Parlementaire enquete naar CPB gewenst IV

 

(vierde persbericht - economische en politieke redacties)
 

4 april 1993 Thomas Cool

 

Eerder, in 1990, 1991 en 1992, heb ik verslag gedaan van mijn wetenschappelijk verantwoorde analyse dat, wil het parlement consistent blijven, (het equivalent van) een parlementaire enquete naar de voorbereiding van het economisch beleid, en in het bijzonder het Centraal Planbureau, logisch noodzakelijk is om een bestaande en algemeen aanvaardbare oplossing van de werkloosheid (en WAO) politiek te implementeren - en alsmede om te komen (omdat er nog wel meer sociaal-economische problemen zijn) tot een beter coördinatiekader voor het sociaal-economisch beleid.

NB. Het CPB claimt (in een brochure) een onafhankelijke wetenschappelijke instelling te zijn, maar is dat niet, noch naar wet noch naar praktijk.

In mei 1992 schreef ik nog dat er minstens drie taboes zijn te doorbreken. (1) De heersende opvatting is dat werkloosheid niet op te lossen is. (2) Het CPB acht men onaantastbaar. (3) Het voertuig tot verandering, de parlementaire enquete, daar spreekt men niet over.

Sindsdien:
 

Een nieuwe ontwikkeling is: op 26 april 1993 dient een zaak voor de Ambtenarenrechter, daterend uit 1990, waarin een wetenschappelijk medewerker van het CPB zich verweert tegen pogingen tot intimidatie door het CPB, tegen het niet intern bespreken en vervolgens met eventuele aanpassingen publiceren van een wetenschappelijk artikel (op naam van de auteur), en tegen een ontslag met detournement de pouvoir.

 

 

NB. Nadere documentatie in: Cool (1992), "Definition and Reality in the general theory of political economy; Some background papers 1989-1992", Magnana Mu Publishing & Research, Rotterdam, 010-4559538

Bijlagen: brief Arrondissementsrechtbank, briefwisseling Cool & CPB