Parlementaire enquete naar CPB gewenst III

 
 

Thomas Cool, 1992
 
 

Eerder, in Cool (1990), (september 1991) & (mei 1992), heb ik verslag gedaan van mijn wetenschappelijk verantwoorde analyse en mening dat (het equivalent van) een parlementaire enquete naar de voorbereiding van het economisch beleid, en in het bijzonder het Centraal Planbureau, dwingend nodig is om de werkloosheid op te lossen - en alsmede om te komen, heel belangrijk omdat er nog wel meer sociaal-economische problemen zijn, tot een beter coördinatiekader voor het sociaal-economisch beleid.

In mei 1992 schreef ik nog dat er minstens drie taboes zijn te doorbreken. Immers,

 

1

Nieuwe ontwikkelingen sinds mei 1992 zijn:
 

Een korte reactie hierop is op zijn plaats. Het gevaar is daarbij dat het gauw lijkt alsof teveel met elkaar in verband wordt gebracht. Deze bespreking dient dan tevens om duidelijk te maken dat die verbanden er zijn.

 
 

2

 

Laat ik op voorhand verduidelijken dat bijv. NRC en ESB beslist soms wel eens iets 'critisch' t.a.v. het CPB publiceren, maar dat dit nog altijd omfloerst gebeurt:

Dr. De Klerk en professor Van der Ploeg schrijven in het kader van het Nationaal Economiedebat:

In de NRC 27/4/92 schrijft professor Bomhoff:

Op 26/10/92 herhaalt Bomhoff in de NRC:

Bomhoff houdt er geen rekening mee dat het CPB reeds in maart 1990 in een brochure, gedekt door de ministeriële verantwoordelijkheid, heeft verklaard een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut te zijn. Dat het CPB conditioneel raamt op basis van kabinetsbeleid, komt aldus geheel voor rekening van het CPB. Of niet ? Of is de brochure misleidend ? En moeten we ons zorgen maken dat het geschuif met de WAO maar het topje van de ijsberg is ?

In een situatie waarin alleen maar omfloerste kritiek mogelijk is, floreert het taboe. Een taboe werkt als volgt.

In de zomer van 1992 nog voordat bekend was dat het parlement een enquete begon, heb ik mijn commentaar op de CPB lange termijn studies aangeboden aan ESB voor publicatie, doch dit werd geweigerd door Van der Geest met de 'argumenten':

 

Doordat het parlement inmiddels een enquete is opgestart, is het woord ietwat uit de taboesfeer. Maar daarmee is ander onbegrip mogelijk. Mensen zullen zich niet meer kunnen voorstellen hoe groot het taboe nog maar een paar maanden geleden was. En het pleidooi voor een enquete kan nu worden afgedaan als weinig origineel. Dat laatste is niet verzonnen, want het was de reactie van een opinietijdschrift.

Daarnaast zijn de taboes t.a.v. het CPB en de werkloosheid nog steeds krachtig. Mijn (hernieuwd) commentaar van 13 juni 1992 op de CPB lange termijn studie wordt op 16 october door ESB redacteur Van Walderveen geweigerd omdat ik 'blijkbaar een vete' met het CPB zou hebben.

De NRC publiceerde op 14/9/92 een "Profiel van Gerrit Zalm". Wat daarin over het CPB beweerd wordt, laat zich karakteriseren als 'wel de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt'.

In dit artikel aan de vooravond van prinsjesdag schrijft men:

De NRC schrijft ook:

Toen ik de NRC hierop een ingezonden reactie voorlegde, dat het CPB onder Zalm een wetenschappelijk artikel om de inhoud niet wilde publiceren, overging tot intimidatie en zelfs ontslag, wees redacteur Van Wijnen publicatie af en verweet mij rancune.

Aldus, het geven van feiten die bepaalde gevoelens kunnen doen vermoeden, is voor redacteuren reeds voldoende reden om te veronderstellen dat die gevoelens wel aanwezig zullen zijn, en dat om die reden die feiten niet bestaan.

Aldus is voldaan aan de definitie van een taboe.

