Verklaring 

door prof. dr. R. Gill (Rijksuniversiteit Utrecht, KNAW) omtrent de zaak Cool - EZ/CPB Nr 99 / 7723 AW V83 BB G188 - betreffende ‘de gevolgen van het besluit geen nieuw besluit te nemen na de vernietiging van het besluit tot verplaatsing’

30 mei 2000

(Gill is verhuisd naar Universiteit Leiden)
------------------------------------
 
 

Dit betreft de rechtszaak 99 / 7723 AW V83 BB G188 van het beroep van Th. H. A. M. Cool te ’s-Gravenhage ten aanzien van enkele besluiten van de minister van Economische Zaken. 

Voor de goede orde zij opgemerkt dat mijn kennis van de rechtszaken die bestaan tussen Cool en EZ vrijwel nihil is. Ik ben geen jurist, en heb ook de tijd niet om alle stukken, die inmiddels meer dan een meter hoog gestapeld zouden zijn, te bestuderen. Ik ben ook niet rechtstreeks bij de zaak betrokken. Ik ben slechts in het najaar van 1999 met Cool in contact gekomen, en heb enige belangstelling voor de kwestie opgevat vanuit het oogpunt van de integriteit van de wetenschap. 

De reden dat ik deze verklaring geef, is dat Cool mij gevraagd heeft als een externe deskundige ten aanzien van de normale situatie in de wetenschap. De gang van zaken is hierbij zo geweest dat Cool een concept heeft opgesteld en dat ik dit bewerkt heb. Deze verklaring is daarbij de mijne geworden, maar blijft voor een aantal feitelijke gegevens afhangen van de door Cool gegeven informatie.

Ik begrijp van Cool dat EZ stukken heeft opgesteld waarin zijn persoon en zijn functioneren op het Centraal Planbureau (CPB) zeer negatief worden beschreven. In zijn visie is hierbij sprake van misleiding door de directie van het CPB en de juristen van EZ. Ik neem beide visies voor kennisgeving aan, en acht het niet aan mij om hierover op dit moment een oordeel te vellen.

Voor mijn oordeel is wel van belang dat ik Cool heb leren kennen als een integer, betrouwbaar en ook kundig wetenschapper. Naar mijn oordeel is in deze kwestie wel degelijk de integriteit van de wetenschap aan de orde.

Ik ben daarbij het meest bezorgd geraakt ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting, discussie en publicatie. Doordat deze zaken momenteel niet direct aan de orde zijn, zal ik mij op verzoek van Cool beperken tot de zaken die voorliggen bij de zaak 99 / 7723 AW.

In het navolgende zal het mij gaan om enkele punten van logica, waarbij ik enkele aspecten in de zaak van Cool en EZ belicht vanuit dit perspectief van de integriteit van wetenschap.

De kerngegevens voor deze rechtszaak zijn:

  1. Cool werd in april 1990 uit zijn werk en afdeling verplaatst. Zulks geschiedde op grond van artikel 58 van het ARAR. Dit artikel maakt het de dienstleiding mogelijk om functionarissen ander werk te geven indien zulks in het dienstbelang is. Dit artikel heeft geen disciplinaire betekenis, en beroep hiertegen is eigenlijk niet goed mogelijk. 
  2. Later is gebleken dat de verplaatsing wel degelijk disciplinaire betekenis zou hebben. De rechtbank heeft het besluit tot de verplaatsing dan ook op die grond in 1993 vernietigd, hierbij ook sprekend van ‘détournement de pouvoir’.
  3. Ondanks herhaalde verzoeken heeft de minister van EZ pas in 1997 (oorspronkelijk) danwel 1998 (na beroep) een nieuw besluit geformuleerd t.a.v. de vraag van Cool van 1990 waarom hij verplaatst werd. Dit besluit was geen nieuw besluit terzake te nemen. Men deelde Cool mee: ‘Indien u niet inmiddels ontslagen zou zijn, zou u weer op uw afdeling werken.’ De minister onderzoekt derhalve het machtsmisbruik niet, ook al heeft Cool hier ook om verzocht.
  4. De minister verbindt blijkbaar ook nog geen conclusies aan het feit dat Cool in juridisch opzicht blijkbaar normaal op de afdeling heeft gewerkt. De rechtszaak 99 / 7723 AW betreft Cools beroep tegen de weigering van de minister deze consequenties te trekken. Er ligt nog steeds een negatieve eind-jaarsbeoordeling voor 1990, met ook nadelige gevolgen voor de periodiek. Het lijkt niet meer dan logisch dat deze zaken ook heroverwogen zouden worden (zodat ook het ontslag discutabel wordt). 
  5. Voor het perspectief is ook het volgende nuttig. Cool stelt dat de verplaatsing nimmer adequaat voor enige rechtbank is behandeld, en dat zijn verdediging tegen het ontslag ook conditioneel is t.a.v. zijn verdediging tegen het misbruik t.a.v. de verplaatsing en de gevolgen daarvan. Dat de rechtbank zijn ontslag heeft laten doorgaan is in zijn ogen een dwaling van het recht. Gezien Cool’s opstelling als wetenschapper verdient hij ook hier het voordeel van de twijfel.
Hieruit laat zich concluderen:
  1. Cool is op een cruciaal moment een mogelijkheid van beroep en hoor en wederhoor onthouden. Dit is onjuist.
  2. De minister van EZ onthoudt Cool dit andermaal door pas laat een nieuw besluit te nemen, en vervolgens dit besluit eruit te laten bestaan dat er geen nieuw besluit is. Ook dit is onjuist.
  3. De minister van EZ onthoudt Cool de rechtsbescherming die eruit zou bestaan dat ook de consequenties worden uitgewerkt van het feit dat hij niet verplaatst is. (De rechtszaak 99 / 7723 AW.) Ook dit is onjuist.
  4. Het besluit tot ontslag staat logisch op losse schroeven, en kan niet gebruikt worden als een gegeven dat niet verder onderzocht hoeft te worden, of als alibi om andere zaken niet meer te onderzoeken. Cool’s beoogde verzoek aan de Centrale Raad van Beroep om de hele kwestie te heroperen verdient steun.
Het bovenstaande laat zich nader onderbouwen met elke gegevens. Op 21 december 1990 heeft de directie van het CPB t.a.v. Cool een verkorte beoordeling opgemaakt. Die beoordeling luidt:  "Beoordeelde is door de leiding van het Centraal Planbureau bij schrijven van 29 januari 1990 (nr. 8354/D) een schriftelijk omschreven taak opgedragen. Zulks als uitvloeisel van over de inhoud van zijn werkzaamheden gerezen meningsverschillen en onduidelijkheden. Door hem is tegen de taakomschrijving bezwaar bij de minister van EZ aangetekend. Het functioneren van beoordeelde bleek in de aldus ontstane situatie geen uitzicht te bieden op adequate uitvoering van de omschreven taken. Ter vermijding van escalatie is door de dienstleiding besloten dat hangende de bezwarenprocedure geen nadere stappen zouden worden ondernomen om de verlangde taken door beoordeelde te doen verrichten. De dienstleiding acht de gegeven situatie niet als gewenst en is daarom van mening dat de beoordeelde de van hem verlangde werkzaamheden in de beoordelingsperiode niet naar behoren heeft verricht." Het ‘niet nemen van nadere stappen’ is klaarblijkelijk het zich beperken tot de verplaatsing. Met dit citaat erkent de directie dat de verplaatsing wel degelijk een disciplinaire betekenis had. Van een wetenschapper wordt beweerd dat hij zijn werk niet goed doet - maar hij krijgt niet de kans op die beschuldiging te reageren. Een dergelijke behandeling is een inbreuk op de integriteit van de wetenschap.

Voor de beoordeling van de ontstane situatie gaat de directie voorbij aan het feit dat zij die situatie zelf heeft veroorzaakt. Zij negeert de positie van de mishandelde wetenschapper, die vervolgens in een moeilijke situatie toch op een nette wijze is blijven functioneren.

