Aan de Raad voor de Journalistiek                                                                            Terug naar het overzicht
Het Secretariaat 
Mevrouw mr. D.C. Koene
p/a Joh. Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam
 
 
 

1 februari 2005
Betreft: “klaagschrift” t.a.v. onjuiste, althans onvolledige, berichtgeving
 
 
 

Geachte Raad,

Tot mijn spijt moet ik u een kwestie van onjuiste, althans onvolledige, berichtgeving voorleggen. 

De naam of namen van de journalist of journalisten en/of het medium tegen wie de klacht is gericht

Folkert Jensma, NRC-Handelsblad, PB 8987, 3009 TH Rotterdam
Pieter Broertjes, de Volkskrant, PB 1002, 1000 BA Amsterdam
Hubert Smeets, De Groene Amsterdammer, PB 353, 1000 AJ Amsterdam
Erik van Gruijthuijsen, Het Parool, PB 433, 1000 AK Amsterdam

Een zo duidelijk mogelijke omschrijving van de klacht

Het gaat mij erom dat genoemde journalisten en/of media objectief verslag moeten doen van mijn protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau.

Momenteel bericht men in het geheel niet over de kwestie en is er dus sprake van onjuiste, althans onvolledige, berichtgeving. Dit is nader omschreven in bijlage A. Deze bijlage verwijst ook naar mijn brief van 17 Januari 2005 aan genoemde journalisten en/of de media (bijlage B) en het antwoord van de heer Broertjes van 24 januari 2005 (bijlage C). 

Mijn brief van 17 januari 2005 bevatte als bijlage voor genoemde journalisten en/of media een exemplaar van het boekje “De ontketende kiezer” uit 2003. Dit voeg ik nu ook in 8-voud toe.

Ter facilitatie van uw beraadslaging voeg ik als bijlage D ook een samenvatting van twee pagina’s toe welke op mijn website staat: “Protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau” d.d. 26 november 2004. Een mogelijke uitspraak van u kan zijn dat u genoemde journalisten en/of media opdraagt deze samenvatting te publiceren.

Wellicht is dit ook de plaats om premier J.P. Balkenende nog te danken voor het onder de algemene aandacht brengen, in de context van een prinselijk huwelijk, van het (staats-) belang van het criterium van ‘onjuiste, althans onvolledige’ rapportage.

Waarom de klager vindt dat hij of zij rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad

Als wetenschappelijk medewerker en econometrist van het Centraal Planbureau ben ik op 7 september 1991 met een persbericht naar buiten getreden dat ik protesteer tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB (zie mijn website). Het is dan in mijn belang dat genoemde journalisten en/of media hierover rapporteren.

In 2003 heb ik met journalist Hans Hulst het boekje “De ontketende kiezer”laten publiceren.

Mijn rechtstreekse belang is dat de genoemde journalisten en/of de media volledigheid betrachten. 

Het belang van volledigheid volstaat.

Pro memorie: Mocht men in een rapportage eventueel fouten maken, dan kan ik in overleg met betrokkenen proberen deze fouten proberen te herstellen: maar het punt is momenteel dat er nog niet zo’n verslag van genoemde journalisten en/of media bestaat aangezien men ‘onjuist, althans onvolledig’ rapporteert.

Pro memorie: Wanneer wetenschappers bij hun protest tegen censuur geen rapportage kunnen verwachten ontstaat een enge maatschappij. 

Pro memorie: Het is evident dat journalisten en/of media niet over alles kunnen publiceren en dat een keuze gemaakt moet worden. Waar het hier om gaat is dat de journalisten en/of media hier nalatig zijn geweest op een maatschappelijk onaanvaardbare wijze.

Indien door de klager bemiddeling wordt gewenst 

Ik zou graag zien dat de kwestie wordt opgelost. Wanneer bemiddeling een betere aanpak is dan werk ik daar graag aan mee. Een suggestie zou kunnen zijn dat een bemiddelaar een ronde-tafel gesprek organiseert met genoemde journalisten en/of de media, en dit gesprek openlijk laat zijn zodat anderen kunnen toehoren. Wanneer dit tot verslag in de media leidt van mijn protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB dan ben ik tevreden. Voor zo’n bemiddeling zou ik de betrokkenheid van Anil Ramdas zeer op prijs stellen, die in zijn Burgemeester Dales lezing met de ondertitel “Jarenlange stigmatisering door de gevestigden eist een grote tol” heeft laten blijken een deel van het probleem te begrijpen (NRC-Handelsblad, opiniepagina 31 januari 2005).

Met vriendelijke groet,
 

Thomas Cool / Thomas Colignatus 
http://thomascool.eu
 
 
 

Bijlage A: de gewraakte publicatie 

Uw reglement vereist: “Het klaagschrift moet als bijlage bevatten de publicatie waarover de klacht gaat. Dat kan zijn een fotokopie van een stuk uit een krant of tijdschrift en als het gaat om radio of televisie, een bandopname of eventueel de uitgetikte tekst.”

In dit geval betreft dit “klaagschrift” een onjuiste, althans onvolledige, publicatie. 

Wellicht zou ik alle edities van alle genoemde media voor de periode 1990-2005 aan u kunnen voorleggen, in 8-voud, doch dit lijkt mij ondoenlijk.

Om die reden heb ik genoemde hoofdredacteuren gevraagd mij te melden waar men wél over de zaak heeft gerapporteerd - zie mijn brief aan hen van 17 januari 2005 (bijlage B).

