Brief van 31 juli 1990 aan mr. J.W. Weck, plaatsvervangend SG EZ.
(bijlagen hier niet opgenomen). 
De notitie met het advies tot de parlementaire enquete werd later notitie 90-III-38
Antwoord van Weck op 30 augustus 1990 is dat hij de beroepsprocedure t.a.v. de publicatie afwacht. Dit:
  • gaat voorbij aan de overwegingen waarom de normale beroepsprocedure niet toereikend is 

  • (daarenboven is het ook niet alleen de publicatie)
  • negeert mijn verzoek tot contact met de rekenkamer
  • gaat voorbij aan mijn oordeel als wetenschapper
  • gaat voorbij aan de inhoud van de notitie.
Vergelijken we deze gang van zaken met de overwegingen van de minister van Binnenlandse Zaken t.a.v. integriteit in het bestuur anno 1999 (of zie de Engelse Public Interest Disclosure Act 1998, dan zien we dat Weck faalt.

Vanzelfsprekend bestonden die overwegingen in 1990 ook al, en faalde Weck toen dus. Het nieuwe van de voorgestelde regeling van 1999 bestaat niet uit de overwegingen, maar uit het punt dat de ambtenaar bij zulk falen dan nog naar een commissie voor de integriteit kan gaan. Helaas, dat kon in 1990 niet. Maar hopelijk in 1999 met terugwerkende kracht ?! (Zie de verklaring van professor R.D. Gill.)

De minister schrijft anno 1999: “In de top van de rijksdienst moet serieus omgegaan worden met meldingen van serieuze misstanden. Daar komt een procedure voor. Er wordt een externe onafhankelijke Commissie Integriteit Rijksoverheid in het leven geroepen die zelfstandig onderzoek kan verrichten, wanneer een door een ambtenaar gemelde misstand door de eigen organisatie niet serieus wordt opgepakt. Hierdoor zal het niet meer nodig zijn dat een ambtenaar als ‘klokkenluider’ zaken naar buiten brengt. “ (Zie het opstel "Ben ik een klokkeluider ?")

Frappant is dat de actie van BiZa van 1999 deel uitmaakt van de reactie van de regering op de Bijlmerenquete, en dat J.W. Weck daarin een markante rol speelde, als inmiddels directeur RLD.