Pleitnota

Aan: Centrale Raad van Beroep (CRvB)
00 / 4386, 98 / 447, 00 / 4407 t/m 4410, 4412 en 4414 AW R006 92

Zitting 17 januari 2002

Van: Thomas Cool, 2 januari 2002
 
 
 
 
 

Edelachtbare,
 
 

Mijn suggestie voor de volgorde van bespreking ter zitting is:

(1) publicatiegang 00 / 4412
(2) FPB 98/447 en 00 / 4407a en niet reageren t.a.v. de CIR (rechtbank 00 / 6821) danwel het niet-reageren door de CIR (mijn brief aan u van 2001-12-13)
(3) schaal 12, taakomschrijving 00 / 4407b en c
(4) functioneren 1990-1991, periodiek danwel bevordering 1991 00 / 4408 en 00 / 4386 (inclusief weigeren onderzoek naar verplaatsing - rechtbank 98 / 2424)
(5) herzien ontslag 00 / 4409
(6) herzien wachtgeld 00 / 4414
Zie hierbij ook de Lijst der Stukken behorend bij deze zaak, en nog te checken is dat zij alle beschikbaar zijn (de lijst lijkt ook nog niet volledig). De uitspraken en gedingstukken van de lagere rechter 00 / 6821 en 98 / 2424, waarna ik verwijs, gebruik ik hier als informatiebron.

Waar het voorgaande de besluiten volgt, hanteert onderstaand pleidooi een meer inhoudelijke volgorde. Mijn positie wordt reeds weergegeven in mijn brief "Aan de wetenschappelijke collega’s van het Centraal Planbureau", opgenomen in de bundel "Trias Politica & Centraal Planbureau", Samuel van Houten Genootschap 1994 (TP&CPB). Dit is de rechtbank eerder toegezonden, en is beschikbaar op mijn internet site zowel in html als pdf formaat. Het navolgende geeft vervolgens een update. 
 
 

(1) Tijd en integriteit

Kalendertijd verschilt van juridische tijd en van wetenschappelijke tijd.

In deze zaak staan logica en wetenschappelijke integriteit voorop, en die zijn tijdloos.

De kalendertijd komt op een aparte wijze aan de orde. De CRvB heeft de bevoegdheid het ontslag nietig te verklaren, of te onderschrijven dat het toch wetenschappelijk correct is dat een concept-publicatie eerst intern besproken moet kunnen worden. Deze bevoegdheid speelt in het heden

De kalendertijd doet ook zijn intrede, waar het de directie van het CPB (voortaan: D) en de ministers van EZ en BZK van nu zijn die de wetenschap breidelen. Het is het bevoegde gezag van heden dat haar argumenten aandraagt in de zitting van heden.

Het is de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen om logica en integriteit van de wetenschap te bewaren, tijdloos, maar dan juist ook nu.

Het recht zie ik daarbij als ondersteunend aan deze principes, en niet als ondersteunend aan machtsmisbruik en breidel. De CRvB zit natuurlijk in de positie van ‘wat men ook doet, het is goed’, maar referentie aan genoemde principes lijkt toch een zinvolle toets.

Waar men ook zou kunnen denken aan een argument van verjaring, moet opgemerkt worden dat vertraging niet aan mijn kant gezocht moet worden. 

  • Bijvoorbeeld heeft D t.a.v. de publicatiegang in 1990 ‘onontvankelijkheid’ voorgewend, terwijl ter zitting in 1993 grif werd toegegeven dat dit eigenlijk niet juist was. 
  • Bijvoorbeeld werd de verplaatsing in 1993 vernietigd, en nam de minister pas in 1998 een nieuw besluit. 
  • Bijvoorbeeld was reeds in 1999 sprake van een discussie over een Commissie Integriteit Rijksoverheid (CIR), en doet D daar niets mee. 
Er is eerder sprake van een uitputtingslag met de juristen van de ministeries, zoals de personeelschef mij destijds waarschuwde, en van verjaring als argument kan geen sprake zijn.
 
 

(2) Algemeen belang

De problematiek is van algemeen publiek en wetenschappelijk belang. 

Tegelijkertijd heeft D mijn positie aangetast en de kwestie tot een arbeidsrechtelijk conflict gereduceerd. Ik moet mij vanzelfsprekend op dit vlak verdedigen, want een aanval op mijn persoon doet schade aan mijn positie als wetenschapper - en de wetenschap als zodanig.

Het CPB-werk wordt gedaan in een maatschappelijk spanningsveld. Zoals ook D officieel haar onafhankelijke positie beschermt, zo heeft ook de gewone wetenschapper een goede rechtspositie nodig. Deze verdient bescherming tegen beweringen die onbewezen blijven en tegen besluiten die niet de goede procedures in acht nemen of buiten de maat zijn. De redenering van de wetgever is duidelijk. Goede nieuwe ideeën kunnen in het begin op ongeloof stuiten, en wanneer er onvoldoende bescherming is, dan blijven beleidskansen onbenut.

In 1989 werkte ik 7 jaar bij het CPB. Op 1 oktober ontving ik de normale dubbele periodiek conform het referentiepad, en omdat de beloningsdatum terugschoof van oktober naar maart, stelde mijn chef voor maart 1990 andermaal die dubbele periodiek voor. In december evenwel vertelde hij me dat ik er slechts 1 kreeg. De chef verwees hierbij naar de inhoud van de notitie 89/III/20 die ik in de tussentijd had geschreven. Dat was vreemd: want feitelijk werd een arbeidsrechtelijk middel gebruikt om de wetenschappelijke discussie te sturen.

Ik heb directie en andere partijen gedurig gevraagd om onderzoek van deze kwestie van algemeen belang, en ik heb ook gevraagd om adequate bescherming van mijn positie als wetenschapper. Dat is mij steeds geweigerd. Ik sluit niet uit dat de opstelling van D is belast door verkeerde voorlichting vanuit chef en HAC over mijn persoon, maar de weigering blijft een feit. Ik noem:

  • In december 1989 heb ik D om vertrouwenwekkende maatregelen verzocht. Het tegendeel gebeurde, met een verdere aantasting van mijn positie. 
  • In april 1990 heb ik D voorgesteld een Commissie van Goede Diensten (CGD) te gebruiken. Daarin zag ik een wetenschappelijk adviseur ter bewaring van de integriteit. D verwees me echter naar de bezwarencommissie. 
  • In juli 1990 heb ik de plv. secr. generaal mr. J.W. Weck geschreven dat de kwestie van algemeen belang is en dus niet met de procedure bij de bezwarencommissie verward moest worden. Mr. Weck verwees me terug naar die bezwarenprocedure. 
  • Over de jaren heb ik mijn standpunt herhaald, en ook externe organen als NWO-Ecozoek en KNAW aangeschreven. Zonder effect. Alleen de NVMC heeft de publicatiegang behandeld, en D daar bekritiseerd. Tot mijn grote genoegen heb ik wel wetenschappers Guido den Broeder en Richard Gill getroffen, die vinden dat de kwestie onderzoek verdient. 
  • In 1999 heb ik D geschreven over de nieuw ingestelde "Commissie Integriteit Rijksoverheid" (CIR). D besloot überhaupt nooit meer te reageren - terwijl ik toch niet degene ben geweest die voor zoveel vertraging heeft gezorgd. 
  • In december 2001 heb ik de CIR zelf geschreven. Maar men houdt de boot vooralsnog af.
Er is een inconsistentie in het standpunt van directie en EZ (Weck):
  • Enerzijds, en nu, beweert EZ dat mijn punt van algemeen belang valt onder de bezwarenprocedure voor arbeidsrechtelijke zaken (het standpunt van Weck), 
  • anderzijds, tegelijk, nu,beweert EZ dat een CIR nuttig is. 
Dat is niet consistent. In feite geeft EZ toe dat het voorgaande standpunt incorrect was. Ik doe een beroep op BZK om mij tegen de inconsistentie van EZ te beschermen. Ik beschouw deze inconsistentie ook als een nieuw feit om het ontslag te herzien.
 
