Aan de minister van Economische Zaken
De heer J. Wijers
Postbus 20101
2500 EC 's-Gravenhage

 

In persoon

16 juli 1995

 

Betreft uw brief van 23/1/95,
mijn brief van 25/1/95,
de uitspraak van de Kamer van Toezicht van de NVMC van 15/12/94,
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30/5/95,
mijn boek "Trias Politica & Centraal Planbureau" uit najaar 1994,
en mijn publieke positie (o.a. artikel en interview MUG juli & september 1995)

 

 

 

 

Geachte minister,

 

Ingevolge de wet van 21 april 1947 (H 128) houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan wordt de coördinatie van het economisch, sociaal en financieel beleid gebaseerd op adviezen van het Centraal Planbureau (CPB), en bent u de minister die voor dat bureau verantwoordelijk is.

Ik richt mij tot u als wetenschappelijk medewerker en econometrist van het CPB. In deze hoedanigheid meld ik u een grote misstand, en vraag ik u dringend bescherming voor mij als de boodschapper van deze melding. Als medewerker van het CPB zou ik gaarne gewoon mijn werk willen doen - en daarbij tevens een vernieuwende analyse ten aanzien van de werkloosheid presenteren - maar ik zie tot mijn ontsteltenis een aantal maatregelen tegen mijn persoon genomen.

Er bestaat een grote misstand t.a.v. het CPB. Tevens kent Nederland een al meer dan 20 jaar voortdurende massale werkloosheid (danwel inactiviteit genoemd), een hoog opgelopen staatsschuld, en ook andere verschijnselen die voortkomen uit problemen rondom de coördinatie. Het lijkt mij verstandig om de situatie rond het CPB in verband te zien met genoemde problemen.

De directie van het CPB erkent zowel mijn kwaliteiten als econometrist als mijn integriteit als wetenschapper. Toch is mijn analyse niet besproken kunnen worden, laat staan doorgerekend. Mijn verzoek om bescherming wordt voor u tevens een vraag naar de consistentie. Ziet u, is dan de vraag, evenwicht tussen enerzijds de mogelijkheid mij het voordeel van de twijfel te gunnen en daarmee zo mogelijk de werkloosheid aan te pakken en miljarden te besparen - een voordeel dat ik op grond van kwaliteiten en integriteit toch wel verdiend moge hebben - en anderzijds de breidel van mijn analyse en de vervolging van mijn persoon ? Ik verwijs hierbij ook naar de Kamer van Toezicht van de wetenschappelijke vereniging de NVMC, die concludeerde dat er te weinig ruimte voor discussie lijkt te hebben bestaan.

Mijn analyse is vernieuwend t.a.v. de gehele economische wetenschap. Deze analyse ligt derhalve aan het wetenschappelijk forum voor. Dit gegeven vergt mogelijk nog precisering. Wat voor anderen groen is, is voor mij rijp. Ik heb kwaliteiten en voldoende integriteit om daarover in deze zin te kunnen oordelen. Daarmee is het eigenlijke probleem niet dat de modellen en analyses van de collega’s van het CPB volgens mij op een cruciaal punt incorrect zijn - en zodoende een verkeerde basis voor het actuele regeringsbeleid. Mijn mening is in deze maar een van de vele. Echter, de misstand t.a.v. de huidige directie van het CPB is dat er onvoldoende ruimte voor nette discussie werd en wordt verleend.

Voor de goede orde breng ik gaarne de traditie en nalatenschap van Jan Tinbergen in herinnering. Zijn geduld en bescheidenheid in het persoonlijk optreden zijn bovendien voor mij belangrijke voorbeelden, en mocht ik op enigerlei wijze ongeduldig en onbescheiden lijken, dan haast ik mij me daarvoor te verontschuldigen en verzeker ik u dat dit niet zo bedoeld is. Als wetenschapper die een analyse heeft dat de aarde rond is in een wereld die goeddeels gelooft dat de aarde plat is, lijkt het me echter wel verstandig om helder en duidelijk over de analyse te zijn, omdat anders het gevolg is dat de analyse niet begrepen laat staan gehoord wordt.

Vervolgens zie ik mij als brenger van de analyse incorrect behandeld. Om incorrecte beschuldigingen ten aanzien van mijn persoon te kunnen weerleggen vraag ik al vijf jaar om onderzoek van het management en van mijn afdeling op het CPB. Zonder zo’n onderzoek verwacht ik de continuering van een wetenschappelijke misstand, en bovendien nadelige gevolgen voor mijn eigen persoon in termen van maatschappelijke reputatie en mogelijkheden van bestaan. Mijn redelijke verzoek wordt al vijf jaar geweigerd.

Ik heb eerder contact met de minister in persoon opgenomen. Uw voorganger professor Andriessen besloot destijds de uitspraak van de rechtbank over het beschikbare dossier af te wachten. U besloot in januari dit jaar tot hetzelfde. Onlangs heeft de Centrale Raad van Beroep op belangrijke onderdelen van het dossier gesproken. Gaarne leg ik u de vraag voor of u op grond van de voorliggende uitspraken alsnog wilt onderkennen dat het dossier incompleet is en dat nader onderzoek van management en afdeling gewenst is.

In concreto zijn de volgende besluiten vernietigd:
(1) de Formele Personeels Beoordeling (FPB),
(2) de verplaatsing uit het normale werk en de afdeling,
(3) het tegenhouden van de publicatiegang van mijn werkloosheidsanalyse.
Tevens is vastgesteld dat (4) een bevordering aan de orde gesteld kon worden (i.t.t. de visie van het management). De Centrale Raad van Beroep veroordeelt u tot betaling van de kosten van het proces en geeft u opdracht tot het opnieuw opmaken van de FPB.

Door de vernietiging van de FPB haalt de Raad feitelijk de laatste grond onder het ontslag weg. Toch, onlogisch, laat zij dit ontslag in stand.

Onderzoek is van belang omdat het huidige dossier incompleet is op cruciale punten. De rechtsgang tot nu toe is geplaagd door de onvolledigheid van het materiaal. Ik heb nimmer kunnen begrijpen waarom men een verzoek tot onderzoek naar management en afdeling in beraad houdt in afwachting van de rechtsgang, terwijl dat onderzoek juist voor een correcte rechtsgang nodig is.

In Nederland bestaan geen voorzieningen zoals het Amerikaanse "Office of Research Integrity" dat beter rekening houdt met de eigenheden van de wetenschappelijke beroepsgroep. Vervolgens bestaat er die bijzondere sociale dynamiek dat ‘de sterke’ (de hoogleraar-directeur) bij voorbaat onschuldig en ‘de zwakke’ (de medewerker met de analyse dat de aarde rond is) bij voorbaat schuldig lijkt. Het ambtenarenrecht geeft de ambtenaar een zeer zwakke positie, en versterkt zo het gebrek aan evenwicht in plaats van het te herstellen. Dit speelt te meer voor wetenschappelijke ambtenaren, mede gezien het ontbreken van zo’n "ORI".

Gaarne vestig ik uw aandacht op een andere overweging betreffende situaties waarin beschuldigingen worden geuit en beroep daartegen wordt ingesteld. Deze andere overweging lijkt me ook van groot belang. Van iemand die beschuldigd wordt kan men namelijk niet werkelijk en niet in rede verwachten dat hij getuigen aandraagt om van zijn onschuld te getuigen. Immers, wanneer mensen door een persoon gevraagd worden om als getuigen op te treden, dan raakt de getuigenis (onnodig) belast. Betrokkenen lijken dan getuigen voor een persoon te (moeten) zijn in plaats van getuigen van een situatie. Getuigenverklaringen kunnen worden gezien als gekleurd, en getuigen kunnen willen vermijden geassocieerd te raken. Dat laatste speelt zeker een rol wanneer het slachtoffer een zwakke rechtspositie heeft en het beroep daardoor vermoedelijk toch wel zal worden afgewezen. Echter, wat het slachtoffer van een beschuldiging wel kan doen is vragen om een onderzoek, en vervolgens kan hij tegenover de onderzoekscommissie een aantal namen noemen van mogelijke getuigen van de gehele situatie. Voor het slachtoffer van een beschuldiging bestaat derhalve alleen een redelijke verdediging wanneer er op zijn verzoek een onderzoek wordt gehouden. Dit alles geldt temeer wanneer de beschuldiging vaag wordt gelaten zoals momenteel het geval is. Het geldt ook temeer wanneer betrokkene eigenlijk zelf getuige is voor een andere kwestie (die mogelijk door zo’n beschuldiging minder aandacht krijgt).

