Aan de voorzitter van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
Sectie Bestuursrecht
PB 20302
2500 EH 's-Gravenhage

 

25 augustus 1999
Betreft: Bezwaar t.a.v. besluiten van de minister van EZ d.d. 29 juli 1999

 

 

Geachte heer, mevrouw,

 

Bij deze teken ik bezwaar aan tegen de besluiten van de minister van EZ d.d. 29 juli 1999 (bijgesloten, kenmerk POI/99047358), en dit onderhavig schrijven is mijn gemotiveerd beroepschrift.

 

Voorgeschiedenis 1

Ik ben een bescheiden en hulpvaardig wetenschapper. Maar ook een kundig econometrist, die een logica wil kunnen uitspreken wanneer deze naar het eigen ampele oordeel dwingend en relevant is.

Van 1982-1991 was ik wetenschappelijk medewerker van het Centraal Planbureau (CPB). Mijn Functie Informatie Formulier gaf aan dat ik wetenschapper was. Derhalve beschikte ik over zelfstandig beoordelingsvermogen - hetgeen door de directie van het CPB en de minister van EZ klaarblijkelijk niet erkend wordt. Mijn stelling is dat de directie van het CPB een verkeerde voorstelling van zaken geeft wanneer men het CPB afficheert als een onafhankelijk wetenschappelijk instituut (zie bijv. http://www.cpb.nl), en ik adviseer tot een parlementaire enquête naar deze kwestie is samenhang met de voortdurende massale werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Mijn advies terzake werd echter nimmer gepubliceerd, ook niet in de reeks "op naam van de auteur". Voor deze kwestie verwijs ik ook naar het boekje van Hans Hulst en Auke Hulst m.m.v. ondergetekende: "Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt", Thesis Publishers 1998.

Inmiddels heb ik een stortvloed van leugens en valse juristerij over mijn hoofd heengekregen.

Voor de Centrale Raad van Beroep (CRvB) loopt nog een beroep ten aanzien van een Functionele Beoordeling die over 1989 is opgemaakt. Ik heb gevraagd deze procedure aan te houden tot de onderhavige kwesties duidelijkheid geven.

De CRvB heeft inmiddels mijn onheuse ontslag reeds in rechte vastgesteld. Dit is mijns inziens een dwaling van het recht. Men heeft voortijdig een oordeel geveld, terwijl onderliggende gronden nog niet voorlagen.

Het is ook mijn strategie om nieuwe informatie boven te halen, en vervolgens de CRvB te verzoeken de ontslagzaak te heropenen. Dat blijkt een juridische mogelijkheid te zijn.

 

Voorgeschiedenis 2

In april 1990 ben ik door mijn directie uit mijn functie geplaatst en op een kamer apart gezet. Daartegen is beroep aangetekend. Het besluit van april 1990 is in 1993 door uw rechtbank vernietigd op grond van détournement de pouvoir. In 1998, pas vijf jaar later dus, heeft de minister van EZ besloten geen nieuw besluit te nemen - zodat ik de iure ben teruggeplaatst. De minister van EZ heeft ook erkend dat ik weer bij het CPB zou werken, indien ik inmiddels niet ontslagen was.

Het besluit van de minister van EZ van 1998 is een nieuw gegeven, dat mogelijkerwijs voldoende is voor de aanvrage van herziening door de CRvB t.a.v. alle vervolgbesluiten. Evenwel lijkt het mij verstandig nog meer informatie boven water te halen.

De vraag van mijn advocaat van 15 mei 1990 waarom ik verplaatst ben is bijvoorbeeld nog steeds niet beantwoord. Ik wil nog steeds weten waarom ik (de facto) uit mijn werkzaamheden ben gezet. Ik wil dit weten omdat de gevolgen van dit machtsmisbruik nog steeds groot zijn. Dat de minister geen nieuw besluit (tot verklaring) neemt schaadt mij.

Mijn bezwaar tegen het gebrek aan motivatie is behandeld in de zaak nr. AW 98 / 2424. De rechter besluit dat ik geen belang heb bij terugplaatsing in de kamer - omdat ik niet meer bij het CPB werk. Echter, men kijkt alleen naar de kamer, terwijl het besluit van het CPB en het beroep betrekking hebben op kamer en werk; en het gaat niet alleen om de verplaatsing maar ook om de verklaring. De uitspraak van de rechter is volstrekt onbegrijpelijk.

Het onbegrip van uw rechtbank in AW 98 / 2424 heeft mij gedwongen tot een nieuwe rechtsgang.

 

 

Het verzoek aan de minister d.d. 25 maart 1999

Op 25 maart 1999 heb ik de minister van EZ verzocht de diverse besluiten te nemen die voortvloeien uit het niet verplaatsen van mijn persoon (bijlage).

Zo is daar de verkorte beoordeling over 1990, waarin naar de verplaatsing wordt verwezen (welke nu dus niet heeft plaatsgevonden).

Zo is daar de FPB die directeur G. Zalm mij over 1990 heeft toegezegd.

Zo kan ik mij ook nog wel andere besluiten voorstellen.

Op mijn verzoek kreeg ik als antwoord het besluit van de minister van 14 april 1999. Daartegen is mijn bezwaar van 15 mei 1999 en het besluit van de minister van 29 juli 1999 - alle in de bijlagen.

Het heeft mij verbaasd dat de kwestie niet langs de Commissie Advisering Bezwaarschriften is geweest. In zijn besluit van 29 juli 1999 stelt de minister dat ik bij uw rechtbank bezwaar moet indienen, en dat hij het niet nodig acht mij te horen, wegens kennelijke ongegrondheid der bezwaren.