 

(3) Getuigen en deskundigen

Eerder heb ik rechtbank en CRvB verzocht getuigen en deskundigen op te roepen. Het zijn getuigen en deskundigen t.a.v. de situatie. Ik zou gaarne het misverstand willen vermijden dat het getuigen ‘voor’ mij zijn. Mijn verzoek is echter geweigerd. Dat is jammer, want getuigen en deskundigen zouden zich belast kunnen voelen indien ik hen zelf oproep. Evenwel, heden is de laatste juridische mogelijkheid om getuigen en deskundigen op te roepen, en ik zie me derhalve gedwongen om dit nu zelf te doen (bijlage 1).

Door het verschil tussen kalendertijd en juridische en wetenschappelijke tijd doet het er niet zoveel toe op welk kalender-moment een getuigenis tot stand is gekomen.

In bijlage 2 geef ik een aantal algemene vragen voor de getuigen en deskundigen. Vervolgens zijn er specifieke vragen per persoon (zie eerdere stukken).

Het lijkt me ook nuttig om allen onder ede te horen. Een toelichting is nuttig. Het is zinvol te memoreren dat D mijn integriteit (‘als zodanig’) respecteert. Ik van mijn kant respecteer de integriteit van D en andere betrokkenen. Wel zie ik dat regels worden bijgebogen naar een gewenst resultaat, terwijl het erom zou moeten gaan om zuiverheid te betrachten. Ik houd nog steeds rekening met de mogelijkheid dat het van de kant van D allemaal een misverstand is geweest. Het kan goed zijn dat men door verkeerde informatie op het verkeerde been is komen te staan. Maar men maakt het dan wel erg complex, allemaal. Toen D de zaak doorgeleidde aan de juristen is een vat geopend dat meestal weinig met wetenschap te maken blijkt te hebben. In het verleden heb ik me wel eens geïntimideerd gevoeld door de juristerij van EZ en BZK, maar dat is een gevoel dat men moet overwinnen omdat het toch gaat om de integriteit van de wetenschap. Dat ik me uiteindelijk niet wil laten intimideren wordt door de juristen van EZ en BZK nu gebruikt als argument dat ik een ontslag onvermijdelijk heb gemaakt, en bovendien aan eigen schuld heb te wijten ! Men maakt het hier wel erg bont. Om die reden is ook een conclusie van kwade trouw mogelijk. Wegens dit risico verzoek ik u de CPB-collega’s maar juist ook de juristen van EZ en BZK onder ede te horen. Het gaat om het waarborgen van de integriteit van de wetenschap en niet om het toewerken naar gewenste resulaten.
 
 

(4) Nieuwe feiten

Inmiddels zijn 2 uitspraken van de CRvB opzij te zetten, dus zorgvuldigheid is vereist !

Zoals in de beroepschriften reeds eerder aangegeven, zijn er nieuwe feiten (in juridisch opzicht) om ontslag en beschuldiging van eigen toedoen en dergelijke te herzien. 

  • De casus heeft enkele ‘Von Münchhausen-constructies’ zoals t.a.v. FPB, verplaatsing, publicatiegang en dergelijke. Hieronder wordt uitgewerkt waarom dit nieuwe feiten zijn. 
  • Evenzozeer is de instelling van de CIR een admissie van de minister, dat men het niet goed heeft aangepakt - en daarmee een nieuw feit.
  • Wellicht ook dat uit de verklaringen van getuigen en deskundigen nog nieuwe feiten blijken. 
  • Een belangrijk nieuw feit is, dat mij rond 1996 gebleken is dat directeur Zalm in december 1987 in de hoedanigheid van ambtelijk directeur Algemene Economische Politiek (AEP) een vooringenomen positie heeft gehad. Ik vermoed het slachtoffer van diezelfde houding te zijn geweest toen Zalm in 1988 onderdirecteur en vanaf 1989 directeur CPB werd. Of dit zo is, weet ik natuurlijk niet, maar mijn verdediging luidt wel dat die kwestie onderzocht moet worden voordat van ontslag sprake kan zijn. Ook dit wordt hieronder nader toegelicht.
(5) Von Münchhausen t.a.v. de publicatiegang

Hier komt de wetenschappelijke integriteit het scherpst aan de orde.

Het verzoek tot publicatiegang van een artikel werd in 1990 onontvankelijk verklaard, maar dit werd in 1993 vernietigd. Daarop werd besloten dat het artikel onvoldoende kwaliteit zou hebben. Maar, mijn punt is dat ik in deze publicatiegang eerst de mogelijkheid wil hebben tot een interne bespreking, voordat ik de definitieve versie voor publicatie vaststel. D kan nog geen uitspraak over de kwaliteit doen !

De CRvB zou kunnen besluiten dat interne discussie gehouden had moeten worden, maar dat dit niet meer relevant is omdat ik inmiddels ontslagen ben. Dat zou echter een dwaling zijn.

Bij zo’n besluit (‘gedekt zijn van nietigheid’) botst men met de integriteit van de wetenschap. D claimt dat het CPB een wetenschappelijk instituut is. Zouden dit soort juridische constructies worden gebruikt waardoor de wetenschappelijke discussie onmogelijk wordt gemaakt, dan is men in strijd met de eigen pretenties. 

  • Als men stelt dat alle raven zwart zijn, maar er blijkt plots een witte raaf te bestaan, dan is de algemene stelling verworpen. 
  • Wil D de conclusie aan, of nog sterker, wil de minister van EZ de conclusie aan, dat het CPB geen wetenschappelijk instituut blijkt te zijn ?
Laatst hoorde ik via-via, in het voortdurende gesprek dat economen onderling voeren - wat soms ook wel het karakter van het geruchtencircuit kan krijgen - dat een collega op het CPB tegenover buitenstaanders beweerde dat mijn analyse niet houdbaar was, en bijvoorbeeld veel te veel geld zou kosten. Het probleem dat ik daarmee heb, is dat deze collega dit niet goed kan beoordelen, omdat de interne discussie nog niet is gehouden. In zo’n interne discussie kan hij zijn bewaren tegen mij uiten, en dan kan ik antwoord geven, en krijg ik de gelegenheid een onduidelijkheid te verhelderen. De huidige gang van zaken is niet verantwoord. Wanneer de CRvB besluit dat een interne discussie mogelijk moet zijn, en dus gehouden zal moeten gaan worden, dan is er een nieuw feit, dat nieuw licht werpt op mijn functioneren en ontslag, zodat ook de ontslagkwestie weer open ligt. Overigens heeft D in de loop der tijd verschillende diskwalificaties genoemd:
  • Het stuk bespreekt taak en plaats van het CPB, maar dat zou niet tot mijn taak behoren. Maar, het CPB kent een ‘strategisch beraad’ voor de medewerkers, en sinds jaar en dag spreekt de Algemene Personeels-Vergadering (APV) over ‘taak en plaats’. Zie ook het boek van Passenier over 50 jaar CPB. Het is nuttig dat D dit nog eens bevestigt. (Bovendien schreef ik dit artikel op de kamer apart juist met de taak ‘lezen en schrijven’.) 
  • Er is gezegd dat het niet tot mijn taak behoorde over de werkloosheid na te denken. Maar werkloosheid valt onder macro-economie, en ik nam deel aan de lange termijn studie. 
  • D stelt dat cijferwerk ontbreekt. Maar ik mocht de computer niet gebruiken. 
  • Men verzet zich tegen de gedachte van een advies tot een parlementaire enquête. Maar dan laat men zich uit over de inhoud van de analyse, en dat kan niet ! [Voetnoot: Voor de zitting van de CRvB is het niet mijn bedoeling om dit advies te onderbouwen. Wel moet ik onderbouwen dat mijn aanpak geëigend is, en dat kan ik doen door te verwijzen naar de Nobelprijzen van dit jaar, welke zijn verleend omtrent de rol van niet-prijs-informatie. Gangbare economische modellen gaan er van uit dat informatie in prijzen verwerkt wordt, maar bij institutionele verbanden komt informatie ook anders tot zijn recht. De parlementaire enquête is ingesteld als instrument voor het parlement tot het verzamelen van informatie voor wetgeving.]
  • Er wordt gesproken over de ‘stijl van een querulant’. Op zich is het nuttig dat zulk commentaar wordt gegeven, want dan weet je hoe e.e.a. overkomt en kun je dit aanpassen. Maar deze teksten zijn ook concepten en interne notities die nog niet naar buiten gaan. Na een periode waarin veel computerwerk plaatsvond moest ik als auteur ook de slag weer te pakken krijgen. Maar wanneer directeur Zalm spreekt over de stijl van een ‘elderly statesman’ dan schuift het beeld al weer. Ik kan ook opmerken: (1) Ik heb in 1988 een tweede prijs gewonnen in een korte verhalen wedstrijd: ik poets en schaaf aan mijn teksten (en niet slechts om de eerste prijs te krijgen). (2) Zie de bijgevoegde beschouwing van Herman Tjeenk Willink - inmiddels de vice-voorzitter van de Raad van State - destijds in de Eerste Kamer (1991-04-23, bijlage 3), welke hij me toestuurde toen de bibliotheek van de Eerste Kamer mijn boek "Trias Politica & Centraal Planbureau" kocht. Ik denk dat mijn taalgebruik daarop lijkt. Schrijft Tjeenk Willink als een querulant ? Wat moet je verder met zoiets ? Zinvol is, dat hij de problematiek van bestuursverstarring bespreekt, en ook een probleem t.a.v. het CPB ziet. Het is te betreuren dat Tjeenk Willink in 1991 geen gebruik heeft kunnen maken van mijn door D gebreidelde analyse.
Het is zinvol om ook aandacht te vragen voor hoe men reageert. Op zijn hoogst geven D, HAC en chef een schriftelijke afwijzing, maar dan weinig diepgaand, zodat de vraag ontstaat of men het echt gelezen heeft. Logischer zou het zijn, de auteur te spreken, vragen te stellen over eventuele onduidelijkheden, en doorpraten tot misverstanden zijn weggewerkt. Deze aanpak zien we echter niet. D, chef en HAC leggen de analyse weg als ‘onrijp’ of ‘onzin’ in plaats van dat er de poging is om het ‘rijp’ te maken. Deze houding gold al ten aanzien van de ‘knelpunten’ notitie. Wetenschap is echter ook praten, en het is niet alleen elkaar papier toesturen. Ik herhaal dat men zich kan afvragen of de chef en HAC hier wel goed hebben gefunctioneerd vóór het probleem met D ontstond. Eventueel kan men zeggen dat men geen tijd had om te praten, maar ja, dan is dat het probleem, en niet mijn functioneren. 

Is het geen vreselijke conclusie dat indien enkele CPB-ers in 1989/90 de tijd hadden genomen om eens serieus met me te praten, dat de werkloosheid toen opgelost had kunnen worden (en deze zaak niet had bestaan) ? Ja, D stelt dat veel met me is gesproken, maar, men is over mijn functioneren gaan praten, en niet over de inhoud (en t.a.v. het functioneren luistert men slecht). Ja, men stelt dat ik goed kan programmeren, maar, ik zou niet kunnen denken ?

Ik kan zinvol toelichten dat ik sinds de verplaatsing helemaal in een autistische omgeving ben beland. Communicatie tussen mij en D gaat schriftelijk, en zoals gezegd werd interne bespreking verboden. Nu ik ontslagen ben, praat geen wetenschapper met me. Presentaties op economische congressen leveren glazige ogen, want ik mag blijkbaar niet protesteren tegen de breidel van de wetenschap door D. Ik kan artikelen naar een redactie van een tijdschrift sturen, maar dan komt het meestal terug met commentaar dat weinig zinvol is. Het is bureaucratisch geschuif met papier, in plaats van dat iemand de telefoon pakt en gaat doorvragen. Wellicht denken redacties dat ik met anderen kan praten en aan het artikel kan schaven, maar dat is een misverstand. Ik zit op het kamertje apart.

Ik heb gepubliceerd in de laatste 12 jaar, maar het zijn maar deelaspecten en doorkijkjes. 

Kijk, t.a.v. de werkloosheid zijn er minstens 100 facetten. Je moet iets weten van belastingen, van sociale zekerheid, van Public Choice, etcetera. Referees van tijdschriften zijn gangbaar echter specialistisch. Maar, indien je één facet al niet ziet, dan kan de rest al onzin lijken. Je kunt niet van een enkel artikel of een enkel boek verwachten dat daarin alle 100 facetten precies zo verwerkt zijn dat precies ook jouw eigen misverstand er altijd door wordt opgelost.

Bij het Planbureau, daarentegen, wordt coördinatie gepleegd. Praten op het Planbureau en publicatie door het Planbureau ligt dan ook voor de hand.

(6) Von Münchhausen t.a.v. de verplaatsing

Eventueel zou de CRvB de redenering kunnen hebben dat destijds het ontslag is doorgelaten terwijl de Raad al wist dat de verplaatsing was vernietigd. 

Echter, de overweging was destijds dat EZ met de verplaatsing ook disciplinaire bedoelingen had. EZ had dan ook zo’n besluit moeten nemen, om mij in staat te stellen mij te kunnen verdedigen. Door dit niet te doen, doorbreekt EZ de redenering, en wordt mij wederom beroep onthouden. Wederom een inbreuk op het recht ! Mijn verzoek aan de CRvB is dit niet toe te staan en de gang van zaken andermaal te zien als détournement de pouvoir. 

Ik ben in april 1990 verplaatst, en D heeft deze verplaatsing gebruikt voor het ontslag.

Ik heb me steeds tegen dat ontslag verdedigd met het argument dat ik eerst wil weten waarom ik verplaatst werd, met de mogelijkheid van verdediging - met hoor en wederhoor - tegen die verplaatsing. Deze verdediging is formeel geweest, want het is ondoenlijk om te proberen alle materiële eventualiteiten te behandelen. In 1993 werd die verplaatsing vernietigd. Pas in 1998 werd een nieuw besluit genomen: maar dit besluit was ‘dat er géén nieuw besluit werd genomen’, zodat ik de iure was teruggeplaatst. Maar hieraan werden geen consequenties verbonden ten aanzien van het ontslag.  Ik heb me dus nimmer tegen verplaatsing en ontslag kunnen verdedigen. De CRvB heeft zich weliswaar eerder over het ontslag uitgesproken, maar dat was dus prematuur, en was dus een dwaling van het recht. Wanneer de CRvB inziet dat de verplaatsing misbruikt wordt, dan is ook dat een nieuw feit, dat nieuw licht werpt op mijn functioneren en ontslag, zodat ook de ontslagkwestie weer open ligt. T.a.v. de oorzaken van verplaatsing tast ik nog steeds in het duister. D heeft mij daar geen officieel besluit over meegedeeld. Er is een memo van de chef met een beschuldiging van werkweigeren, maar ik heb geen werk geweigerd, en de chef heeft ook voor de bezwarencommissie een verkeerde voorstelling van zaken gegeven over een visie van een collega i.v.m. de noodzaak tot verplaatsing. Onderzoek van dit alles is nog steeds nodig.
 
 

(7) Von Münchhausen t.a.v. de gevolgen van de verplaatsing

Waar ik de iure niet verplaatst ben, en waar ik accepteer dat de reden voor de facto verplaatsing niet in mijn functioneren ligt, zijn er wel allerlei gevolgen.

De minister van EZ stelt dat ik nu in april 1990 ben teruggeplaatst, maar doet nog niets met de besluiten die daarop volgen, zoals de verkorte beoordeling over 1990, de periodiek over 1990 en de tweede beloofde FPB en de bevordering. 

Deze vervolgbesluiten gaan nog steeds uit van die verplaatsing ! 

De minster van EZ is dus niet consistent, en verschaft de collega van BZK verkeerde informatie. Ik verzoek de minister van BZK mij hier te beschermen. Ik meen dat ik over 1990-1991 goed heb gefunctioneerd. Ik heb de integriteit van de wetenschap op adequate wijze beschermd. Ik heb loyaal op het kamertje apart een tiental notities geschreven. Er wachten dus meer publicaties wanneer het principe is afgehandeld. Ik heb gedaan wat mij is opgedragen. 

Er is ook iets, wat we misschien maar het ‘verplaatsingseffect’ moeten noemen. Het dossier bevat veel correspondentie tussen mij en directie. Het dossier is hier vertekenend t.a.v. de werksituatie, en ik verzoek u daar rekening mee te houden. De situatie was immers dat ik in de periode na de verplaatsing rechtstreeks onder D was geplaatst. Normaliter komt materiaal over het werkproces niet in een dossier voor arbeidsrechtelijke aspecten. Men heeft mondeling overleg met chef en collega’s, en zaken regelen zich. In mijn geval, ging de communicatie met D schriftelijk, en dat vertekent de zaak. Nu ik de iure niet-verplaatst ben, maar wel zo’n dossier bestaat dat gebaseerd is op de facto verplaatsing, is enige zorgvuldigheid nodig. Tegelijk speelde ook de kwestie van de wetenschappelijke integriteit - waar niets mee gebeurde door de opstelling van D en EZ (mr. Weck). Dat alles vergt enig begrip. Op zijn minst mag men van EZ verwachten dat een tweede FPB over die periode wordt opgemaakt - maar dat heeft men niet gedaan en mij zo de mogelijkheid van beroep onthouden.

Relevant is ook mijn beperkte kennis van het arbeidsrecht. Dat was eigenlijk afwezig bij het ontstaan van het probleem in december 1989. In april 1990 vond ik een advocaat, die naar later bleek echter meer thuis was in het civiel arbeidsrecht. Op grond van die invalshoek leek D veel meer mogelijkheden tot ontslag te hebben. Gelukkig verdween die ontslagdreiging toen D besloot de uitkomst van de bezwarenprocedure af te wachten. 

Merk vervolgens op dat deze uitkomst van de bezwarenprocedure op geen enkele wijze een ontslag onderbouwt. Zie hiervoor mijn brieven aan D van april 1991 en februari 1994.

Dat de verplaatsing ongedaan is gemaakt, heeft een groot aantal gevolgen. Zo zou ik weer toegang tot het mainframe mogen hebben, en dergelijke. Mag ik mijn analyse doorrekenen ? Voor het begrip van de analyse door de vakgenoten zou dat relevant zijn. Maar, EZ doet alsof dat allemaal niet relevant zou zijn.
 
 

(8) Von Münchhausen t.a.v. de FPB

De FPB is te vernietigen, omdat EZ tot nu toe onzorgvuldig is geweest.

Bij de behandeling van de FPB is EZ steeds onzorgvuldig geweest. Indien de CRvB vaststelt dat de FPB nog steeds niet correct tot stand is gekomen, en dat eindelijk eens de correcte procedure gevolgd moet worden - bijv. mede onder begeleiding van een CGD of CIR - dan is daar ook weer een nieuw feit om naar het ontslag te kijken. De Functionele Personeels-Beoordeling (FPB) van januari 1990 is vastgesteld onder verantwoordelijkheid van de hoofdafdelingschef (HAC). Ik had D echter juist verzocht om een andere beoordelaar. Ten eerste had ik meer te maken gehad met de plv. HAC, dus dat zou een adequatere keuze zijn. Ten tweede waren er verschillende problemen rond de HAC:
  • Er waren een paar notities van me bij hem in de la blijven liggen. 
  • De HAC beweerde dat bevordering niet aan de orde was, maar later bleek van wel. 
  • Toen ik één in plaats van twee periodieken kreeg, stelde de HAC dat die ene periodiek door het verschuiven van de periodiek-data toch als twee telde. (Hij heeft dit nooit op papier gezet, ondanks herhaald verzoek van me.) Later werd door D gesteld dat er toch sprake was van inhouden wegens het functioneren. (Maar volgens de chef omdat mijn notitie slecht gevallen was, hetgeen het probleem veroorzaakt met de integriteit van de wetenschap.)
Ter bewaring van mijn positie heb ik D op 18 december 1989 een brief gezonden over de situatie. Deze brief is tot nog toe niet in de stukken terug te vinden, omdat ik hem begin januari van D terugkreeg met de mondelinge mededeling ‘indien je dit inzend, dan is er een probleem’. Ik weet niet wat daarmee bedoeld werd of wordt, en ik betreur al jaren dat er geen CGD of CIR is die op correcte wijze met de hele kwestie aan de slag gaat. Aangezien dit de denkelijk laatste rechtszitting is, voeg ik de brief er maar bij. (Bijlage 4.) 

Men kan lezen dat ik daarin ook kritiek op het management uit. De HAC heeft in een brief van 1992-05-03 bevestigd dat hij de brief gezien heeft, en spreekt van "nogal diskwalificerende (om het netjes te zeggen) opmerkingen" over chef en hem. Het gaat mij echter om de zaak en niet om kritiek op personen - die brief is natuurlijk wel onder tijdsdruk geschreven en ik voelde mij door de gebeurtenissen overvallen, dus excuus voor de bewoordingen. Het was toen ook niet mijn bedoeling dat chef of HAC die brief zagen. In ieder geval: zeker toen de HAC de brief gezien had, ware het beter om hem niet als beoordelaar aan te wijzen. Ik ben geneigd de HAC in de kern als een degelijk persoon te beschouwen, en hij zal zijn best doen om onderscheid te maken tussen functioneren en mijn kritiek op het management, maar het is ook duidelijk dat hij de situatie verkeerd beoordeelt, en het blijft zorgvuldiger om bijv. de plv. HAC te vragen. En inderdaad, ik denk dat de FPB door deze gang van zaken beschadigd is, zie mijn beroepschrift.

Voor de goede orde wijs ik ook op het feit dat in die periode het management van het CPB in het algemeen onderzocht is en dat men met managementstrainingen is begonnen (D-DC overleg van 2 maart 1989). Ik citeer uit enkele conclusies van het onderzoek (zie bijlage 5 voor deze pagina uit het onderzoek):

  • "Onduidelijkheid en een niet open communicatie tussen chefs en medewerkers hangen samen met de cultuur van het bureau; ieder is vrij en kan derhalve zijn gang gaan; falend leiderschap wordt afgedaan met een beroep op de cultuur. Ondertussen blijven ondergrondse heidebranden voortwoekeren. 
  • Afdelingschefs worden niet gekozen op grond van managementskwaliteiten, maar op hun inhoudelijke kennis. De personele kant krijgt daarom weinig aandacht. Onkunde, vrees en tegenzin zijn van invloed op de houding van de chef en daarmee op de relatie tussen hem en de medewerker. 
  • D is meer geïnteresseerd in de uitvoering van het werk, dan het personele gebeuren. Het laatste wordt gezien als lasting en bijzaak. Voor deze materie wordt door D geen beleid gevoerd. 
  • Het ontbreekt het bureau aan een overlegstructuur. Informatie stroomt niet door. De organisatie bestaat uit losse cellen. Het informele circuit is daarentegen een belangrijke bron van informatie. 
  • De problematiek van onduidelijkheid en een niet open communicatie gaan terug naar het organisatiebeleid. (...)"
E.e.a. is in context te zien, maar toch.