Onderzoek naar management en afdeling lijkt mij dan essentieel om de voorwaarde te scheppen dat de herziene FPB correct tot stand komt. Voor derden zal op deze manier duidelijk worden dat ik goed gefunctioneerd heb - met goede collegiale contacten en opstelling, getrouw aan de opdrachten van de dienstleiding, en met (overigens:reeds erkende) wetenschappelijke kwaliteiten en integriteit - terwijl er wel een ontslag verleend is, en terwijl het ontslag niet meer voor beroep ontvankelijk zou kunnen zijn omdat de hoogste instantie reeds gesproken heeft (welbeschouwd: voor zijn beurt en zonder de mogelijkheid van verweer en van hoor- en wederhoor).

Mijn hoofdverzoek is derhalve om een onderzoek door gezamenlijk te kiezen onafhankelijke deskundigen; en aansluitend, dat u de FPB pas laat opstellen nadat dit onderzoek is verricht.

E.e.a. laat natuurlijk onverlet dat u er daarnaast verstandig aan zou doen de huidige directie te schorsen en mij te verzoeken mijn werk weer op te nemen, mijn analyse t.a.v. de werkloosheid voor de collega’s toe te lichten en door te rekenen.

Subsidiair

In een complexe zaak als de onderhavige komen verschillende zaken naar boven. Naast bovenstaand hoofdverzoek ontkom ik niet aan het navolgende.

1

Voor de goede orde herinner ik aan mijn verzoek uit 1990 aan toenmalig plv. s.-g. Weck, om mij in contact te brengen met de Algemene Rekenkamer.

2

Ik herhaal daarnaast mijn latere verzoek om een onderzoek naar uw personeelsafdeling en het gebeuren rondom de bezwarenprocedure. De trage behandeling, het mij niet verstrekken van voldoende ondersteuning en bescherming, het doen van onwaarachtige beweringen die in hogere instantie vanzelfsprekend vernietigd worden: me dunkt dat dit niet ononderzocht kan blijven.

3

De Centrale Raad van Beroep stelt dat de FPB vernietigd wordt op ‘slechts’ formele grond. Ik maak bezwaar tegen dit ‘slechts’ en met name de suggestie die er van uitgaat, nl. dat ik een persoon zou zijn die om slechts formele punten bezwaar aantekent.

Mijn verdediging heeft melding gemaakt van die formele grond omdat dit voldoende is.

Vanzelfsprekend stel ik ook materieel onschuldig te zijn aan wat de huidige directie van het CPB over mij suggereert (doch niet concretiseert en bewijst). Mijn verdediging benadrukt die vanzelfsprekendheid.

Ik vind het ondoenlijk - en incorrect - om te reageren op wat slechts suggesties zijn en wat niet concreet onderbouwd wordt. De situatie gaat ontstaan dat ikzelf moet gaan bewijzen dat ik een fatsoenlijk en collegiaal persoon ben - schuldig tot onschuld bewezen is - in plaats van dat de dienstleiding - dat bovendien over alle middelen beschikt - het tegendeel onderbouwt.

De suggestie in het besluit van de Raad is extra navrant, omdat ik gevraagd heb om een onderzoek. De Raad oordeelt dat er niet is gebleken van mismanagement: terwijl zo’n onderzoek toch eerst gehouden moet worden voordat de conclusie ervan bekend kan zijn, en terwijl het ontbreken van zo’n onderzoek op zich al een aanwijzing is van incorrect management van het wetenschappelijk proces.

Deze paragraaf dient overigens slechts ter algemene duiding. Het gaat mij in het contact met u om de besluiten die in eerste instantie toch door u danwel uw ambtenaren genomen zijn.

4

In maart 1991 bij de uitspraak van de bezwarencommissie (toen het ontslag nog niet bestond) meende de toenmalige directeur Zalm nog ‘alles gewonnen te hebben’. Dit heeft hem er ongetwijfeld mede toe gebracht mij in juni 1991 ontslag aan te zeggen. Nu bevestigt de rechtsgang mij op de belangrijke punten die toen aan de orde waren - maar zie ik mij inmiddels wel ontslagen. Laat ik opmerken dat de reden van bevestiging niet zo moeilijk is: een logische geest had dit kunnen voorzien. De mening van de CPB-directeur van maart 1991 is ongetwijfeld ingegeven door zijn klaarblijkelijk onvermogen om de zaak correct te behandelen.

Wat is dan de werkelijke situatie ? Ik kon en kan me niet aan de indruk onttrekken dat langs arbeidsrechtelijke weg invloed werd en wordt uitgeoefend op de inhoud van de wetenschappelijke discussie. Deze lezing heb ik nader gedocumenteerd in mijn boeken: "Definition and Reality in the general theory of political economy; Some background papers 1989-1992", Magnana Mu Publishing & Research 1992, ISBN 90-5518-207-9 en "Trias Politica & Centraal Planbureau", Samuel van Houten Genootschap 1994, ISBN 90-802263-1-9.

Men moge meewegen dat ik me in juli 1990, toen de directie de publicatiegang van een paper tegenhield, gedwongen heb gezien uw minister te verzoeken de (huidige) directie te schorsen. Inmiddels heeft de Kamer van Toezicht van de wetenschappelijke vereniging de NVMC vastgesteld dat er inderdaad te weinig ruimte voor discussie lijkt te hebben bestaan. Journalisten (Intermediair, 23/12/94, MUG juli 1995) beginnen op te merken dat het vreemd is dat mijn capaciteiten als econometrist worden erkend terwijl mijn analyse nog niet is doorgerekend. (Bijlage 1.) Als wetenschappelijk medewerker van het CPB heb en had ik niet de vrijheid om het bij deze constateringen te laten, en moest ik ofwel meelopen ofwel vertrekken ofwel de incorrecte directiebesluiten ter toetsing voorleggen binnen de bestaande regelingen.

Mijn wetenschappelijk verantwoorde analyse t.a.v. de huidige vorm van massale werkloosheid is dat deze voortduurt niet door gebrek aan kennis van ter zake kundige econometristen maar door structuurproblemen in de voorbereiding van het economisch beleid. Waar het probleem de overdracht van kennis en informatie betreft, is de oplossing ook in die richting te zoeken. De analyse leidt tot het wetenschappelijk verantwoorde advies tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het sociaal-economisch beleid. Vervolgens, wanneer die analyse niet te publiceren mocht blijken, is daarmee de analyse logisch bevestigd en een parlementair onderzoek met logische zekerheid te adviseren.

Het kan op uw weg liggen om mijn advies tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het sociaal-economisch beleid te ondersteunen of het ontstaan daarvan te bevorderen.

5

Door mij (op de huidige manier) te ontslaan en mij goede referenties te onthouden maakt u het mij bijkans onmogelijk om elders emplooi in mijn vakgebied te vinden. Een dergelijke behandeling staat in contrast met het aanbod van ontslag op grond van ‘onverenigbaarheid’ en het aanbod van outplacement, indien ik maar ‘vrijwillig’ had willen vertrekken.

Vervolgens, terwijl ik slechts vasthoud aan de wetenschappelijke integriteit en om onderzoek verzoek, zie ik me belasterd, van collega’s geïsoleerd, de toegang tot de computer ontzegd, het werk gebreideld, zonder wachtgeld en referenties ontslagen, gedwongen tot een jarenlang verblijf in een kafka-esque juridische wachtkamer, opgejaagd langs de straten van Europa om maar in het levensonderhoud te voorzien.

6

Voor de nieuw op te stellen FPB verzoek ik u dezelfde periode aan te houden. Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat u besluit om de FPB over 1989-1991 op te stellen. Toch is het nuttig op te merken dat dit inderdaad onjuist zou zijn want aan detail zou verliezen. Ik houd me vanzelfsprekend aanbevolen voor een andere FPB ook over de latere periode - zoals toch gebruikelijk wanneer sprake is van ontslag - en verneem graag hoe u daarover denkt.

7

In januari 1990 verzocht ik u t.a.v. de FPB om een andere beoordelaar dan de hoofdafdelingschef (HAC). Ik herhaal dit verzoek. Mijn gronden in 1990 waren dat de HAC mijn werk minder goed kent en dat hij door het ingesteld bezwaar mogelijk niet meer objectief was. Dit laatste is nadien inderdaad gebleken: de redelijke bezwaren heeft hij geïnterpreteerd als op de persoon gericht in plaats van als iets om over te praten en van te leren (bijlage 2). Mijn bezwaar tegen zijn aantreden als beoordelaar geldt dus versterkt.

Begin 1990 achtte ik het een practisch onvermijdelijk onderdeel van de beoordelingsprocedure dat mijn chef mij zou beoordelen, en ik calculeerde in dat een slechte beoordeling zou leiden tot een beroep op grond van mismanagement en de noodzaak van nader onderzoek om aan het licht te brengen wat nog niet tot uiting kwam. Tegelijk heb ik benadrukt dat vertrouwenwekkende maatregelen nodig waren. Immers, de chef had een dubbele periodiek voorgesteld maar veranderde van mening toen de directie anders besloot. Het is pijnlijk om te constateren dat de chef de druk van de ontwikkelingen niet heeft aangekund. Inmiddels heeft hij een poging tot chantage gedaan: na de onheuse (inmiddels vernietigde) verplaatsing uit mijn werk en afdeling mocht ik van hem alleen terugkeren wanneer ik mijn bezwaarschriften introk. Vervolgens heeft hij voor de commissie bezwaarschriften van EZ gelogen (zie bijlage 3). Onlangs, voor de Centrale Raad van Beroep stelde de chef dat hij zich niet kon herinneren uit een voor deze zaak cruciaal gesprek te zijn weggelopen: en dat zoiets toch wel zo uitzonderlijk was dat hij zich dat wel zou herinneren. Evenwel, de gebeurtenis wordt genoemd in mijn brief van 23 maart 1990 (BBV gedingstuk 15) pag 4, en in de aantekeningen van de chef van 1 mei 1990 (BBV gedingstuk 3) p3. De CPB directie noemt de affaire rondom mijn persoon ‘uitzonderlijk’ en soms ook ‘tragisch’. Het is weinig geloofwaardig dat de chef zich het gebeuren niet kan herinneren. Aldus komt het mij niet zinvol voor dat de chef weer als beoordelaar wordt aangewezen.

Vervolgens: ik kan me voorstellen dat de huidige directie een correcte beoordeling alsnog accordeert, ook al heeft men tot nu toe beweerd dat ik niet zou functioneren. Dat dit zich laat voorstellen, betekent echter niet dat de huidige directie het voordeel van de twijfel geniet. Momenteel ligt er een belasting op de beoordeling, namelijk dat een interne CPB beoordelaar in conflict kan komen met de mening van de huidige directie dat ik ontslagen moet worden. Het lijkt me niet correct om een beoordeling zo te belasten. Correcter is het om de huidige directie te schorsen, mij op het CPB gewoon mijn werk te laten doen, het voorgestelde onderzoek naar management en afdeling te doen plegen, en vervolgens de beoordeling zonder belasting tot stand te laten komen. Ik kan me inderdaad met toereikend vertrouwen voorstellen dat de plv. HAC - die ik destijds reeds voorstelde - na het onderzoek en met de nodige informanten en zonder de last van een voorbepaalde uitkomst op correcte wijze tot een beoordeling kan komen.

Een andere oplossing is te zeggen dat ik elders al in schaal 12 heb gefunctioneerd, en dat een bevordering naar die schaal op het CPB ook zonder beoordeling redelijk is. Daarna begint natuurlijk het gesprek over de laatste vijf tropenjaren en de vooralsnog gebroken loopbaan.

Ter besluit

De wetenschappelijke ethos vraagt me geduld te tonen bij onbegrip. Ik dank Jan Tinbergen en zijn nagedachtenis voor het eminente voorbeeld hierin. Mijn analyse t.a.v. de werkloosheid is daarenboven in de grond van de zaak toch ook een resultaat van ‘zijn’ CPB.

Voor de goede orde informeer ik u dat ik deze brief aan derden zal laten lezen en t.z.t. publiceren.

 

 

Met vriendelijke groet,

 

Thomas Cool
 

This is a Net Conscience Page, version 1998-02-10, by Thomas Cool.