nader overleggen over de te volgen procedure.

Eventueel kan men stellen dat het opstellen van een FPB geen zin meer heeft, omdat ik toch al ontslagen ben. Evenwel was het ontslag niet op deze FPB gebaseerd. Een goede FPB over deze periode is voor mij nog steeds van belang gezien wat er gesteld wordt over mijn functioneren en arbeidsverleden. Tevens zie ik het opmaken van de FPB als een mogelijkheid om straks alsnog te spreken van een nieuw feit - waardoor ook bijv. de kwestie van de bevordering weer aan de orde kan komen.

(3)

In de zaak 00/4386 t.a.v. de gevolgen van het besluit ‘geen nieuw besluit te nemen t.a.v. de verplaatsing’ stelt de Raad:

"Hij wijst er op dat de nietigverklaring uitsluitend betrekking heeft op het besluit tot handhaving van de verplaatsing, en dat het primaire verplaatsingsbesluit in stand is gebleven." (punt 4.1). Ik verzoek u mij dit ‘primaire besluit’ mede te delen, zodanig dat ik daartegen beroep kan aantekenen.

Voor de goede orde memoreer ik dat indien mij kennis van dit ‘primaire besluit’ wordt onthouden, e.e.a. vatbaar is voor toetsing aan het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, met name artikel 13.

De volgende opmerkingen kunnen dienen ter toelichting op dit verzoek.

Er bestaat een ‘bezwarenregeling’ met een reglement. De procedure is dat eerst een besluit wordt genomen, en dat vervolgens bezwaar openstaat. Echter, nu blijken er besluiten te bestaan - klaarblijklijk ‘primaire besluiten’ geheten - waarvoor bezwaar niet vatbaar zou zijn - terwijl bezwaar klaarblijkelijk alleen geldt voor ‘besluiten tot handhaving van besluiten’.

Dit lijkt me in strijd met de bezwarenprocedure.

Tevens tast ik in het duister t.a.v. de correcte tekst van het ‘primair besluit’ waarnaar verwezen wordt. Voorzover ik weet is het ‘détournement de pouvoir’ t.a.v. artikel 58 vernietigd - maar bestaat dit machtsmisbruik nog in ‘primaire’ vorm ?

Ik acht e.e.a. extra raadselachtig, omdat het ‘besluit op bezwaar’ identiek is aan het originele besluit. Wanneer het ene verworpen is, dan logisch ook het andere.

De Raad heeft geconstateerd dat ik de iure niet verplaatst ben maar de facto wel, zodat men naar een verklaring heeft moeten zoeken. Men zoekt die verklaring in een ‘materiële grondslag’. Men stelt nu dat die "materiële grondslag (...) dat appellant na zijn verplaatsing zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, niet (is) aangetast." Echter, ik heb steeds gesteld dat ik nog geen gelegenheid heb gehad om mij tegen beschuldigingen terzake te verdedigen. Ik wil gaarne weten wat de beschuldiging is. Waarom besloot men dat ik verplaatst moest worden ? Wanneer ten aanzien hiervan een besluit wordt genomen, dan kan ik mij daartegen verdedigen. Ik heb u in 1998 in de gelegenheid gesteld om een besluit te nemen omtrent de reden waarom ik verplaatst moest worden. U heeft besloten geen nieuw besluit te nemen, en een uitspraak van u ter zitting was dat ik weer op het CPB zou werken indien ik niet inmiddels ontslagen was. De Raad stelt: "Gedaagdes besluit om geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is inmiddels in rechte onaantastbaar." Maar dat betekent dat ik officieel niet verplaatst ben ! Dit impliceert dat er geen noodzaak was om mij te verplaatsen, en derhalve heb ik geaccepteerd dat er de iure geen verplaatsing bestond, en was er ook een nieuw feit om het ontslag te herzien. De Raad gaat hieraan voorbij - en dat lijkt me dus een dwaling van het recht.

Een van de gevolgen betreft de verkorte beoordeling over 1990 die er nog steeds van uit gaat dat ik verplaatst ben. T.b.v. de consistentie verzocht ik: ‘over 1990 was een FPB toegezegd, laat deze dan maar zien’. Daarop heeft EZ zich verdedigd met: ‘deze FPB bestaat niet’. Daarop heb ik gezegd dat mijn verzoek vanzelfsprekend is te begrijpen als ‘als hij niet bestaat, maak hem dan maar’ (zoals een docent de studenten aan het begin van het semester zegt dat hij aan het eind scripties wil zien).
De Raad ondersteunt de visie van EZ (pag 3, punt 3). Tevens voegt men de overweging toe dat deze FPB niet meer nodig is omdat ik inmiddels ontslagen ben. Hier echter negeert de Raad het Nederlands alsmede mijn verzoek tot heropening van de ontslagkwestie.

(4)

T.a.v. mijn verzoek aan de Raad tot herziening van ontslag e.d. (00/4407-00410 en 00/4412 en 004414) moet ik wederom een dwaling van het recht constateren.

Mijn verzoek is de kwestie te laten onderzoeken door wetenschappers, en mij ook de middelen te geven om de kwestie voor te leggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name t.a.v. het punt dat de Raad voorbij is gegaan aan mijn verzoek tot het horen van getuigen en deskundigen.

De volgende opmerkingen kunnen dienen ter toelichting op dit verzoek.

Uw besluit uit 1998, om geen nieuw besluit t.a.v. de verplaatsing in 1990 te nemen, wordt door de Raad niet geaccepteerd als nieuw feit, maar gezien als daterend van ná het ontslag - terwijl het in termen van de zaak redenerend wel degelijk een nieuw feit is. Want klaarblijkelijk bestond er geen noodzaak tot verplaatsing.

Eveneens negeert men de stukken die ik heb voorgelegd welke wijzen op een vooringenomenheid bij de directie van het CPB. Ik heb er begrip voor dat men mij niet onmiddellijk gelooft, maar, juist om die reden heb ik gezegd dat e.e.a. onderzocht moest worden.

Van belang is dan, dat men voorbijgaat aan mijn verzoek tot het horen van getuigen en deskundigen.

T.a.v. deze kwestie zal ik in ieder geval wachten totdat nieuwe ontwikkelingen leiden tot nieuwe feiten.

Evenwel kan ik u zinvol nog het bovenstaande verzoeken. Uw juridisch adviseur mr. C.S. Bol heeft de kwestie nog eens langs zien komen, en wellicht dat deze toch een paar punten is opgevallen, welke samen met de kennisname van deze rechterlijke dwalingen leiden tot nieuw inzicht.
 
 

De verzoeken onder punten (1) t/m (3) doe ik op rechtsgrondslag, het verzoek (4) heeft puur een basis in de wetenschappelijke ethiek. Gaarne vraag ik u te reageren binnen zes weken. Voor de goede orde memoreer ik dat er een brief is van de directie van het CPB dat men niet meer reageert op brieven mijnerzijds over deze kwestie. Mocht u eenzelfde positie innemen, dan resteert mij na genoemde zes weken slechts de mogelijkheid om een kennelijke weigering te constateren, in ieder geval ten aanzien van de punten met rechtsgrondslag.
 
 

Met vriendelijk groet,
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu