Parlementaire enquete naar CPB gewenst

 

Thomas Cool, 7 september 1991 Econometrist Centraal Planbureau, op persoonlijke titel


 

Ik heb een algemene theorie, verklaring en oplossing voor werkzoeken zonder baan. Daarin staat het falen van de economische coördinatie centraal. Voor Nederland meer in het bijzonder leidt dit mede tot een critische beschouwing over het functioneren van het Centraal Planbureau. Dit alles heeft ertoe geleid dat het Centraal Planbureau, mijn werkgever, mijn functioneren critisch is gaan beschouwen. En vanaf 1 october 1991 ben ik werkzoekend zonder baan.

Ik beperk me in dit korte opstel tot hoognodige zaken van algemeen belang. Er lopen nog procedures waarin ik mijn onvrijwillige ontslag aanvecht, zodat er zorg moge bestaan over vermenging van zaken. Bij zorgvuldige afweging moge echter blijken dat in de navolgende uiteenzetting het algemeen belang domineert, zelfs in de ontslagkwestie.

 

 

1

 
Laat ik voor de goede orde stellen dat ik hier niet betoog dat Nederland de werkloosheid moet oplossen. De keuze van de doeleinden van beleid is hier niet aan de orde. Deze zijn reeds gegeven door de bekende vijf doeleinden van economische politiek. Mijn bijdrage als econom(etr)isch wetenschappelijk adviseur is de observatie dat men momenteel de verkeerde instrumenten gebruikt om de doelen te bereiken. Vervolgens, omdat het maatschappelijk coördinatie-mechanisme dit had mogen onderkennen (zie bijvoorbeeld de publicaties van CPB medewerkers Van Schaaijk 1983 en Bakhoven 1988), maar de coördinatie hierin blijkbaar faalt (mede omdat het CPB ontoereikend onderzoek doet naar de zgn. 'maatschappelijke welzijnsfunctie' dwz. de nadere invulling van bovenstaande doeleinden), geef ik het tweede advies ook hieraan nader aandacht te besteden. Verandering van het coördinatiemechanisme is in ruime zin instrumenteel voor oplossing van de werkloosheid.

Laat ik iets meer zeggen over het coordinatiekader, omdat sommigen zich moeilijk alternatieven kunnen voorstellen. Kenmerkend is dat men een wetenschappelijke basis wil geven aan het beleid. Dat vertaalt zich in de verplichting dat wetenschappelijk verantwoorde ramingen het fundament voor de rijksbegroting vormen. Zonder zo'n verplichting ontvalt de zin van de exercitie. Voor het instituut dat die ramingen produceert denke men op zijn minst aan een WRR constructie. Een goed alternatief is echter privatisering. Als voorbeeld kan men bij wet regelen, (a) te wijzigen met viervijfde meerderheid: dat de ramingen ten grondslag liggend aan de rijksbegroting geproduceerd moeten worden door een particulier wetenschappelijk instituut van minimaal 121 personen, dat middels een eigen fonds verzekerd is van salarissen voor de komende veertig jaar, (b) te wijzigen met tweederde meerderheid: de keuze van zo'n instituut, (c) te bepalen met gewone meerderheid: het contract voor lopende uitgaven en leverantie der ramingen. Aldus is een alternatief voor het CPB niet zo dramatisch, of net zo dramatisch als het aantreffen van wat nieuw land, zoals Amerika.

Mijn theorie is nog niet in alle details algemeen aanvaard. Wanneer we de normale wetenschappelijke kanalen volgen dan kan het een tijdje duren voordat de leerboeken overstag gaan. We winnen aan snelheid, en miljoenen Nederlanders zouden daarmee gebaat zijn zonder dat dit ten nadele van anderen gaat, wanneer het parlement een enquete zou instellen naar de voorbereiding van het economisch beleid. Dan bedoel ik een informatieve enquete, zoals in de 19e eeuw naar de arbeidsomstandigheden, met als doel gegevens te verzamelen voor wetgeving. Mijn theorie en dit pleidooi voor een enquete heb ik uiteengezet in een artikel van juni en december 1990, en heb ik verdedigd aan enkele universiteiten en op de Onderzoeksdag van economen ECOZOEK 1991. Professor Adriaansens van de WRR was erbij toen professor Meidner, een der grondleggers van het 'Zweedse model', enthousiast werd bij de presentatie van de analyse van mijn artikel, in juni 1990. Evenwel, omdat het CPB dit artikel niet intern wil bespreken en vervolgens publiceren in de reeks 'onderzoeksmemoranda op persoonlijke titel', ben ik ook gaan pleiten voor een enquete naar het CPB, meer van het karakter van de RSV enquete.

Het CPB verklaart zich in een brochure van 1990 tot een 'onafhankelijk wetenschappelijk onderzoekzoeksinstituut'. In mijn procedure naar de Ambtenarenrechter beschouw ik dit als gedekt zijnde door de MinisteriČle verantwoordelijkheid, en dan eis ik van de directie van het CPB dat zich men houdt aan de normen van het wetenschappelijk proces. Overigens meen ik dat wetenschappelijkheid die onafhankelijkheid impliceert; en het wetenschappelijk toegepaste cq. empirische verwar ik niet met het academische. In mijn gang naar de Minister en de Tweede Kamer gebruik ik vanzelfsprekend het gespiegelde argument (a) dat het CPB niet zo'n instituut is, o.a. omdat men zich niet aan de normen houdt, (b) dat genoemde verklaring dat het CPB wel zo'n instituut zou zijn in strijd is met de wet 1947 waarmee het CPB is opgericht alsmede de Memorie van Antwoord. Overigens hoort men mij niet beweren dat destijds, in die door politieke tegenstellingen zo sterk beheerste situatie, klaarheldere verklaringen en wetteksten zijn geproduceerd.

Het CPB wordt soms inderdaad gerangschikt onder de zgn. 'zelfstandige bestuursorganen'. In antwoord op mijn verzoek tot een parlementaire enquete naar genoemd functioneren van het CPB schrijft de Commissie van de Verzoekschriften van de Tweede Kamer mij op 28 augustus 1991:

Deze stellingname laat zich confronteren met een aantal afzonderlijke constateringen.
 

Binnen de redenering van de Commissie voor de Verzoekschriften geldt logisch dat indien het CPB niet wetenschappelijk is, twijfel over de onafhankelijkheid ontstaat. Misschien om deze reden spreekt de commissie nog als tweede overweging uit dat een enquete overbodig zou zijn omdat er al een controle bestaat:

Ik leg deze conclusie aan het wetenschappelijke forum voor, of inderdaad ook de collegas vinden dat bijvoorbeeld het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij machte is om een oordeel te vellen over de wetenschappelijke bijdragen en het dusdanig functioneren van het CPB. En ik vind het wat flauw van de commissie om niet in te gaan op de inhoud van mijn verzoek. Zonder dat ik daar expliciet om verzoek (bij deze dan), had men kunnen voorspellen dat ik ook vind dat de controle op het CPB door diverse ministeries tekort schiet. Het feit van voortdurende massale (verborgen) werkloosheid, recentelijk ook blijkend uit de onzorgvuldige ambtelijke voorbereiding van het beleid t.a.v. ziektewet en WAO, zou toch voor zichzelf mogen spreken.

Ik mag in het bijzonder verwijzen naar mijn correspondentie met de Minister van EZ, voor deze diens (plv.) secretaris-generaal. Deze correspondentie heeft de structuur, dat ik A verzoek en dat men B afwijst. Mijn verzoek van 31 juli 1990 om mij in contact te brengen met de Algemene Rekenkamer wordt volstrekt genegeerd. Ik heb de Commissie voor de Verzoekschriften inzage in deze briefwisseling verschaft. Het is mij een raadsel dat de commissie een dergelijke bestuurlijke afhandeling beschouwt als 'voldoende controle'. Maar, dit oordeel is natuurlijk aan de commissie.

 

2

Ik wens vast te stellen dat het mij steeds is gegaan om de inhoud van mijn economische analyses, dat deze gebaseerd zijn mede op mijn deelname aan de CPB lange termijn studie naar 2015, en dat ik enkele kernpunten heb vastgelegd in de zomer en november 1989, in een CPB notitie over 'neoklassieke knelpunten voor de Nederlandse economie op langere termijn'. Het is de CPB directie geweest (a) die een interne CPB discussie uit de weg is gegaan, zodat de bestuurlijke conclusie van een pleidooi voor een parlementaire enquete onvermijdelijk werd, (b) en die de kwestie in arbeidsrechtelijke sfeer heeft getrokken door mijn functioneren als wetenschappelijk ambtenaar ter discussie te stellen.

