Van Robin Hood en de rand

 

 

In het algemeen evenwichtsmodel van het CPB "MIMIC" leidt een verhoging van de marginale belastingtarieven ceteris paribus tot een toename van de werkgelegenheid. (1) MIMIC is een product van gestage en nauwlettende arbeid, en het spreekt dat een dergelijk belangrijk effect niet ondoordacht is opgenomen. (2) Het effect is overigens bekend van het loononderhandelingsmodel dat medio jaren ‘80 opkwam, en dus geen geheel nieuwe issue. (3)

Bovenberg, De Mooij en Van der Ploeg hebben MIMIC’s modelering becritiseerd danwel geproblematiseerd. (4) Hierop heeft Graafland van het CPB geantwoord, en het lijkt dat een van de drie critici zijn mening heeft herzien (zie onder). (5)

Het is een belangrijke kwestie, en er zijn nog niet voldoende poppetjes ‘om’. Er is dus aanleiding om de kwestie almaar duidelijker te maken. Het navolgende vertaalt enkele argumenten voor een Nederlandstalig publiek. (6)

 

 

Intuïtie als kritiek

 

De oorspronkelijke kritiek (ESB april op.cit.) luidt:

"Argumenten dat meer fiscale progressie onder werkenden ook slecht kan zijn voor de economie komen echter nauwelijks in MIMIC tot uitdrukking. Verstorende effecten van hoge marginale tarieven, zoals de negatieve effecten op de scholingsbeslissing, de motivatie van de werknemer, het functioneren van de arbeidsmarkt, het grijze circuit, belastingvlucht, de pensioenbeslissing, de lengte van de werkweek voor de meeste werkenden, enz., blijven buiten beschouwing. (...) Voorlopig moet men in het beleid echter met gezond verstand, aangevuld met inzichten uit CPB analyses, te werk gaan."

 

In deze lijst komt het "functioneren van de arbeidsmarkt" voor als een afzonderlijk item, terwijl dit eigenlijk het geheel van de lijst betreft. De kritiek is vervolgens problematisch omdat dat functioneren empirisch beter beschreven blijkt te worden met het loononderhandelingsmodel (MIMIC) dan met het marktruimende model. De critici gebruiken a.h.w. de kleur wit om te laten zien dat wit niet wit is. Dat kan dus niet. (7)

Blijkbaar heeft zich in de bloedstroom van vele collega-economen een dogma ten aanzien van de marginale tarieven genesteld waaraan ze maar heel moeilijk kunnen ontkomen. Dat we op psychologisch terrein komen, blijkt ook uit het feit dat vaak de term "intuïtie" gebruikt wordt. Zo stellen de critici van MIMIC in april: "Deze uitkomsten gaan in tegen de intuïtie van veel economen." Een uitweg uit het nutteloos gesteggel over conflicterende intuïties is het formuleren van intersubjectief toetsbare modellen. Aardig genoeg, kan dan blijken dat wat velen hun "intuïtie" noemen, een 19e eeuws Marshalliaans model voor de arbeidsmarkt is.

Het Britse tijdschrift The Economist gaf op 26 februari 1994 het volgende model voor de invloed van de wig, welk model genoemde "intuïties" correct weergeeft. Het is een comparatief statisch model met homogene en flexibele vraag- en aanbodcurven voor arbeid. Figuur 1 geeft op de staande as de lonen ("wages") en op de liggende as de bijbehorende arbeidsvariabelen ("employment"). S staat voor het aanbod van arbeid ("supply") en D staat voor de vraag naar arbeid door werkgevers ("demand"). De marginale tarieven spelen een rol bij de afleiding van de curven.

 

Figuur 1. Marshalliaans model voor de invloed van de wig
 

In dit Marshalliaans model wordt het oorspronkelijk evenwicht bereikt in het snijpunt van de S en D curven, bij loon w* en werkgelegenheid E*. Een loonbelasting brengt werknemers ertoe een hoger loon te vragen, en de aanbodscurve schuift omhoog naar S1. Werkgeverspremies brengen werkgevers ertoe een lager loon te bieden, en de vraagcurve schuift omlaag naar D1. Het nieuwe evenwicht van S1 en D1 is E < E* waar werkgevers bruto w1 > w* betalen en werknemers netto w2 < w* ontvangen.

Dit model heeft drie duidelijke bezwaren.

De evenwichtstenderende krachten bestaan in een dynamisch proces van loonaanpassing. Dat is een ander proces dan weergegeven in Figuur 1. Het relevante onderwerp voor de discussie is de Phillipscurve en MIMIC geeft hier een bruikbaar model.

De lezer wordt aangeraden hoofdstuk 2 van The General Theory nog eens in dit licht te lezen. (8The General Theory is (in mijn lezing) een poging om, waar de "klassieken" weliswaar dynamische praatjes hadden maar feitelijk toch statische modellen hanteerden, serieus werk van de dynamica te maken. (9) Waar het in het licht van het huidige argument overigens niet uitmaakt of een reële loonkorting door belastingen of prijzen komt, schrijft Keynes:

"To sum up: there are two objections to the second postulate of the classical theory. The first relates to the actual behaviour of labour. A fall in real wages due to a rise in prices, with money-wages unaltered, does not, as a rule, cause the supply of available labour on offer at the current wage to fall below the amount acually employed prior to the rise of prices. To suppose that it does is to suppose that all those who are now unemployed though willing to work at the current wage will withdraw the offer of their labour in the event of a small rise in the cost of living. Yet this strange supposition apparently underlies Professor Pigou’s Theory of Unemployment [voetnoot] and it is what all members of the orthodox school are tacitly assuming." p12-13.

 

Aanvulling op MIMIC

 
Standaard afleidingen ten aanzien van het effect van de marginale tarieven gebruiken de officiële tarieven uit de belastingtabellen. Dat doet ook MIMIC. In mijn analyse blijkt het verstandig ook de jaarlijkse veranderingen mee te nemen. (10) Geringe jaarlijkse wijzigingen blijken over een langere termijn een belangrijk cumulatief effect te hebben. Ik spreek hier uit ervaring met de lange termijn projecties welke ik op het CPB maakte. (11)

Het effect van jaarlijkse wijzigingen laat zich voor een groter publiek het best met cijfers illustreren. Bij een inkomen van 40 duizend, een voet van 20 duizend en een tarief van 50% betaalt men bijvoorbeeld gemiddeld 25%. Bij een inkomen van 100 duizend is dit gemiddeld 40% belasting. Neem de situatie dat de tarieven met de inkomens meegroeien. Bij een inkomensgroei met 5% stijgt de voet dan met 1000 gulden. Wie 100 duizend verdient, krijgt er 5000 bij, en betaalt daarover maar 40% (want 50% over (5000 minus 1000)). Kortom, wanneer de belastingen met de inkomens meegroeien, is ieders feitelijke (dynamische) marginale tarief gelijk aan zijn gemiddelde tarief. Dat is dus heel wat anders en genuanceerder dan het officiële tarief (van 50%).

Deze analyse legt dus andermaal nadruk op het feit dat de marginale berekening richtinggevend is. Alleen, de marginale wordt beter berekend. Hoe mensen precies op tarieven en wijzigingen reageren is overigens een micro-psychologische kwestie. Voor de modelering van de nationale economie zijn vooralsnog de schattingen van MIMIC richtinggevend, en acht ik het verstandig aanvullend rekening te houden met de invloed van de dynamische marginaal en de consistentie op langere termijn.