Ten aanzien van de situatie op de afdeling valt nog steeds voldoende te reconstrueren. D, EZ en BZK hebben nimmer iets gedaan met het punt van de multiculturele medewerkers. Bijlage 6 is een algemeen krantenartikel, en bevat een beeld van de problematiek - waar de huidige FPB dus geen rekening mee houdt. Of dit citaat, op p23 geciteerd in het proefschrift van David Pinto uit 1993 over allerlei beroepsgroepen:

"(...Autochtonen...ook hoog opgeleiden...) ervaren in hun contact met nieuwe ingezetenen, dat zij in hun opleiding, hun beroepsvoorbereiding totaal niet voorbereid zijn op deze situatie, die door hun aangeleerde en jarenlang gehanteerde vaardigheden, werkmethoden, omgangsvormen en gesprekstechnieken niet meer het gewenste resultaat bereiken (sic), maar zelfs het tegendeel. Redenen waarom men in toenemende mate, soms volkomen radeloos, in vele gevallen met de handen in het haar, hulp zoekt." Voor de FPB is ook de ‘knelpunten notitie’ van 23 november 1989 nuttig, welke volgens de chef dus bij D slecht was gevallen en die ik beter niet had kunnen schrijven. Onafhankelijke wetenschappers kunnen daar hun licht over laten schijnen.

Er is ook mijn memo over het ‘technische pad 1990-2015’ in het kader van de lange termijn studie. In relatie hiermee, kan ik ook een interne projectie toevoegen (bijlage 7), van een andere afdeling, van de verwachte ontwikkeling van het aantal WAO-ers in de periode 1990-2000. Er werden zo’n miljoen WAO-ers voor rond 2000 verwacht. Vanzelfsprekend had deze kwestie ook de aandacht van D. Maar kan D zo afdingen op de zinvolheid van de ‘knelpunten notitie’.

Waar de FPB in januari 1990 is vastgesteld, is er intern beroep geweest, en heb ik de directeur persoonlijk een aantal notities gegeven om nog eens te bekijken (met toelichting 1990-03-20). Dat leidde niet tot wijziging. Tijdens de zitting van de bezwarencommissie veranderde de chef de scores, en HAC en onderdirecteur luisterden zwijgend toe. Wellicht hebben zij diep meegedacht. Alleen, voorzover ik weet zijn die notities door de directeur gelezen en niet door de onderdirecteur.

Een herziene FPB is dus nog steeds mogelijk. En het is nog steeds denkbaar dat HAC en directie toch een bevordering accepteren. (Ook wanneer D geschorst wordt en een interim-directie wordt ingesteld.)

(PM. Waar ik alert ben op nieuwe feiten: wellicht zijn bijlagen 4, 5, 6 en 7 dat. Zij zijn geen nieuw feit voor mij, maar wellicht heeft het voor de Raad deze juridische betekenis, nu zij zo beschikbaar komen. Ik weet niet hoe dat werkt. Het heeft me in het verleden bijv. verbaasd dat ik via een document moest bewijzen dat wetenschappelijke medewerkers ‘artikelen op naam’ kunnen publiceren e.d. ! De wegen van de rechtspraak zijn wonderlijk. De FPB kan sowieso vernietigd worden, maar misschien kan het helpen hier ook naar nieuwe feiten te zoeken.)

(PM. Waar D in april 1990 reeds schreef dat ik ‘voldoende functioneerde, met kanttekeningen ten aanzien van het gedrag’, zou volgens de BBRA reeds van bevordering sprake zijn. Zie TP&CPB p196.)
 
 

(9) Von Münchhausen t.a.v. het wachtgeld

Is het ontslag aan eigen toedoen te wijten ?

BZK stelt dat ik een keuze zou hebben gehad. Mijns inziens is dat niet zo. Ik ben aangesteld als wetenschapper, en mijn opstelling komt daaruit voort. Het vermoeden is dan dat de juristen bij BZK niet begrijpen wat wetenschap is.

Op 11 maart 1992 zond BZK een brief aan mijn toenmalige raadsman mr. Lamme, kenmerk 161541, met als bijlagen de informatie die EZ aan BZK had verschaft. Dat bleken de brieven van EZ aan BZK van 1991-09-10 en 1991-11-02 te zijn, maar met name ook een notitie van D "Chronologie van de meningsverschillen tussen Cool en het CPB (oktober 1989 / maart 1991)" d.d. 20 april 1991. 

Zo ziet men maar hoe nuttig het is dat er een formele bezwarenprocedure is: want D had mij die ‘chronologie’ nog niet zelf toegezonden. D heeft bij het ontslag ook geen FPB opgemaakt: dat zou hoor en wederhoor hebben betekend - en dan had ik op deze ‘chronologie’ kunnen reageren.

Mij is ook onduidelijk of deze ‘chronologie’ een rol heeft gespeeld bij de Beschikking Bij Voorraad van augustus 1991 (terwijl ik er niet van wist).

In het bestuursrecht hoeft men niet op alles te reageren (terwijl het in het civiel recht zo schijnt te zijn dat alle beweringen van een partij staan tenzij weersproken door de ander). De CRvB kan dus zelf wel e.e.a. nagaan. Maar te constateren is dat men tot nu toe wel onzorgvuldig is geweest. Deze ‘chronologie’ staat vol met verkeerde voorstellingen van zaken en suggestief taalgebruik, en is beledigend ten opzichte van mijn integere opstelling in deze moeilijke situatie.

Ik weet niet in hoeverre deze ‘chronologie’ een rol heeft gespeeld bij het eerdere behandeling van het ontslag bij de CRvB - want ik heb ook geen overzicht van welke onwaarheden de CRvB gelooft en welke niet.

De ‘chronologie’ vermeldt bijvoorbeeld niet dat D een eigen beloningssysteem hanteerde dat afweek van het BBRA. Op zich heb ik daar geen probleem mee, maar het zorgt wel voor verwarring, en nu de kwestie door D zo formeel gespeeld wordt, en mij van alles in de schoenen wordt geschoven, dan is voor deze ‘chronologie’ toch ook wel zinvol dat opgemerkt wordt dat men zelf grote verwarring is gaan stichten.

Er zijn in september 1989 en oktober 1989 twee korte beoordelingen. Pas in de tweede wordt het gedrag op de werkplek als minder beoordeeld - maar dat is door een misverstand omtrent de nieuwe collega X2. De tweede beoordeling is ook uitvoeriger omdat de gedachte aan de bevordering is opgekomen wegens de nieuw ingestelde ‘referentiepaden’. De ‘chronologie’ noemt dat allemaal niet.

Van de verkorte beoordeling wordt in de ‘chronologie’ alleen het negatieve punt genoemd, en niet de positieve punten. Er wordt niet genoemd dat de chef voorstelde dat ik twee periodieken zou krijgen.

De ‘beschrijving’ over de periode vóór 1989 is in strijd met de eerdere beoordelingen en het feit dat ik boven het referentiepad functioneerde, en juist loyaal meer computerwerk accepteerde in plaats van het ‘lezen en schrijven’ dat bij de FIF hoort. D gaat met terugwerkende kracht een slechte beoordeling geven, zonder feiten te noemen, en zonder hoor en wederhoor !!

Begin oktober 1989, toen duidelijk was dat X2 goed functioneerde en in de afdeling zou blijven, is op verzoek van X1, C, en X2 werkoverleg opgestart. Dit heeft de situatie op de afdeling duidelijk verbeterd, zie de verslagen van 1989-10-19, 1989-10-26 en 1989-11-09. 

D heeft geprobeerd bij collega’s negatieve verklaringen over mijn gedrag te krijgen. Dat is niet gelukt. Dat geldt zeker voor de naaste collega’s op de afdeling. Vervolgens, bij de bezwarencommissie van EZ heeft de HAC naar collega X3 verwezen, doch, in aanwezigheid van X3’s chef is dit weerlegd. X3 zelf is niet door de commissie gehoord, terwijl D nog niet heeft erkend dat zij navraag heeft gedaan maar een andere reactie kreeg dan zij dacht te horen.

De beschrijving over de periode 1989 tot januari 1990 is in strijd met de verkorte beoordeling en de FPB die over die periode is opgemaakt. Vervolgens: De beschrijving over de periode van februari 1990 - maart 1991 houdt geen rekening met het feit dat ik de iure niet ben verplaatst. (Heeft EZ daar BZK over geschreven?)

