Heeft Jan Pen gelijk ?

 
 Kees Schuyt, de Volkskrant 31 januari 1994

  

  

In 1989 publiceerde de bekende econoom uit Haren prof. Jan Pen een boek met de uitnodigende titel Wie heeft er gelijk ? Hierin stelt hij aan de orde de veelsoortige beweringen die links en rechts worden geuit. Telkens laat hij bij een bepaalde redenering zien, wat er zinnig aan is en wat er niet aan deugt. Wat wenselijk is, maar onrealistisch. Wat als realistische politieke oplossing naar voren geschoven wordt, maar naar zijn eigen mening onwenselijk is. 

Nu het spook van de werkloosheid weer met hernieuwde krachten door Europa waart, vallen de vele politieke en economische oplossingen voor dit vraagstuk als rijpe appelen van de bomen. Welke van die appelen zijn goed voor de dorst, welke zijn al bij het vallen rot ? 

Wie hebben er gelijk: de voorstanders van de verlaging van het minimumloon, de ijveraars voor meer banenpools, degenen, die het verschil tussen uitkering en minimumloon willen vergroten, de minister van Sociale Zaken, die de algemeen-verbindverklaring van de cao's wil afschaffen, de afschaffers van het ontslagrecht, de aanschaffers van een arbeidsplicht voor langdurig werklozen, de invoerders van een sollicitatieplicht voor bijstandsvrouwen, de verruimers van het begrip passende arbeid, de fiscalisten die het arbeidskostenforfait willen verhogen, de strijders voor het basisinkomen, enzovoort. 

Ik telde de laatste jaren meer dan veertig voorstellen ter leniging van de nood die in onze samenleving is ontstaan door de hardnekkige werkloosheid vooral onder jongeren en langdurige werklozen met verouderde of niet goed passende scholing. 

Het wemelt van ideeën over deze kwestie en de ene politicus tuimelt over de andere heen wanneer een oplossing te veel geld kost of volgens 'de laatste berekeningen' niet veel werkgelegenheid oplevert. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) roept al enkele jaren dat de sleutel ligt in het loslaten van het minimumloon, maar vergeet erbij te zeggen dat dit wettelijk minimumloon slechts door een klein aantal werkgevers wordt betaald.  

Het reëel uitbetaalde minimum cao-loon ligt ruim 10 tot 15 procent hoger dan het wettelijk toegestane loon. Waarom betalen de werkgevers meer dan van hen wordt geëist ? Komt dat omdat de macht van de vakbeweging nog steeds zo groot is (erg onwaarschijnlijk) of omdat de werkgevers hun eigen personeel aan zich willen binden ? Met het voorspelbare gevolg dat er dus niet erg veel nieuwelingen bij komen. De zittende lage loonklasse blijft zitten en daardoor ontstaat de groei in werkgelegenheid voor de laagstbetaalde banen op een laag pitje. Door de vele non-participanten blijven de collectieve lasten hoog. Een vicieuze cirkel. 

Men zou de voorstellen, die her en der zijn gedaan, moeten beoordelen op het vermogen om al deze vicieuze werkingen op dit deel van de arbeidsmarkt radicaal te doorbreken. Een zo'n voorstel is al gedaan en wel door Pen. Twee jaar geleden opperde hij in de Dreeslezing in Den Haag, Gelijkheid onder de mensen (1992), de gedachte dat het wellicht beter zou zijn voor de verlaging van de collectieve lastendruk om de inkomstenbelastin en de premieheffing op de laagste inkomens helemaal af te schaffen. 

Uit een soort calvinistische perfectiedwang en millimeterachtige rechtvaardigheid vinden we in Nederland dat iedereen van elke verdiende gulden per sé evenredig moet bijdragen aan de belasting. Dit leidt tot dure arbeid, omdat de wig tussen bruto- en nettoloon (ongeveer 40 procent op het wettelijk minimumloon) deze arbeid uit de markt prijst. Door de onevenredg hoge loonkosten schaffen werkgevers liever machines aan en schrijven ze werknemers af. Ze verplaatsen liever hun productieafdeling naar het buitenland. 

De samenleving als geheel houdt echter vast aan de belastingtarieven en premieheffingen en probeert het paard achter de wagen te spannen met tijdelijke banenpools en andere moeizaam lopende aanvullende werkgelegenheidsprojecten. In een onderzoek onder Rotterdamse ondernemers constateerde ik enkele jaren geleden dat al die werkgevers nauwelijks bekend waren met of geïnteresseerd waren in al die mooie subsidieregelingen.  

Logisch, ze kijken daar de duurte van het het gewone werk. Daardoor is de verzorgingsstaat in een fuik gelopen, zegt Pen en een uitweg uit deze fuik zou kunnen liggen in het flink goedkoper maken van het laagbetaalde werk, terwijl het nettoloon niet omlaag hoeft. Natuurlijk kost dit de staat belastinginkomsten, maar het valt uit te rekenen hoeveel daarvan wegvalt tegen de forse toename aan normale, laagbetaalde banen. De meeste mensen willen maar één ding: meedoen en serieus genomen worden in een normale baan. 

Goede ideeën hebben vaak vele auteurs. Bij nader onderzoek blijkt dit simpele idee al eens eerder geuit te zijn, onder anderen door het rekenwonderkind van de Tweede Kamer W. Vermeend (PvdA) en door een tamelijk onbekende econoom op het Centraal Planbureau drs Cool. Maar goede ideeën moeten vaak verschillende keren herhaald worden om gehoor te vinden. Wie weet heeft Pen dit keer niet alleen gelijk, maar krijgt hij het ook. 

  

  


Commentaar Cool 25 februari 1998: (1) Ik was toen dus al 2 ½ jaar ontslagen. (2) Het kan gratis, hoeft geen geld te kosten. (3) Vermeend is geen rekenwonder en is al jaren een bottleneck.. Zijn recente plan voor de herziening van het belastingstelsel is een gruwelijk wanproduct. (4) Inderdaad grote dankbaarheid voor Pen. Maar Pen snapt het nog niet, is een van de hoofdrolspeler in de vertrouwenscrisis 

Schuyt is voor 1998-2002 benoemd als lid van de WRR.