Aan de directie van het Centraal Planbureau
Directeur prof. drs. Gerrit Zalm
Van Stolkweg 14
2585 JR ‘s-Gravenhage

 

 

1 februari 1994 AANTEKENEN

 

 

Geachte heer Zalm,

 

U zult kennis hebben genomen van de uitspraak van de Arondissementsrechtbank van 8 november, met het afschrift van 15 december j.l.. De situatie is nu dat de minister enkele hernieuwde besluiten zal moeten nemen.

Ik hoop er aan bij te dragen dat de minister beschikt over alle informatie die voor een redelijke en weloverwogen beslissing nodig is. Ik neem bij deze contact met u op om een en ander zo duidelijk en eenduidig mogelijk af te stemmen.

Ik schrijf u vanzelfsprekend onder voorbehoud van alle rechten. Voor mijn juridische positie is mijn advocaat gemachtigd. Ik houd mij - voor de goede orde - ook het recht voor deze brief aan anderen ter inzage te geven en eventueel ook te publiceren.

 

1.

 

Op 28 mei 1990 deed ik u een concept-artikel toekomen dat ik als wetenschappelijk medewerker en econometrist van het Centraal Planbureau geschreven had. Dit artikel was getiteld "N.a.v. 20 jaar massawerkloosheid" - en in een latere versie "After 20 years of mass unemployment: Why we would wish for a parliamentary enquiry". Ik verzocht u om de gebruikelijke publicatiegang van een interne notitie, interne bespreking, en vervolgens (met eventuele wijzigingen) publiceren op naam van de auteur, in de daarvoor bestemde reeks der onderzoeksmemoranda.

U heeft destijds besloten dit artikel niet de publicatiegang te laten maken. Ook in beroep oordeelde u dat u het artikel niet in behandeling hoefde te nemen, en dat het maar privé gepubliceerd moest worden. Uw oordeel werd later door de minister van EZ overgenomen.

Na aanhoring van het beroep door de Commissie Advisering Bezwaarschriften EZ kreeg ik alsnog toestemming voor een interne notitie. Bespreking van deze interne notitie werd echter op geen enkele wijze toegestaan, zelfs niet in de pauze. Dit komt nog steeds neer op een weigering voor de hele publicatiegang en er was dus geen reden om het beroep in te trekken. Het artikel is overigens inmiddels met me besproken aan een drietal universiteiten.

Op de rechtszitting van 18 oktober 1993 stelde de raadsman van EZ dat de publicatiegang geweigerd werd wegens de vermeende lage kwaliteit van het artikel. De kwaliteit was en is echter niet aan de orde. Het artikel is immers nog niet besproken met collega’s van het CPB. Toetsing van de kwaliteit vindt - zoals bekend - plaats ten aanzien van de definitieve versie die pas tot stand kan komen na een wetenschappelijk verantwoorde discussie. De Arrondissementsrechtbank te ‘s Gravenhage heeft dit in de uitspraak van 8 november 1993 bevestigd. De rechtbank vernietigde uw besluit niet op het publicatie verzoek in te gaan.

Terwijl ik mij gesterkt voel door de ondersteuning van de rechtbank in deze, teken ik aan dat haar uitspraak natuurlijk geen vonnis kan vellen over de - al dan niet aanwezige - kwaliteiten van de concept-publicatie.

Ik ben door de ontwikkelingen sinds 1990 in de mening gesterkt dat de analyse die in de publicatie is vervat, een intrinsieke waarde heeft. Bovendien denk ik dat, indien het stuk de gelegenheid krijgt om de publicatiegang alsnog te maken, voldoende collega’s binnen het CPB van de kwaliteiten van de analyse zijn te overtuigen.

 

2.

 

Het onderwerp van het artikel is de almaar voortdurende massale werkloosheid.

U bent ermee vertrouwd dat ik mij intensief met zeer vele aspecten van de economie heb beziggehouden. Ik ben een van de auteurs van het omvangrijke Athena model, ik maakte in 1989 de eerste projecties voor de CPB-studie die uiteindelijk in 1992 is gepubliceerd als Nederland in Drievoud. Ook in de vrije tijd heb ik veel gelezen en gestudeerd - zoals ook in de officiële beoordelingen is vastgelegd en erkend. Mijn studie was daarbij ook gericht op het vinden van een verklaring voor de voortdurende en steeds nijpender wordende werkloosheid - en de andere wijzen waarop de gedwongen economische inactiviteit vorm krijgt.

(Ik breng - tussen haakjes - in herinnering dat ik dit alles deed met capaciteiten die door u en de collega’s werden gewaardeerd. De directeur Personeelszaken van EZ, de heer Leniger, schrijft op grond van door u verstrekte informatie zonder enige terughoudendheid, op 12 november 1991: "betrokkene beschikt zeker over het voor zijn functie vereiste intellect, de kennis en de vaardigheden.")

Veel economen hebben de neiging werkloosheid te beschouwen als onvermijdelijk, of als een probleem dat alleen aan te pakken is ten koste van andere zaken, en met name ten koste van waardevolle verworvenheden.

Werkloosheid is echter in belangrijke mate een vorm van maatschappelijke inefficiëntie - en dus nodeloze verspilling. Natuurlijk kan alleen worden beweerd dat iets inefficiënt is, wanneer een oplossing aangegeven kan worden die zo is opgebouwd, dat alle betrokken partijen er op zijn minst op vooruitgaan.

Er bestaat er zo’n oplossing. Doel en reden van het artikel was, ten eerste, binnen het CPB hierover te praten, de voorgestelde aanpak door te rekenen, en op werkbaarheid te toetsen met behulp van de binnen het CPB aanwezige hulpbronnen.