Hier heb ik tot nu toe de structurele zaken behandeld.

Evenwel, het andere ligt ook voor. Dat is heel vervelend, want het kan ertoe leiden dat mensen er wat van gaan denken. En ik ben gedwongen om daarop te reageren: zodat we plotseling over andere zaken praten, en zodat ik als effectief discussiepartner voor het eigenlijke onderwerp uitgeschakeld zou kunnen zijn. Men begrijpe aldus dat ik grote aarzelingen heb om deze andere kwesties aan te roeren, kwesties waarvan men licht geneigd is om de nadruk te leggen op persoonlijke aspecten. Ik ontkom er niet aan om toch iets te zeggen. Door dit genuanceerd te benaderen hoop ik evenwel een gelijke genuanceerde reactie op te roepen.

Men begrijpe dus dat er hier een andere argumentatie ontstaat. Het gaat niet om een economische analyse waarin men ofwel mij ofwel de directie van het Centraal Planbureau gelooft, maar het gaat nu om management en arbeidsrechtelijke procedures, en om het feit dat deze laatste gebruikt worden. Mocht de ambtenarenrechter dit lezen, dan is het extra zinvol om te beklemtonen dat ik zaken aanroer, niet in maar over procedures. Ik memoreer hier dat met de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer is vastgesteld, na wat heen en weer schrijven, dat mijn verzoek tot een enquete geen betrekking heeft op zaken die aan de rechter voorliggen, wat immers een terrein zou zijn waar de commissie zich uberhaupt niet op zou begeven.

Dan: de directie van het CPB heeft m.i. veel meer fouten gemaakt dan redelijkerwijs toelaatbaar zou zijn, zelfs binnen de huidige opzet van een 'afhankelijk technisch staatsorgaan met pretenties van wetenschappelijkheid'. Mijn hoofdargument luidt dat de huidige directie (a) geen hoor en wederhoor pleegt, (b) wetenschappelijke normen met de voeten treedt, (c) oneigenlijke argumenten gebruikt om een ontslag erdoor te drukken. Vanuit het algemeen belang pleit ik ervoor dat de Minister van EZ zijn wettelijke bevoegdheid gebruikt om deze directie te schorsen, zodat ik mijn arbeidsrechtelijk conflict met een andere en redelijke (interim-) directie kan bespreken.

Ik moet dit toelichten.
 

Een denkbare uitkomst van de rechtszaak is nu dat het ontslag op basis van ongeschiktheid ongedaan wordt gemaakt, maar door de rechter wordt volgehouden wegens onverenigbaarheid van karakters. Dit zou heel vreemd zijn. Zodra de rechter aangeeft dat de directie fouten heeft gemaakt, en mijn bezwaren worden erkend, dan zou men van de directie van het CPB mogen verwachten dat men dit oordeel accepteert, en verder zakelijk voortwerkt. Het rare van de situatie is dat ik met de collegas op het CPB goede werkverhoudingen heb, en tegenover de directie beargumenteerde bezwaren op zaken, maar dat dit beschreven zou gaan worden als 'verstoorde' werkverhoudingen. Zoiets komt mij voor als een in de wetenschap ontoelaatbare Catch-22. Een dergelijke juridische uitkomst zou inhouden dat ik op oneigenlijke gronden uit het inhoudelijke debat word weggewerkt.

Voorgaande overwegingen zijn m.i. overtuigend om een algemeen belang te zien in schorsing van deze directie van het CPB. De norm is het wetenschappelijk argument, niet een juridisch slim opzetje.

 

3

 Het Centraal Planbureau is in Nederland natuurlijk een beetje heilig, om welke reden dan ook. Mijn stellingname moet ongetwijfeld iets hebben van het gevecht van de windmolens met Don Quijote. Toch, hoewel men gewoonlijk mensen en niet organisaties in gekkenhuizen opsluit, blijken organisaties wel eens maffer dan een mens. Ruim voor Kafka schreef Mark Twain:

Ik beschuldig het Centraal Planbureau van volksverlakkerij. Ik pleit voor een enquete. Alea iacta. Het woord is aan anderen, met name de collegas, en natuurlijk de werklozen.