 
 

Twintig jaar beleid

 

De kwestie die hier besproken is, is cruciaal voor het functioneren van de (nationale) economie. Het beleid van de laatste twintig jaar blijkt dramatisch verkeerd. De statutaire marginale tarieven werden over de hele wereld verlaagd, gefinancierd met oplopende staatsschulden, en daarmee werd de werkloosheid welbeschouwd bevorderd in plaats van bestreden. Dat verlaging van de marginale tarieven de facto juist niet de werkgelegenheid bevorderde, m.a.w. dat het beleid niet bleek te werken, zou mensen toch aan het denken moeten zetten.

Er is hier een didactisch probleem. Bijvoorbeeld de Oort operatie in 1990 bevorderde de werkgelegenheid omdat de gemiddelde tarieven daalden. De verlaging van de marginale tarieven had een nadelig effect, dat echter gering was en wegviel tegen het andere. (Althans volgens MIMIC, zie het proefschrift van Gelauff.) Het grote publiek staarde zich blind op de verlaging van de marginale tarieven en de werkgelegenheidsgroei. Men zag wat men wilde zien zonder verder te kijken. Teveel mensen weten van de hoed noch de rand. Het is dan aan economen de argumenten goed te wegen en helder over het voetlicht te brengen.

De critici van MIMIC schrijven in het "naschrift" op. cit.:

"Wel is de ziel van ten minste een van ons ervan overtuigd dat een ‘Robin Hood’-beleid zowel de rechtvaardigheid als de werkgelegenheid dient." Het laat zich vermoeden dat dit het kersverse PvdA kamerlid Van der Ploeg betreft. Zonder dit vermoeden als waarheid te zien, laat zich constateren dat MIMIC al oud is, en dat de analyse toch niet voor het PvdA verkiezingsprogramma voor 3 mei jl. gebruikt is. Is vorig jaar de economische discussie in de PvdA verloren (met wie is de discussie dan eigenlijk te voeren) ? Of is er een verschil tussen "ziel" en "ratio" (incl. "intuïtie") ? Of is de betreffende criticus pas recentelijk ‘om’ gegaan ? Dergelijke vragen kunnen helpen om "intuïties" en beleidsdwalingen op te ruimen die al decennia lang de stagflatie in de hand werken.

Een maand na deze ‘zielsuiting’ schrijft Rick van der Ploeg diametraal anders:

"Omdat de werkloosheid met name hoog is onder laag- en ongeschoolden wordt de lastenverlichting gericht op de lage inkomens, onder andere door het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting te verlagen en een franchise in de ziekenfondspremie voor werkgevers in te voeren. Een progressiever belastingstelsel heeft volgens het CPB immers het voordeel dat het hoge looneisen afstraft en deeltijdwerk en korter werken stimuleert." (12) Deze volte face acht ik op deze wijze not done. Sluiks wordt hier de autoriteit van het CPB gebruikt om een politiek gewenst doel binnen te slepen, in plaats van dat ruiterlijk wordt toegegeven dat het argument heeft overtuigd. Natuurlijk mag iedereen zijn mening veranderen, maar economie is een inhoudelijk vak en er zijn normen van inhoudelijk overleg. Dan moet je integraal open blijven en niet strategisch in plukjes. Van der Ploeg moet open aangeven waarin het argument overtuigend is, want dan kan er ook een grond blijken waarvan naar de beleidsfout van de laatste decennia kan worden doorgeredeneerd. (13)

 

Inmiddels is er een minister van Financiën die als co-promotor het proefschrift van Gelauff begeleid heeft en die aan de wieg van MIMIC heeft gestaan. Ook deze omstandigheid kan helpen om themas als "belastingen" en "arbeidsmarkt" bij elkaar te brengen die nog teveel door eigen subculturen gescheiden zijn.

Overigens heb ik in 1989/90 geconcludeerd dat de discussie zo hopeloos stroperig is dat die wel tien jaar kon duren, en dat een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het economisch beleid en in het bijzonder naar de rol van het CPB alles zeer kon versnellen. (14) We zouden er nog steeds vijf tot zes jaar mee winnen. Dit is vanzelfsprekend onder redelijke aannames. Er bestaat nog altijd het risico dat we moeten aftellen tot Sint Juttemis, en dat (politiek opportune) dwangsituaties (bijv. rond de overheidsbegroting) een klimaat scheppen (zoals in het verleden) waarin open discussie überhaupt onmogelijk is.