 

3

Op een bijeenkomst van de Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde aangaande de CPB lange termijn studie over Nederland heb ik uiteengezet dat de CPB scenarios alleen uitersten bekijken: ofwel belastingheffing ofwel een basisinkomen. De compromismogelijkheid ertussenin van belastingvrijstelling voor de laagste inkomens, gepaard gaand met bruto loonkostenverlaging, is niet bekeken. Niemand van het forum (Zalm, Vos, Kolnaar) noch voorzitter Knoester heeft hierop gereageerd.

Professor Zalm legt nu aan de SER een plan voor, dat zo recent bedacht is dat het niet in de CPB scenarios is doorgerekend. In het NRC-bericht over het plan-Zalm is weliswaar sprake van 'op lange termijn een basisinkomen', maar de korte termijn verschilt toch van het betreffende scenario in Nederland in drievoud. Moeten wij geloven dat het plan echt door Zalm zelf bedacht is ?

Het valt overigens op dat ook de KVS niet goed weet wat te doen wanneer iemand stelt dat inbreuk op de wetenschappelijke omgangsnormen is gepleegd.

 

4

 

Ik acht MIMIC een mooi werk, maar nog niet geheel geschikt voor beleidsonderbouwing. MIMIC hanteert de methode die Cool (1989) voorstaat, om met met relatief kleine modellen situaties te vergelijken (in dit geval evenwel met een gevaarlijke verwaarlozing van het reactiepad). Gevreesd moet worden dat MIMIC te vroeg invloed op het beleid zal hebben. Vermeend (1992) verwijst er reeds naar.

De BTW-verlaging blijkt volgens MIMIC minder gunstig dan andere maatregelen. Daarmee ga ik accoord, want het is een robuust resultaat. Herinneren we ons nog dat Ad Melkert voorstelde om de BTW extra te verlagen ?

Momenteel zou in MIMIC een specifieke invulling van de verhoging van het arbeidskostenforfait als beste uit de bus komen. Ten eerste zegt men nog te weinig over de inkomensverhoudingen, zodat deze conclusie in de lucht hangt. Ten tweede wordt dat werkgelegenheidseffect veroorzaakt door de prikkel van het verschil tussen uitkering en het loon. Cools voorstel van de verhoging van de heffingvrije voet lijkt het in MIMIC minder goed te doen. Maar dan blijkt dat dit komt omdat MIMIC niet echt Cools voorstel vormgeeft. Cools voorstel impliceert ook dat de vraagkant wordt gestimuleerd, waardoor het sanctiebeleid effectief kan worden: en het verschil tussen een met sanctie verlaagde uitkering en het loon prikkelt ook. Cool heeft altijd gevonden dat MIMIC's grote aandacht voor het reserveringsloon tijdverspilling voor een (micro-)macro-model is.

In MIMIC wordt gelukkig erkend dat marginale tarieven maar een zeer beperkt effect hebben. Dit is geen ontdekking van MIMIC, maar een bekend resultaat van andere onderzoekers dat eindelijk door het CPB wordt geaccepteerd. Dus al die politici die jaren lang klaagden over de marginale tarieven staan nu ook officieel te kijk. Het is wel jammer dat MIMIC niet de verklaring geeft, welke ik elders heb gegeven.

De beschrijving van MIMIC door Gelauff (1992a) & (1992b) maakt duidelijk dat het model erg aanbod-gericht is. Dat is historisch verklaarbaar, omdat MIMIC de politiek opgelegde taak had om de effecten van marginale tarieven in kaart te brengen (die er dus nauwelijks zijn, zoals reeds bekend toen MIMIC werd opgestart). Weliswaar kent MIMIC een onderscheid tussen soorten arbeid, maar aan de vraagkant is het werkscheppend effect van loonkostenverlaging voor de laagste loongroepen nog te gering. In Cool (1990), voetnoot 8, staat commentaar op eerder werk van Gelauff uit 1988; maar Gelauffs proefschrift uit 1992 houdt daar nog steeds geen rekening mee. Natuurlijk is het wetenschappelijk verantwoord om werk op je onderzoeksterrein bewust te negeren, maar het lijkt me niet correct dat dit ook t.a.v. mijn werk en het werk van Van Schaaijk gedaan wordt.

In de jaren '80 zeiden enkele politici dat het reserveringsloon belangrijk was, cq. dat de uitkeringen omlaag moesten. Johan Graafland (1990) is relaties gaan schatten. Uiteindelijk zit er iets in het model, en dan heeft het argument blijkbaar status gekregen. Politici zwaaien met CPB rapporten. Maar ook Graafland heeft mijn kritiek nog niet weerlegd. Het is bijv. ook incorrect dat Graafland de massawerkloosheid pas in 1980 in plaats van 1972 laat beginnen.