Waar ik de facto wel ben verplaatst, houdt de ‘chronologie’ geen rekening met het bovengenoemde verplaatsingseffect..

T.a.v. de verplaatsing doet men het voorkomen alsof ‘ter zitting van de bezwarencommissie nog een nieuw bezwaar werd ontdekt’. Maar mijn advocaat had er een brief over geschreven, en de verplaatsing is een grote aantasting van de rechtspositie. Er is ook weer de oneigenlijke verwarring van die rechtspositie en de fysieke kamer.

De ‘chronologie’ meent dat herplaatsing binnen het CPB niet lukte door mijn opstelling. Terwijl het juist D is geweest die herplaatsing bemoeilijkte door veelvuldig mijn naam om te roepen in de omroepinstallatie samen met die van chef, HAC, onderdirecteur en personeelschef, zodat iedereen wist dat er ‘iets’ aan de hand was. Bovendien wist ik niet waarom ik verplaatst werd, dus wat moet ik tegen een nieuwe chef zeggen ? Dat de chef de situatie onwerkbaar noemde, daar was ik juist blij om, want het was een erkenning dat de aanpak van D niet werkte. Wellicht brak het inzicht door, dat vertrouwenwekkende maatregelen nodig waren.

Het lijkt me nog steeds nuttig dat een chronologie wordt vastgesteld door een CGD of CIR. D is ook inconsistent t.a.v. de opgedragen taken. Op 1994-02-28 schrijft D: "Aangezien tot de u opgedragen taken niet behoorde het ontwikkelen van oplossingen voor de werkgelegenheidsproblematiek, staan genoemde beslissingen los van het oordeel over uw concept-artikel." Maar ik had de taak ‘lezen en schrijven’ !!

Merk op dat ik als wetenschapper tot de mening ben gekomen dat een parlementaire enquête nuttig is. Dat is een stap verder dan het eerdere advies in de concept-publicatie. Mijns inziens is de integriteit van de wetenschap in het geding. Dit inzicht ontbreekt geheel in de ‘chronologie’ zoals opgesteld door D. Mijn FIF vraagt mij te functioneren als wetenschapper. Als wetenschapper is die mening bij mij ontstaan, en ik kan mij er slechts naar gedragen.

Bij de Beschikking Bij Voorraad (BBV) in augustus 1991 is nog sprake geweest van de mogelijkheid van comparitie. Aanvankelijk ging ik daarmee accoord. Ook de dag daarop. Maar na een tweede nacht slapen, ontdekte ik dat ik geïntimideerd was geweest. Ik vind dit nog steeds een van de wonderlijkste ervaringen in mijn leven: eerst het ene te vinden, en plots, als een omgedraaid blad, het andere, en dan een paar dagen later weer terug - bij zo iets wezenlijks. Een inburgeringscursus voor wie met rechtspraak te maken krijgt lijkt nuttig. Maar nogmaals: ik ben niet ongeschikt voor de functie van wetenschappelijk medewerker van het CPB, zoals ook D eigenlijk erkent (op de BBV), en er is ook geen sprake van onverenigbaarheid van karakters, want ik ben een goed wetenschapper, en wanneer we wetenschappelijke procedures volgen komen we eruit.
 
 

(10) Opstel ‘Omzien in verwondering, en ook angst’

Toegankelijkheid en begrijpelijkheid zijn van belang. Voor deze zaak en het grotere publiek heb ik een toegankelijk opstel geschreven over de betekenis van deze breidel (bijlage 8). Voor het economisch aspect van de analyse is een cartoon van Jos Collignon uit 1992 (bijlage 9) vermakelijk, dat t.z.t. wellicht met toestemming aan het opstel kan worden toegevoegd. 

Ik zag grote consequenties in 1989, en die zijn ook gematerialiseerd in de feitelijke economische en sociale ontwikkelingen. Ten bewijze hiervan is er een stapel kopieën met de titel ‘Tropenjaren’ (bijlage 10). Dit geeft een beeld van algemene gebeurtenissen en eigen activiteiten. Persoonlijk vind ik het schrijnend dat D een analyse breidelt terwijl de economie in Oost-Europa instort, in Nederland de WAO-crisis uitbreekt en een parlementaire enquête van Buurmeijer wordt gehouden (naar de uitvoering i.p.v. de voorbereiding van het beleid), en dergelijke. In 1995 wordt gewaarschuwd voor nucleair terrorisme, met materiaal uit de USSR, waar sinds 11 september 2001 ook weer sprake van is met Osama bin Laden. (Bijlage 10 is mogelijk het meest relevant voor de CIR, maar wel in deze procedure !)

Maar deze consequenties nemen nu ook een aparte vorm. CPB directeur Zalm die breidelde, is nu kandidaat voor het premierschap. Een andere kandidaat voor het premierschap, Ad Melkert, heeft kritiek op een ‘Bermuda driehoek’ rond het CPB uit de periode van Zalm en de ‘WAO crisis’ van 1991. Zie verder het opstel. Ergo: zorgvuldigheid is vereist !
 
 

(11) Nieuw feit omtrent directeur Zalm

Er is nog een ander nieuw feit gebleken. Dit benodigt eerst een toelichting.

In het informatiebulletin "Mededelingen voor alle medewerkers van het Centraal Planbureau" van 11 januari 1988 (bijlage 11) wordt genoemd dat Zalm in dienst treedt als onderdirecteur en dat onderdirecteur Frijns uit dienst treedt. Elf maanden later, in verband met het vertrek van directeur De Ridder, verspreidt de dienstcommissie (DC) op 5 december 1988 een ‘concept profielschets voor de directeur’ (bijlage 12). De DC voegt ook deze opmerking toe:

"Inmiddels heeft de DC informele informatie ontvangen, waaruit blijkt dat de top van het ministerie van Economische Zaken naar een benoeming op zeer korte termijn streeft. Volgens de DC is dit in strijd met het ARAR. Van deze opvatting heeft zij, de minister van Economische Zaken, alsmede de minister-president en de minister van Binnenlandse Zaken in kennis gesteld." De keuze bleek op Zalm te vallen. Ook al is hij op vele punten zeer te waarderen, voldoet Zalm niet aan het concept-profiel: hij is namelijk te ambtelijk - ook al werd hij later hoogleraar. Er bestaat de theorie dat toen directeur De Ridder te kennen gaf te willen vertrekken, en toen onderdirecteur Frijns om welke reden dan ook geen opvolger kon of wilde worden en naar het ABP vertrok, Zalm de overstap maakte van ambtelijk directeur Algemene Economische Politiek (AEP) van EZ naar onder-directeur CPB op de plaats van Frijns - maar met een belofte op zak (al dan niet met begrijpelijke voorbehouden) van een benoeming na een jaar tot directeur. Wellicht is het waar, wellicht niet. Wellicht wilde Zalm juist de overstap naar ‘de wetenschap’ maken, voorzover het CPB wetenschappelijk is. Maar dan is het weer wat vreemd dat hij na een jaar weer het directeurschap accepteert dat weer meer management betekent, of dat hij in 1994 minister van Financiën wordt. (Zie ook de verschillende kopieën in ‘Tropenjaren’.)

Van belang is dan dat ik rond 1996 stukken kreeg van A.C. de Goederen over de behandeling van de analyse van CPB-collega X4 eind 1987 door toenmalig AEP directeur Zalm (bijlage 13). Uit deze stukken blijkt een grote vooringenomenheid. In genoemde bijlage 11 wordt X4 nog benoemd tot plv. hoofd van HA IV, maar niet lang na de komst van Zalm vertrekt hij naar Brussel. Heeft dat met de vooringenomenheid te maken ?