Ik heb daarop slechts antwoord ontvangen van de heer Pieter Broertjes d.d. 24 januari 2005 met de reactie “Het staat u vrij klachten in te dienen. Eventuele behandeling van uw klacht zien wij te zijner tijd met belangstelling tegemoet.” (bijlage C).

Ter facilitatie van uw beraadslaging voeg ik als bijlage D ook een samenvatting van twee pagina’s toe welke op mijn website staat: “Protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau” d.d. 26 november 2004. De kern van die samenvatting is dat ik op het terrein van de economische wetenschap iets nieuws heb bedacht en dat dit nieuwe inzicht pas gepubliceerd kan worden wanneer de censuur is opgeheven. Ik protesteer tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB in de hoop dat deze wordt opgeheven. Wanneer journalisten en/of media niet over dit protest rapporteren, dan rapporteren zij onjuist, althans onvolledig.

Pro memorie: De gangbare methodiek van de RvdJ is dat men oordeelt ten aanzien van een bericht dat gepubliceerd is. Wanneer er niet gepubliceerd is, lijkt er weinig te toetsen. Evenwel, in artikel 4.1 van de statuten wordt ook gesproken over het “nalaten”. Dat is hier aan de orde. Vervolgens gaat het om de toets in artikel 3.1 op het “maatschappelijk aanvaardbaar” zijn daarvan. Laat ik eerst enkele overwegingen noemen die de genoemde journalisten en/of media mogelijk zouden vrijpleiten van maatschappelijk onaanvaardbare nalatigheid. De begrijpelijke overweging van journalisten en/of media zal zijn dat men niet kan berichten van iedere mus die van het dak valt. Wat een mug of een olifant is, is een journalistieke afweging. Of wanneer men liever over een pandabeertje schrijft dan over censuur van de wetenschap, dan is dat de journalistieke keuze om tegemoet te komen aan de belangstelling van de lezers. Mochten lezers hun vertrouwen in een medium verliezen dan staat het hen vrij een ander medium te kiezen. Mijn selectie van genoemde journalisten en/of media is ook tamelijk willekeurig. Ik zou eventueel kunnen noemen dat ik van de censuur van de directie van het CPB last ondervind in dat collega-wetenschappers of economen ter redactie niet naar mijn beoogde CPB-publicatie (CPB onderzoeksmemorandum “op naam van de auteur”) kunnen verwijzen en in dat ik daardoor moeilijker ander werk vind: maar dit kan ik niet aan journalisten en/of media toeschrijven, de oorzaak daarvoor is in eerste plaats toch bij de directie van het CPB die de censuur pleegt en de minister van Economische Zaken die onvoldoende toezicht pleegt en de Kamer die de minister niet kritiseert. Ik kan nog noemen dat ik er belang bij heb dat mijn analyse aandacht krijgt zodat de werkloosheid wordt opgeheven, dat de belastingen daardoor omlaag gaan, dat de democratie toeneemt, maar, hiervoor moet ik bij het parlement zijn, of de kiezers, en niet bij de journalisten en/of media. Ik kan nog noemen dat ik er last van heb dat mensen mijn wetenschappelijke en politieke posities gaan verwarren: maar dat probleem ligt bij die mensen en mogelijk niet of althans niet bewijsbaar bij de media. Ik kan nog noemen dat ik mij te kijk zie staan en door mensen vernederend behandeld zie worden. Mensen zien me tegen de censuur protesteren en zien dat er niet over gerapporteerd wordt. Mensen merken dat journalisten verder geen kritische vragen aan politici stellen en dat er niets met het protest gebeurt, zodat mensen wellicht kunnen gaan denken dat mijn protest ook werkelijk betekenisloos is. Ook zie ik hoe ik steeds meer conclusies moet trekken, eerst een protest t.a.v. de CPB-directie, nu ook nog een advies tot boycot van Nederland en een advies tot ontslag van de hoogleraren economie: zolang men de censuur niet ongedaan maakt, zijn deze conclusies wetenschappelijk verantwoord, maar zij leiden tot verder onbegrip. Maar onbegrip kan ik toch niet aan de journalisten en/of media verwijten ? Wanneer mensen zo reageren, wanneer zij erop vertrouwen dat er volledig gerapporteerd wordt, dan is dat hun eigen verantwoordelijkheid, ook wanneer zij er eigenlijk vanuit moeten gaan dat journalisten en/of media onjuist want onvolledig kunnen rapporteren. Toch, na afweging van al deze overwegingen, na 15 jaar door deze journalisten en/of media doodgezwegen protest tegen de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB, en ziend hoe de maatschappij er last van ondervindt dat dit protest niet normaal in de media gehoord en besproken kan worden zoals men van een vrijheidslievend land toch zou mogen verwachten, acht ik toch het punt bereikt dat ik van de RvdJ een toets wil vragen van het “maatschappelijk aanvaardbaar” zijn van de getoonde nalatigheid van de onjuiste, althans onvolledige, rapportage door genoemde journalisten en/of media. Mijn brief van 17 januari 2005 aan genoemde journalisten en/of media bevat diverse voorbeelden van waarom de getoonde nalatigheid maatschappelijk onaanvaardbaar is. De RvdJ krijgt de gelegenheid om mijn oordeel te controleren en me daarin in alle wijsheid te volgen. //


Bijlage C

Amsterdam, 24 januari 2005

Geachte heer Cool,

Dank voor uw brief van 17 januari jl. waarin u het voornemen uit een klacht in te dienen bij de Raad voor de Journalistiek. Het staat u vrij klachten in te dienen. Eventuele behandeling van uw klacht zien wij te zijner tijd met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

P.I. Broertjes
hoofdredacteur