Aan de voorzitter van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
Sectie Bestuursrecht
PB 20302
2500 EH 's-Gravenhage
 

20 januari 2000
Betreft: Contramemorie (reactie op Verweerder) inzake EZ vs Cool, uw kenmerk 99/7723 AW
 
 
 
 
 

Edelachtbare,
 

Bijgaand vindt u mijn ‘contramemorie’, d.w.z. mijn reactie op verweerders verweer d.d. 12 oktober 1999 (kenmerk WJZ/JZ 99064540).

Als bijlagen treft u ook aan:

Met vriendelijke groet,
 

Thomas Cool
 

(... Scheveningen ...)
http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/TPnCPB/TPnCPB.html
http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/TPnCPB/Juridisch/StandVanZaken.html
 
 
 
 

Contramemorie

20 januari 2000, Ministerie van EZ vs Cool


Kenmerk van de rechtbank: 99/7723
 

Verwijzingen zijn naar het verweerschrift van mr. J. Schuurs, d.d. 12 oktober 1999, kenmerk EZ: WJZ/JZ 99064540.
 
 

Ad 1

In deze paragraaf geeft EZ ‘slechts data met besluiten en uitspraken’. Een en ander leest ‘objectief’. Toch is er sprake van rhetoriek: want de keuze en voorstellingswijze is selectief.

EZ zegt niet: "In april 1990 verplaats ik eiser met machtsmisbruik uit zijn werk en afdeling."

En men zegt niet: "In december 1990 maak ik eiser met leugens zwart."
 
 

Ad 1.2

EZ verwijst naar de rechterlijke uitspraken. Ik neem aan dat de huidige rechtbank over alle - en ook de onderliggende - stukken beschikt.

Voor de goede orde: deze stukken laten een dwaling van het recht zien.

De rechtsgang is gemankeerd, met name doordat EZ pas in 1997 en1998 besloot mij terug te plaatsen in werk en afdeling. Gedurende al die jaren heeft men voor de rechter gesuggereerd dat ik niet te handhaven zou zijn - en de rechtbanken zijn op die suggestie van het bevoegde gezag afgegaan. Dit zal hieronder blijken.

Kijk: wanneer je in 1995 bij de Centrale Raad bent, en je zou de zitting eigenlijk willen doen uitstellen omdat EZ nog niet over de verplaatsing heeft besloten, dan is dat moeilijk, want je wilt ook wel een uitspraak (na al die jaren) - en je bent toch enigszins geneigd om te verwachten dat het college in staat is de leugens van EZ door te prikken. Achteraf had ik gewoon om uitstel moeten vragen - maar ja, dat is praten achteraf.

Voor de goede orde: de kwestie van de FPB 1989 ligt nog voor bij de Centrale Raad, en de uitslag van het onderhavige zaak zal daarvoor dienstbaar zijn.
 
 

Ad 1.3

Voor de goede orde: Ik heb nimmer een officieel besluit gezien waarin mij de periodieke verhoging werd geweigerd. Ik zag dit slechts op mijn salarisstrookje.

Tevens is er voor zover ik weet geen FPB over 1990 opgemaakt. Ik heb slechts een ‘Verkorte Beoordeling’ over 1990 gezien, die vol leugens en aantijgingen staat - en ik begrijp dat er tegen ‘Verkorte Beoordelingen’ geen mogelijkheid tot verweer bestaat.

Ik ben er steeds van uit gegaan dat EZ op een nette wijze zou zorgen voor een besluit waarom ik zo nodig uit werk en afdeling verplaatst moest worden - met de mogelijkheid van beroep. Pas dan ontstaat er voor mij een officieel correct moment om me hiertegen te verweren.
 
 

Ad 2.1

Verweerder stelt:

"Het feit dat eiser aanvoert, namelijk mijn weigering om een nieuw besluit te nemen omtrent zijn verplaatsing naar een andere kamer binnen het gebouw van het CPB, is niet een nieuw feit als hiervoor omschreven. Deze weigering toch dateert van na het beloningsbesluit in kwestie." Hiertegen:
  1. Het gaat niet slechts om de kamer, maar om ‘werk en afdeling’ - zoals ook door uw rechtbank is vastgesteld ! Kan uw rechtbank EZ niet verbieden - op straffe van fl 10000 per keer - om alleen maar over de ‘kamer’ te spreken ???
  2. Het is niet alleen dat verweerder geen nieuw besluit neemt: Ter zitting van de Bezwarencommissie EZ is duidelijk gesteld: "Indien u inmiddels niet ontslagen zou zijn, zou u weer bij het CPB werken."