Waar mijn eigen analyse verwant is aan die van X4, vermoed ik diezelfde vooringenomenheid te hebben getroffen. Of dit zo is, weet ik natuurlijk niet, maar mijn verdediging luidt wel dat dit nu aannemelijk is geworden en dat die kwestie onderzocht moet worden, of dat zorgvuldig bescherming wordt geboden, voordat van tegenhouden van publicatie en van ontslag sprake kan zijn. Bij de behandeling van de ontslagkwestie wist ik voorheen niet van die vooringenomenheid in 1987. Nu dit mij wel bekend is geworden, is sprake van een nieuw feit in het kader van de heden behandelde zaken. Ook de onderdirecteuren hebben kritiek op mijn analyse geleverd, maar het punt blijft dat er met de benoeming van Zalm een vooringenomenheid is geïntroduceerd van ambtelijke herkomst, waardoor op zijn minst het evenwicht kan zijn weggevallen. Het tegenhouden van de mogelijkheid van een interne discussie is bijvoorbeeld ambtelijk en niet wetenschappelijk. Er is een vervlechting van EZ en CPB die klaarblijkelijk geen kruisbestuiving is maar die eerder onwetenschappelijk lijkt. En wie de ogen geopend zijn, ziet wel meer onderwerpen waar dit fout is gegaan. Ik werk dit niet uit, want een algemene bespreking is hier niet aan de orde.

Een onderzoek naar vooringenomenheid is natuurlijk maar beperkt doenlijk. Wetenschappelijk gezien is de beste oplossing dat ik op het CPB wordt teruggeplaatst, dat ik de analyse mag bespreken en dat ik dan een voorstel kan doen tot daadwerkelijke publicatie al dan niet met doorrekenen voorafgaand of daaropvolgend. Dan zal het wetenschappelijk forum wel oordelen. Zo’n oordeel richt zich natuurlijk naar de kwaliteit, mensen hoeven het niet inhoudelijk met me eens te zijn. Aldus verzoek ik de CRvB om dit te besluiten.

Eventueel start dan het parlement alsnog een parlementaire enquête op, indien het parlement wil nagaan wat de gevolgen zijn van bepaalde procedures rondom het CPB (zoals die van de benoeming van de directie). Eventueel kan dan nog meer blijken over de vooringenomenheid. Maar zulks is aan het parlement, hoewel wetenschappers daartoe kunnen adviseren.

Overigens: in de ‘concept profielschets voor de directeur’ van de DC van 1988-12-05 staat nog: 

"Gezien het wetenschappelijke karakter en de werkwijze van het CPB verdraagt een autoritaire manier van leidinggeven zich niet met de cultuur van het bureau. De nieuwe directeur dient een klimaat te bevorderen, waarin alle medewerkers zich kunnen ontplooien en tot een optimale prestatie komen."  De DC formuleert alleen maar een concept, maar ik vermoed dat de collega’s en ook D zelf zich daarin kunnen vinden. Maar, er is het probleem dat D ook nog claimt dat het CPB een wetenschappelijk instituut is, terwijl dat eigenlijk niet zo is. En D blijkt zich verbazingwekkend autoritair te kunnen opstellen.
 
 

(12) Schadevergoeding

In het kader van de verplaatsing (rechtbank 98 / 2424) heeft mijn toenmalige advocaat ook het punt van een schadevergoeding aangeroerd. Ikzelf heb t.a.v. dit punt een terughoudende opstelling, daar het mij vooral gaat om de integriteit van de wetenschap. In de brief aan minister Wijers van 16 juli 1995 heb ik wel opgemerkt: 

"Vervolgens, terwijl ik slechts vasthoud aan de wetenschappelijke integriteit en om onderzoek verzoek, zie ik me belasterd, van collega’s geïsoleerd, de toegang tot de computer ontzegd, het werk gebreideld, zonder wachtgeld en referenties ontslagen, gedwongen tot een jarenlang verblijf in een kafka-esque juridische wachtkamer, opgejaagd langs de straten van Europa om maar in het levensonderhoud te voorzien." Ik verzoek u bij de besluiten conform mijn verzoeken ook het besluit toe te voegen dat in samenpraak met onafhankelijke deskundigen tot een compensatie voor de afgelopen twaalf tropenjaren gekomen wordt. Ik stel mij zo voor dat ik parttime bij het CPB zou kunnen werken en genoemde middelen zou kunnen gebruiken om te promoveren en mijn boeken over economie en democratie beter uit te geven - hetgeen relevant lijkt voor het recente initiatief van de Europese Unie tot een ‘Europese Conventie’ in verband met mogelijke verdere federalisering. Er bestaan hier nogal wat misverstanden die opheldering kunnen gebruiken.
 
 

Ter besluit

We leven in een complexe maatschappij, en misverstanden zijn licht geboren. Het is goed dat er externe toetsing is op de procedures. Ik ga ervan uit dat de kwestie op ontspannen wijze en in gemoedelijke sfeer en in goed vertrouwen besproken kan worden, maar wel met de geesten scherp en gericht op het recht. Te bewaken is dat de procedures goed worden gevolgd en dat de wetenschap tot haar recht kan komen.
 
 

Hoogachtend,
 
 
 

Thomas Cool
http://thomascool.eu
 
 

Bijlage 1: Getuigen en deskundigen

Bijlage 2: Algemene vragen voor getuigen en deskundigen

Bijlage 3: H. Tjeenk Willink in de Eerste Kamer (1991-04-23)

Bijlage 4: Th. Cool, brief aan Den Hartog, 18 december 1989

Bijlage 5: Laatste pagina van het personeelsonderzoek "Zitten chef en medewerker op één lijn ?", door een onderzoeker in opdracht van de directie, 1989

Bijlage 6: W. Tinnemans, "Lessen in begrip", 1994-04-01, Intermediair 30e jrg, no 13, 47

Bijlage 7: CPB interne projectie WAO 1990-2000

Bijlage 8: Th. Cool, "Omzien in verwondering, en ook angst", december 2001 (Word for Windows)

Bijlage 9: Cartoon Jos Collignon, de Volkskrant 16 oktober 1992

Bijlage 10: Bundel kopieën met titel ‘Tropenjaren’

Bijlage 11: "Mededelingen voor alle medewerkers van het Centraal Planbureau" van 11 januari 1988

Bijlage 12: DC, 5 december 1988, Aan alle medewerkers, "concept profielschets" voor de nieuwe directeur

Bijlage 13: De volgende brieven zijn reeds beschikbaar als bijlage bij mijn brief van 14 november 1997 aan de bezwarencommissie EZ, inzake de weigering tot een besluit inzake de verplaatsing (en rechtbank 98 / 2424), maar voeg ik voor de zekerheid maar weer bij.
1987-12-23 E (1132/’87 EP): Nota voor de minister - Notitie X4 over werkloosheid
1988-01-12 E (30/’88 EP): Antwoord op brief van X4
1988-01-12 E (AEP 988/7) aan X4

 
 
 

Bijlage 1: Getuigen en deskundigen
 
 

Prof. dr. R.D. Gill komt vrijwillig, de anderen hebben een aangetekend schrijven ontvangen. Helaas is mij het adres van (... een collega ....) onbekend.

Het voorstel is getuigen en deskundigen ook in deze volgorde te horen over enkele algemene punten, en vervolgens wederom bij specifieke punten.

Collega’s zijn getuigen van de situatie, en geen getuigen voor mij. Het betreft hier ook juist getuigen in de hiërarchieke lijn. 
 