 
 

Addendum

Op 3 november 1994 schrijft een ESB redacteur:

"Hartelijk dank voor uw artikel ‘Van Robin Hood en de rand’, dat u ons twee maanden geleden heeft aangeboden. Helaas moet ik u echter meedelen, dat de redactie het artikel niet geschikt acht voor ESB.

Een discussiebijdrage in ESB is een reactie op een eerder gepubliceerd artikel, die nieuwe argumenten aandraagt waarmee de conclusie van het ‘bediscussieerde’ artikel verworpen wordt. Over het ‘Robin Hood’-beleid is in ESB al enkele malen geschreven. Hierbij zijn vele argumenten pro en contra het voor het voetlicht [sic] gekomen, waarbij ook kritiek is geuit op de benadering van het CPB. Uit uw artikel wordt niet duidelijk welke nieuwe overwegingen u aan de discussie toevoegt, en ook niet dat u tot een wezenlijk andere conclusie komt dan eerder gepubliceerd."

Het artikel bevat toch wel degelijk een paragraaf ‘aanvulling op MIMIC’, en de conclusie van 20 jaar verkeerd beleid en de zinvolheid van een parlementair onderzoek lijkt me nog niet door de andere deelnemers van het debat getrokken. Waarom die poging om dit artikel in dat hokje "discussiebijdrage" volgens die ‘ESB-definitie’ te stoppen ?
 
 

Voetnoten

 
  1. G.G.M. Gelauff, “Taxation, social security and the labour market”, proefschrift KUB,Wibro 1992
  2. J.J. Graafland, “Effecten van marginale belasting- en premiedruk op loonvorming”, CPB interne notitie I/1990/41; CPB 1991 onderzoeksmemorandum no 78
  3. Zie de referenties van Gelauff en Graafland.
  4. A.L. Bovenberg, R.A. de Mooij, F. van der Ploeg, “Werkt een ‘Robin Hood’ beleid ?”, ESB 13 april 1994, pp332-336. Bovenberg & Van der Ploeg, “Effects of the tax and benefit system on wage formation and unemployment,” KUB 1994 mimeo.
  5. Graafland, “MIMIC en Robin Hood” & Bovenberg, De Mooij & Van der Ploeg, “Naschrift”, ESB 17 augustus 1994, pp 718-723
  6. Cool, “Definition and Reality in the general theory of political economy. Some background papers 1989-1992”, Rotterdam 1992. Cool, “Tax structure, inflation and unemployment”, Rotterdam maart 1994, Magnana Mu Publishing & Research. Cool, “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap 1994.
  7. Daarenboven, je moet altijd met gezond verstand te werk gaan, en CPB resultaten zijn altijd aan het gezonde verstand te toetsen. Opmerkingen als de laatste zin in het citaat zou men niet moeten maken. De opmerking suggereert dat CPB-ers dit anders zouden zien. Dat zijn insinuaties waartegen nauwelijks verdediging mogelijk is.
  8. J.M. Keynes, “The general theory of employment, interest and money”, MacMillan 1936
  9. Zie hier ook D. Patinkin, “Keynes’ monetary thought”, Duke 1976 p 140 voetnoot 4.
  10. Wiskundig neemt MIMIC de partiële afgeleide, ik de totaaldifferentiaal.
  11. CPB, “Nederland in drievoud”, SDU 1992
  12. Van der Ploeg, “De hoogste prioriteit”, ESB 21/9/94 p839
  13. Tevens is de nadruk op de eerste schijf onjuist. Zie Cool, “Wat stampen we lekker, zegt muis”, 1994
  14. Dit lijkt een overgang op een ander onderwerp, doch is dat niet, zoals op. cit. verduidelijkt is.