  3.  

     

    EZ heeft eerder gesuggereerd dat ik verplaatst zou moeten worden wegens een incident van ‘werkweigeren’: zie de aantijging daarover in de notitie van mijn chef van mei 1990. Hierover is nimmer een besluit genomen, en hiertegen heb ik me nimmer kunnen verdedigen. EZ heeft een besluit hierover getraineerd. Door in 1997 en 1998 te besluiten geen nieuw besluit te nemen, pleegt men ofwel andermaal ‘detournement de pouvoir’ ofwel men moet accepteren dat ik wel goed gefunctioneerd heb. In ieder geval, de iure: DE AANTIJGING VAN ‘WERKWEIGEREN’ IS VAN TAFEL.

    Merk op dat ik liever de gelegenheid had gehad om mij te verdedigen, en dat ik deze aanpak van EZ betreur. Maar we mogen wel verlangen dat EZ consistent blijft.

  4. Waar het besluit ‘geen nieuw besluit te nemen’ de facto dateert uit 1997-1998, is het de iure natuurlijk van april 1990 - waar het een vervanging is voor het eerdere vernietigde besluit. Het zou heel mooi zijn: ‘Meneer, u bent niet in een concentratiekamp opgesloten, want we hebben achteraf besloten dat dit niet is gebeurd’ !!!!
Verweerder schrijft: "Afgezien daarvan, de nietigverklaring door uw rechtbank van het verplaatsingsbesluit betekent niet wat eiser stelt, namelijk dat hij is teruggeplaatst in zijn oude kamer, maar dat de rechtspositionele maatregel jegens eiser niet is genomen, met andere woorden dat hij de jure niet is verplaatst." Voor mij is ‘terugplaatsen’ hier synoniem aan dat ik, waar ik verplaatst was, ‘niet verplaatst ben’. Hoe dan ook, om meer duidelijkheid te krijgen over de juridische situatie heb ik inderdaad ook EZ om een nieuw besluit gevraagd, en tegen het ‘besluit niet opnieuw te besluiten’ een bezwaar aangetekend tegen bij de EZ bezwarencommissie. Duidelijk is vast komen te staan: : "Indien u inmiddels niet ontslagen zou zijn, zou u weer bij het CPB werken."

Evenzeer: er is aldus in april 1990 niets gebeurd wat een rechtspositionele maatregel zou noodzaken - want in april 1990 is daar geen besluit over genomen.

Verweerder stelt dat uw rechtbank geen aanleiding heeft gezien het verplaatsingsbesluit en het beloningsbesluit te koppelen. Men citeert daarbij terecht de uitspraak van 8 november 1993:

"Het verdient in dit verband aantekening dat de rechtbank niet gebleken is dat in de verkorte beoordeling klagers functioneren niet correct wordt weergegeven. Klager heeft niet alleen tegen de nieuwe taakomschrijving en de FPB beroep aangetekend, maar ook... in de werksfeer laten blijken het niet eens te zijn met zijn nieuwe taken alsmede leiding moeilijk te kunnen accepteren. Dit blijkt onder meer uit de noodzaak voor verweerder om klager per 18 april 1990 naar een ander kamer over te plaatsen ter vermijding van escalatie van de problemen op de afdeling. Wat er ook zij van het feit dat verweerder daarmee in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir, staan blijft dat de situatie zich zodanig heeft ontwikkeld dat klager niet meer op zijn afdeling te handhaven viel." (blz 16) Verweerder voegt eraan toe dat ook de Centrale Raad van 1995 dit punt geaccepteerd heeft - en dat ik zou hebben nagelaten om dit naar voren te brengen.