 

  1. dr. Henk Don
  2. prof. dr. Casper van Ewijk
  3. prof. dr. Richard Gill
  4. prof. dr. Pieter Ruijs
  5. prof. dr. Eric van Damme
  6. prof. dr. Joan Muysken 
  7. CPB collega's 1-8
  8. Voorzitter van de Commissie Integriteit Rijksoverheid, danwel een door hem aangewezen vervanger uit de CIR anders dan de ambtelijk secretaris

 
 

Bijlage 2: Algemene vragen voor getuigen en deskundigen
 
 

  1. Kent men de claim van D dat het CPB een wetenschappelijk instituut is, en kent men de FIF voor wetenschappelijke medewerker ? Is daar nog een reactie op ? Ziet men de ratio dat Cool vasthoudt aan de FIF, maar vraagtekens plaatst bij de claim van D ?
  2. Wat vindt men van de visie onder wetenschappers, dat interne bespreking van een analyse mogelijk moet zijn, voordat een definitieve versie voor publicatie gereed wordt gemaakt ? (Zie de uitspraak van de NVMC.)
  3. Wat vindt men van de visie onder wetenschappers, dat een publicatie ‘op naam van de auteur’ precies datgene betekent, terwijl het oneigenlijk van D is méér commitment van ‘het publicerend instituut’ te vragen dan slechts ‘dat de auteur daar werkt’ (eventueel met een onafhankelijke interne redactie die toetst ten aanzien van de kwaliteit) ?
  4. Kunnen de medewerkers van het CPB bevestigen dat er een Strategisch Beraad was in de periode 1989-1991, en dat er überhaupt in het CPB op de Algemene Personeels-Vergadering (APV) gesproken wordt over ‘taak en plaats’ van het CPB ? 

  5. (Zie ook het boek van Passenier over de geschiedenis van het CPB.)
    Wat vindt men ervan dat D doet alsof het oneigenlijk is dat Cool daarover schrijft ?
  6. T.a.v. taak en plaats: bijvoorbeeld het doorrekenen van verkiezingsprogrammas:

  7. In EZ-journaal 1995-05-27 p3 stelt Don: "Er is geen sprake van een monopolie." 
    In EZ-journaal 1995-10-14 p5 stelt Don: "Weigeren zou, gezien onze monopolie-positie, machtsmisbruik zijn."
    Don zal wel verkeerd geciteerd zijn, maar wat is het nu ?
  8. In 1995 had UvA hoogleraar Casper van Ewijk nog geen functie bij het CPB. 

  9. In EZ-journaal 1995-10-14 p1, is er een verslag van een discussie met Don.
    Van Ewijk: "Er moet wat meer afstand tot Den Haag komen." Ook stelde hij voor om de concurrentie te zoeken door voor 50% te privatiseren.
    Don vond dat commercieel onderzoek juist de onafhankelijkheid zou aantasten. "Dat zie je gebeuren bij andere onderzoeksinstituten."
    Kan Van Ewijk aangeven of hij door de praktijk anders over de kwestie is gaan nadenken.
  10. Wat vindt men van de analyse van Cool op dit punt (welke analyse gebreideld is, zodat men eigenlijk niet goed kan weten wat die is) ?

  11. Zou over een inhoudelijk verschil van inzicht niet gepraat moeten kunnen worden ?
    Was het niet zinvol geweest dat Cool’s analyse, vanuit de praktijk, in 1991 gepubliceerd was geweest, zodanig dat Don en Van Ewijk niet die onzin uit 1995 hadden verkondigd ?
  12. Wat vindt men van Zalm’s opmerking dat mij niet is gevraagd na te denken over werkloosheid (1994-02-28 kenmerk 94/108) - en mijn commentaar daarbij (1994-03-01), alsmede Don’s opmerking in EZ-journaal 1995-10-14 p5 dat de studie "Nederland in drievoud" - waarbij ik betrokken was - juist ook de sociale zekerheid besprak ?
  13. Wat vindt men van de Von Münchhausen constructie t.a.v. de publicatiegang (inclusief de drie jaar vertraging t.a.v. de ‘onontvankelijkheid’) ?
  14. Als Cool door velen integer wordt genoemd, en als die integriteit door D als zodanig wordt geaccepteeerd (brief 1995-01-19), en als Cool een goed econometrist is, en stelt dat er met zijn analyse vele mensenlevens zijn gemoeid, moet de analyse dan geen aandacht krijgen ?
  15. Wat vindt men van het afwijzen van de CGD, het niet-reageren op het verzoek t.a.v. de CIR? Is het redelijk dat D alles reduceert tot een arbeidsrechtelijk traject waarin rechters ook weinig zicht hebben op het CPB en alles snel plaatsen in het kader van ambtelijke hiërarchie (zodat dit traject niet werkt indien het breder is bedoeld)? Wat vindt men van de mening van wetenschappers Guido den Broeder en Richard Gill dat juist de integriteit van de wetenschap in het geding is en dat onderzoek van de kwestie gewenst is ?
  16. Zouden Don en Van Ewijk zich niet vreselijk moeten schamen ? Of voelt Van Ewijk zich niet verantwoordelijk voor deze gebeurtenissen die nog steeds het CPB raken, met breidel van de economische wetenschap ?
  17. De naam van Cool is in de periode januari-maart 1990 regelmatig omgeroepen via het omroepsysteem, samen met de namen van chef, HAC, onderdirecteur en personeelschef. In april werden de chef benaderd met de vraag of zij Cool wilden hebben, eventueel boventallig maar zodanig dat hij een toekomstige vacature zou vervullen. D stelt tegenover EZ en BZK dat men heeft geprobeerd hem te herplaatsen. Maar was dit een redelijke poging, gezien het voorgaande ?
  18. Wat vindt men van de beschuldiging van werkweigeren, terwijl deze nooit officieel is gedaan en onderhouwd, en terwijl Cool zich er nooit tegenover heeft kunnen verdedigen ? Deze beschuldiging wordt nota-bene ook extern geuit tegenover het Maandblad Uitkeringsgerechtigden (MUG).
  19. Wat vindt men van de redenering van Cool, dat de chef gesproken heeft over een onwerkbare situatie (hetgeen wat anders is dan werkweigeren), en dat Cool dat beschouwt als een erkenning dat de eerdere aanpak van D niet werkte, en dat er dus alle aanleiding is na te denken over vertrouwenwekkende maatregelen ? Is het redelijk voor een wetenschappelijk medewerker om zo te redeneren, of is het juist onredelijk ?
  20. Wat vindt men ervan dat de suggestie om dan maar parttime te gaan werken werd afgewezen ? Wat vindt men ervan dat D het ‘tijdschrijven’ (ter bewaking van de niet-computer-uren) heeft afgewezen (omdat dit de flexibiliteit zou schaden) ? Wat vindt men ervan dat een econometrische directie geen enkel streefcijfer voor lezen en schrijven wenste te noemen. (Het schijnt dat tijdschrijven nu wel is ingevoerd. Mogelijk werkt het niet, maar ik heb het voorgesteld t.b.v. mijn positie in het kader van deze casus.)
  21. Wat vindt men van het feit dat de chef voor de bezwarencommissie een onwaarheid t.a.v. collega X2 heeft geuit t.a.v. de noodzaak tot een verplaatsing - en dat D daar niets mee doet ?
  22. Wat vindt men van de Von Münchhausen constructie t.a.v. de verplaatsing ?
  23. Wat vindt men ervan dat de HAC zijn argument nooit op papier heeft gezet, dat 1 periodiek door de verschuiving met een half jaar als 2 geldt ?
  24. Wat vindt men van de redelijkheid van het verzoek tot beoordeling door plv. HAC ? (Gegeven dat er notities in de la zijn gebleven en dat er kritiek op het management is geuit.)
  25. Wat vindt men van het feit dat t.b.v. het FPB een onderzoek naar de afdeling achterwege is gebleven - terwijl collega’s een jaar na Cool’s vertrek nog uit elkaar zijn geplaatst ? In een gespek met Cool stelde ook X1 kritiek op het management te hebben.
  26. Wat vindt men ervan dat de kwaliteit - kwantiteit verhouding van de FPB precies andersom is aan de eerdere verkorte beoordeling ?
  27. Vindt men een FPB onder deze omstandigheden aanvaardbaar ?
  28. Wat vindt men van de Von Münchhausen constructie t.a.v. de FPB ?
  29. Vindt men dat Cool onder deze moeilijke omstandigheden op het kamertje apart goed heeft gefunctioneerd, waardig aan wat men van een wetenschappelijk medewerker van het CPB mag verwachten ?
  30. Wat vindt men van de constructie van BZK: ‘omdat u niet vrijwillig bent weggegaan, is het ontslag aan eigen toedoen te wijten ?’