Ik ben het eens met stelling 9 bij Gelauffs proefschrift: "Een bouwer van een economisch model die zich verdiept in het Nederlandse belasting- en sociale zekerheidsstelsel gaat gaandeweg een sterke affiniteit ontwikkelen met Alice in Wonderland."

De stelling ontleent zijn overtuigingskracht natuurlijk ook deels aan de wereld van de economische modelbouw. George Gelauff stelt in zijn voorwoord: "(...) the fact that it is not possible to name all those who inspired me with their research, who taught me a lot, and who always were willing to discuss subjects, may illustrate why the CPB is such a nice place to work." Zeker, het CPB is op zich een leuke plek, en ik zal er graag terugkeren. Dat maakt het echter en blijkbaar ook moeilijk om aan mensen uit te leggen wat er mis is. Een deel van het leuke is namelijk niet echt leuk: het uit de weg gaan van cq. niet reageren op kritiek.

 

5

 

Vermeend (1992) presenteert als een van zijn resultaten dat in Nederland blijkbaar over de hele linie een uniform belasting- en premietarief bestaat. Maar dit was reeds in de jaren tachtig geconstateerd door Marein van Schaaijk in het Maandschrift Economie.

Als mede-ontwerper van de wet Vermeend-Moor kan Vermeend geen gebrek aan belangstelling voor de arbeidsmarkt toegeschreven worden. Maar mogelijk wel een gebrek aan voldoende belangstelling. Professor Vermeend is blijkbaar nog niet in staat tot een werkelijk critische houding t.o.v. MIMIC. Tevens verbaasde het mij toen ik hem (najaar 1991, en andermaal in maart 1992 in onderling contact op het PvdA congres) moest toelichten dat de belastingvrije voet in de jaren vijftig op het bestaansminimum lag. Voorzover ik weet doet hij nog niets met die wetenschap. Minister Kok moest zelfs lachen (op de PvdA bijeenkomst n.a.v. Miljoenennota) toen ik vroeg wanneer de PvdA bereid was om de hoogte van de voet naar het bestaansminimum te brengen.

Vermeend heeft beslist zinnige zaken over de belastingen boven water gehaald. Echter, liever zag ik hem als parlementarër de vraag stellen, waarom het Ministerie van Financiën die informatie niet reeds jaar-in jaar-uit standaard oplepelt.

Vermeend is lid van de parlementaire enquete commissie aangaande de uitvoering van de sociale zekerheid.

 

6

Dan de recente internationale valutacrisis. Roept het verwondering op dat ook dit ter sprake komt ? Dat zou niet mogen. Een goed macro-econoom bespreekt altijd de internationale context waar die relevant is. Bijvoorbeeld, Van Schaaijk (1983) verwijst naar de betalingsbalans. Cool (1989) bespreekt revaluatie van de gulden. Cool (1990) bespreekt de internationale context.

In mijn correspondentie in 1990 met de Minister van Economische Zaken betreffende het gewenste ontslag van de directie CPB wegens onoirbare praktijken, heb ik nadruk gelegd op de hoge Duitse rente.

Een van de hoofdproblemen van de Europese Gemeenschap is de wijze waarop Duitsland omgaat met de Oost-Duitse wederopbouw. Zie met name Cool (1990) p50. Het kernprobleem voor de EG is overigens de voormalige USSR. In de voormalige USSR raken snel gestegen verwachtingen ook weer snel gefrustreerd. De geschiedenis leert dat zo'n proces de oorzaak is van chaos en revolutie. Maar blijkbaar wil de EG dit te laat ontdekken. Ik zeg overigens niet dat er nieuwe Chernobyls zullen komen, ik stel alleen dat het risico daarvan onaanvaardbaar groot gaat worden.

 

 

7

Voor de volledigheid meld ik dat waar hierboven personen ter sprake zijn gekomen de uitgereikte onvoldoendes het inhoud en niet de personen betreffen, en dat mijn eigen persoonlijke gemoedsstemming niet als argument is gehanteerd.

 
 

Literatuur