 

 

Bezwaar tegen de besluiten van 29 juli 1999

Samengevat is de situatie dat de minister zich verschuilt achter valse juristerij. Wederom wordt het recht misbrukt om een onrechtvaardige situatie te bewerkstelligen of voort te laten duren.

 

 

(a) De verkorte beoordeling 1990

Ten aanzien van de verkorte beoordeling stelt de minister: "Ik heb echter geconstateerd dat in de verkorte beoordeling nergens de verplaatsing naar een andere kamer genoemd wordt ter onderbouwing van het beoordelingsresultaat."
De minister heeft verkeerd gekeken:
De verkorte beoordeling van 21 december 1990 stelt:

"Het functioneren van beoordeelde bleek in de aldus ontstane situatie geen uitzicht te bieden op adequate uitvoering van de omschreven taken. Ter vermijding van escalatie is door de dienstleiding besloten dat hangende de bezwarenprocedure geen nadere stappen zouden worden ondernomen om de verlangde taken door beoordeelde te doen verrichten."

Het "niet nemen van nadere stappen" is klaarblijkelijk het zich beperken tot de verplaatsing.
Zoals boven gesteld bestond de verplaatsing uit zowel een functioneel deel (andere werkzaamheden) en een materieel deel (een andere werkruimte).

Mogelijk richt de minister zich alleen op de verplaatsing in fysieke zin. Daarmee ontwijkt de minister andermaal het verzoek van mijn advocaat uit mei 1990 betreffende de werkzaamheden. De minister heeft dat verzoek zelfs ontweken in het besluit destijds, en dit komt almaar terug, in alle beroepsgangen sindsdien.
Ik roep in herinnering dat het verplaatsingsbesluit door uw rechtbank vernietigd werd wegens détournement de pouvoir juist wegens het feit dat er ook sprake was van het opdragen van andere werkzaamheden. Ik citeer uit 91 / 139 AW V09 01 G09 d.d. 15 december 1993 t.a.v. besluit nr. 1 onderdeel (e), pagina 15-16:

"Tussen partijen is met name in geschil welk karakter aan het genomen besluit moet worden toegekend. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat op grond van artikel 58, eerste lid, van het ARAR door de directeur van het CPB besloten is klager ander werk op te dragen én hem te verplaatsen. Klager werd aldus in de gelegenheid gesteld te gaan "lezen en schrijven". De verplaatsing moet, zo stelt verweerder, gezien worden als een ordemaatregel.
Ter motivering daarvan is door gemachtigde van verweerder gesteld dat de voortgang van de werkzaamheden op de afdeling van klager onaanvaardbare vertraging ondervond, waarbij in het midden wordt gelaten of klager deze situatie met opzet heeft laten ontstaan. Bestreden wordt dat aan de verplaatsing een disciplinair karakter heeft gezeten.
Naar het oordeel van de rechtbank is hier echter geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 58 ARAR. Dit artikel is veeleer geschreven voor situaties waarin een ambtenaar verplicht kan worden tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, indien een werkgever het in het belang van de organisatie noodzakelijk acht dat die werkzaamheden verricht worden.
In klagers geval is gesteld, noch gebleken dat de door hem na de verplaatsing te verrichten werkzaamheden - voorzover zij al anders waren, afgezien van de uitbreiding naar "lezen en schrijven" -, van een dergelijk karakter waren. Daarbij komt dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de verplaatsing toch een enigszins disciplinair karakter had.
Klager heeft immers onweersproken gesteld dat hij op zijn nieuwe werkplek geen toestemming had voor toegang tot het mainframe, hetgeen een belemmering vormt voor de uitoefening van zijn werkzaamheden. Voorts komt het de rechtbank voor dat de verplaatsing meer is bedoeld als een definitieve oplossing voor de ontstane problemen op de afdeling, zodat niet onaannemelijk is dat verweerder klager permanent van diens afdeling verwijderd heeft willen houden.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder een hem toekomende bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij gegeven is en hij aldus in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir. Het onderhavige besluit komt dan ook voor nietigverklaring in aanmerking."

(b) Waar ik verzoek om inzage van de FPB over 1990, is dat gewoon Nederlands. Vermoedelijk bestaat die toegezegde FPB niet, en dan is het zaak dat die opgesteld wordt zodat ik er inzage in kan krijgen. Mutatis mutandis, afhankelijk van bevind van zaken.

Nu constateert de minister doodleuk: die FPB bestaat niet, dus kan ook geen inzage verleend worden. Dat is valse juristerij en geen goed personeelsbeleid.

Van belang is bijvoorbeeld dat ik mij in 1990 professioneel en coulant opgesteld heb, ondanks de onheuse verplaatsing, en ondanks dit machtsmisbruik t.a.v. de redengeving zodat mij adequaat verweer onmogelijk werd gemaakt. Van belang is bijvoorbeeld dat ik een aantal goede notities heb geschreven, die sporen met mijn beoogde bevordering destijds naar schaal 12. Dit soort zaken is nu weggeschoffeld met de onheuse verkorte beoordeling.

De minister lijkt van mij verlangen dat ik alles uitschrijf en verzoek wat hijzelf moet kunnen bedenken. De minister gedraagt zich onredelijk en incommunicatief.

(c) De minister reageert niet op mijn laatste verzoek uit mijn brief van 25 maart 1999: "Aldus verzoek ik u de diverse besluiten te nemen welke logisch voortvloeien uit uw besluit van 18 februari 1998."

Waar de minister besloten heeft geen nieuw besluit t.a.v. de verplaatsing te nemen, dan moet de minister daar ook de consequenties uit trekken.

 

 

Met vriendelijke groet,

 

 

Thomas Cool


(... Scheveningen ...)