Zinvol is in dit verband ook de uitspraak van de rechtbank, 91 / 139 AW V09 01 G09 d.d. 15 december 1993 t.a.v. besluit nr. 1 onderdeel (e), pagina 15-16: 

 
"Tussen partijen is met name in geschil welk karakter aan het genomen besluit moet worden toegekend. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat op grond van artikel 58, eerste lid, van het ARAR door de directeur van het CPB besloten is klager ander werk op te dragen én hem te verplaatsen. Klager werd aldus in de gelegenheid gesteld te gaan "lezen en schrijven". De verplaatsing moet, zo stelt verweerder, gezien worden als een ordemaatregel.
Ter motivering daarvan is door gemachtigde van verweerder gesteld dat de voortgang van de werkzaamheden op de afdeling van klager onaanvaardbare vertraging ondervond, waarbij in het midden wordt gelaten of klager deze situatie met opzet heeft laten ontstaan. Bestreden wordt dat aan de verplaatsing een disciplinair karakter heeft gezeten.
Naar het oordeel van de rechtbank is hier echter geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 58 ARAR. Dit artikel is veeleer geschreven voor situaties waarin een ambtenaar verplicht kan worden tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, indien een werkgever het in het belang van de organisatie noodzakelijk acht dat die werkzaamheden verricht worden. 
In klagers geval is gesteld, noch gebleken dat de door hem na de verplaatsing te verrichten werkzaamheden - voorzover zij al anders waren, afgezien van de uitbreiding naar "lezen en schrijven" -, van een dergelijk karakter waren. Daarbij komt dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de verplaatsing toch een enigszins disciplinair karakter had.
Klager heeft immers onweersproken gesteld dat hij op zijn nieuwe werkplek geen toestemming had voor toegang tot het mainframe, hetgeen een belemmering vormt voor de uitoefening van zijn werkzaamheden. Voorts komt het de rechtbank voor dat de verplaatsing meer is bedoeld als een definitieve oplossing voor de ontstane problemen op de afdeling, zodat niet onaannemelijk is dat verweerder klager permanent van diens afdeling verwijderd heeft willen houden.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder een hem toekomende bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij gegeven is en hij aldus in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir. Het onderhavige besluit komt dan ook voor nietigverklaring in aanmerking." 
Men kan de suggestie overwegen dat de kwestie van de verplaatsing indirect een rol gespeeld heeft bij de toetsing van het ontslag.

Inderdaad heeft de rechter in 1993 het ontslag laten doorgaan, terwijl diezelfde rechter toch het verplaatsingsbesluit heeft vernietigd.

De suggestie van Cool is dat deze rechter veronderstelde dat de minister van EZ deze verplaatsing alsnog zou onderbouwen met een disciplinaire maatregel - waartegen dan beroep mogelijk was. Evenwel heeft de minister nu besloten geen besluit te nemen.

Deze hele gang van zaken verdient geen schoonheidsprijs vanuit de optiek van de integriteit van wetenschap.

Op 25 maart 1999 heeft Cool de minister van EZ verzocht de diverse besluiten te nemen die voortvloeien uit het niet-verplaatsen van zijn persoon.

Zo is daar de verkorte beoordeling over 1990, waarin naar de verplaatsing wordt verwezen (welke nu dus niet heeft plaatsgevonden). 

Zo is daar de Functionele Personeels-Beoordeling (FPB) die directeur G. Zalm hem over 1990 heeft toegezegd.

Zo is er het beloningsvoorstel dat met de beoordeling te maken heeft. 

Het lijkt me voor de integriteit van de wetenschap gewenst dat hier enige consistentie wordt aangebracht, zeker waar toch sterk de indruk groeiende is dat het ontslag prematuur zou kunnen zijn.

Wat aan deze zaak opvalt, vanuit het oogpunt van de integriteit van de wetenschap, dat deze individuele wetenschapper geconfronteerd wordt met allerlei juridische maatregelen vanuit Rijk, niet alle even netjes, en zulks gefinancierd met de immense middelen van het Rijk. Hiertegenover blijkt het individu eigenlijk machteloos, ook financieel. Het ware beter dat:

  • De juristen van het Rijk een eed zouden zweren dat zij waarheid en gerechtigheid vooropstellen en niet het resultaat dat door hun dienstleiding gewenst wordt.
  • Het Rijk de wetenschapper in staat stelt om zich adequaat te verdedigen door hem de advocaatkosten te vergoeden. Bijv. heeft Cool de oordelen van de Centrale Raad van Beroep nog niet aan het Luxemburgse Hof voorgelegd, slechts wegens gebrek aan financiën.
Recentelijk is een plan geformuleerd om te komen tot een Commissie Integriteit Rijksoverheid. Deze kwestie Cool-EZ lijkt me ook daarvoor zinvol. Vanuit de integriteit van de wetenschap lijkt het me aan te bevelen dat EZ en de directie van het CPB ook hieraan meewerken.
 

Getekend: 
 

Richard Gill, Utrecht, 30 mei