Hierbij:

  1. Nogmaals: Ik hoop op een goede rechtsgang, verwacht dat er duidelijkheid komt t.a.v. de ‘noodzaak mij te verplaatsen’, en acht het een dwaling van het recht indien men onverhoopt, zonder voldoende informatie en het horen van getuigen, maar allerlei besluiten gaat nemen.
  2. Nogmaals: EZ heeft zelf de rechtsgang gefrustreerd door pas heel laat een hernieuwd besluit te nemen. EZ steekt mij een mes in de rug, en verwijt mij dat ik had moeten protesteren !
  3. De uitspraak van 1993 lijkt te veronderstellen dat EZ alsnog een besluit neemt in de disciplinaire sfeer - en suggereert dat de rechtbank dit zou accepteren. Evenwel, EZ heeft zo’n besluit niet genomen - en daarmee mij de mogelijkheid tot verweer ontnomen. Andermaal détournement de pouvoir - danwel de iure acceptatie dat de ‘suggestie van werkweigeren onterecht is’.
  4. De rechter spreekt over ‘noodzaak’ - maar die is niet aangetoond ! Ik heb mij niet tegen de ‘noodzaak’ kunnen verdedigen: want ter zitting heeft mijn advocaat alleen betoogd dat het verkeerde artikel van het ARAR is gebruikt. De rechter spreekt voor de beurt !!!
  5. De voortijdige aantijging van de rechter is ook onzinnig. Ik heb van 1982-1989 in tevredenheid bij het CPB gewerkt, met jaarlijks dubbele periodieken. Eind 1989 bleek mij een geval van incorrecte behandeling van de wetenschappelijke integriteit. Dáár stuitte ik opbegrip, dáár is de directie een reeks van oneigenlijke maatregelen gaan nemen ! En dat is heel wat anders dan EZ ervan maakt (op instigatie van een breidelende directie - CPB).
  6. Bijv. is gebleken dat mijn chef voor de Bezwarencommissie van EZ gelogen heeft over de mening van een collega. EZ heeft deze leugen nooit onderzocht.
  7. Het is onheus van EZ om deze dwaling almaar te misbruiken.

 
 

Ad 2.2

Verweerder stelt:

"Onder deze omstandigheden had het opmaken van de formele personeelsbeoordeling om te bezien of eiser naar salarisschaal 12 kon worden bevorderd geen zin." Het is me een raadsel hoe verweerder dit kan beweren. Weet hij al wat er in komt te staan ? Is het niet aan de beoordelaars om dit te doen ?

Heeft verweerder de situatie al een keer bekeken vanuit de optiek van de werknemer ? De werknemer: die opgezadeld wordt met allerlei onheuse besluiten, en die toch, dapper en loyaal, netjes zijn opdrachten blijft uitvoeren ? En is, moge men denken, een dergelijke stressbestendigheid, niet een eigenschap die in een FPB opgemerkt zal worden ?
 
 

Vervolgens doet verweerder alsof ik in tweede instantie niet mag vragen om een FPB die er in eerste instantie niet blijkt te zijn !

Ik merk op: Het is verweerder zelf geweest, die heeft besloten niet de gang via de Bezwaarschriftencommissie te maken, en die mij aldus heeft gedwongen nu rechtstreeks naar de rechter te gaan. Ik was toch wel benieuwd naar de visie van de commissie.
 
 

Begrijp mij goed: ik haat deze juridische toestanden. Ik minimaliseer het gebruik van beroep, en de motivatie is vooral om informatie over de breidel en het machtsmisbruik boven tafel te krijgen. Wel is het zo: Indien EZ een correct besluit over de verplaatsing had genomen, en mij aldus de mogelijkheid tot beroep had gegund, dan had ik niet om zo’n FPB hoeven vragen. Nu moet ik wel om het FPB vragen - dat mij immers is toegezegd - omdat dit de mogelijkheid biedt mij - eventueel - te verweren (indien er weer een beschuldiging tot ‘werkweigeren’ wordt gedaan).
 
 

T.a.v. het FPB ben ik twee nieuwe bewijsstukken tegengekomen:
 
 

Ad 2.3

Ik neem dit voor kennisgeving aan: en het lijkt me dat verweerder in deze verkeerd heeft besloten.
 
 

Ad 2 i.h.a.

Ik ben twee nieuwe bewijsstukken tegengekomen:

Ad 3

De besluiten van EZ zijn derhalve te vernietigen - en EZ is op te dragen om als goed werkgever constructief met me mee te denken en een aantal besluiten te nemen die mijn rechtspositie recht doen. //