Voor de goede orde stip ik kort de denkrichting aan. U heeft in Nederland in Drievoud een scenario met een basisinkomen opgenomen. Een basisinkomen is een economisch dure aangelegenheid omdat dit inkomen ook gegeven wordt aan alle huisvrouwen. Voor loonkostenverlaging, met name voor de laagste inkomens, is een basisinkomen niet nodig. Het basisinkomen-scenario "werkt", omdat het basisinkomen compenseert voor ten onrechte opgelegde heffingen. Derhalve bestaat er een veel goedkoper scenario, waarin belastingen en premies voor de laagstbetaalden direct kwijtgescholden worden. Heffingen zijn pas economisch zinvol vanaf het punt dat men in zijn eigen onderhoud voorziet. Een analogie is dat een brug eerst zijn eigen gewicht moet dragen voordat hij verder belast kan worden. Mijn scenario vergroot ieder jaar het besteedbare inkomen per Nederlander met ongeveer 1000 gulden, zeg 4000 gulden voor een gezin met twee kinderen.

Ten tweede leidt de analyse tot een ruimer advies. Dat is het advies tot een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het economisch beleid.

Het gaat er bij dit advies met name om, dat juist het parlement het nuttig zou kunnen vinden zelf vast te stellen wat er in de afgelopen twintig jaar bij het beleid ten aanzien van de werkloosheid verkeerd is gegaan. De oplossingsaanpak maakt gebruik van bestaande elementen die ook in het verleden wel genoemd zijn. Ik noem hier in het bijzonder publicaties van individuele CPB medewerkers in Economisch Statistische Berichten in 1983 en 1988. Het kan verbazing wekken dat deze elementen die toen "niet werkten" nu wel zouden kunnen werken. Evenwel, juist door te analyseren waar oplossingspogingen in het verleden zijn stukgelopen, kan het parlement voor zichzelf vaststellen dat het niet aan de voorstellen zelf ligt, maar aan andere zaken, zoals bijvoorbeeld politieke verwikkelingen. Het advies tot zo’n enquête lijkt me bijna onvermijdelijk. Een doorgerekend computerscenario heeft weinig betekenis wanneer het op ongeloof stuit en wanneer - alleen daardoor - het kamerbrede politieke draagvlak ontbreekt.

De combinatie van enquête en doorrekening zou met meer kans kunnen leiden tot een aanmerkelijke vermindering van de werkloosheid en de enorme druk die deze uitoefent op de samenleving - welke druk zich uit op veelsoortige terreinen, zoals zwartwerken, criminaliteit, discriminatie en vertragende (arbeids-) emancipatie.

Doordat u geweigerd heeft mijn concept-publicatie in overweging te nemen, heb ik me genoodzaakt gevoeld - en geforceerd - de analyse naar buiten te brengen zonder adequate interne voorbespreking met de collega’s. Dit was extra pijnlijk omdat de analyse ook de rol van het CPB zelf betreft - en in dat opzicht de collega’s ook direct aangaat. Het laat zich constateren dat doordat de studie niet normaal gepubliceerd is, dit tot op heden gevolgen heeft (gehad) voor de wijze waarop anderen op de inhoud van de analyse reageren - zeker in een klimaat waarin velen denken - ook door CPB studies - dat werkloosheid niet aan te pakken valt.

Wanneer men het werkgelegenheidsbeleid van de afgelopen 20 jaar bestudeert, dan is het onvermijdelijk dat de rol van het CPB ter sprake komt. Voor het monetaire beleid zijn economen en politici reeds tot de conclusie gekomen dat de monetaire autoriteit, de Centrale Bank, onafhankelijk moet zijn. Op soortgelijke wijze laat zich concluderen dat de voorbereiding van het economisch beleid gediend zal zijn met een politiek onafhankelijke en wetenschappelijke instelling. Men kan hier denken aan een Economische Hoge Raad als opvolger van het Centraal Planbureau. Ik had de argumenten graag met de collega’s doorgenomen - en acht dit naar hen toe op zijn minst gepast. Overigens, de gedachte dat het CPB reeds een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut zou zijn, zoals u in een CPB publieksbrochure van maart 1990 stelt, is incorrect. De enige zekerheid die in deze kwestie bestaat is dat ik wetenschapper ben en dat mijn functie een wetenschappelijke is.

Bij een opiniepeiling op een economische onderzoeksdag vond 40 % van de respondenten dat een parlementaire enquête naar de beleidsvoorbereiding (inclusief het CPB) een goede suggestie was (Den Broeder, "Economen over beleidsmodellen; Resultaten van de economen-enquête 1992", Rotterdam 1992).

Vanzelfsprekend is werkloosheid een internationaal verschijnsel en is het advies tot een parlementaire enquête slechts toegesneden op de Nederlandse situatie. Het artikel geeft reeds aan dat het probleem van de beleidscoördinatie juist ook internationaal speelt. Deze invalshoek werk ik verder uit in het kader van mijn proefschrift - zie een voorpublicatie ISBN 90-5518-207-9. Voor de goede orde zij aangegeven dat het mij sinds oktober 1991 aan een werkkring op het terrein van de macro-economie en aan tijd en omstandigheden ontbroken heeft om de verschillende aspecten nader voor een groter (economen-) publiek uit te werken.

Ter afsluiting van deze toelichting zij nog opgemerkt dat velen - ook universiteiten - gewoonlijk te weinig begrijp hebben voor het wetenschappelijke advieswerk voor het regeringsbeleid. Een adviseur heeft niet de luxe te stellen dat hij het niet weet, zoals op de universiteiten zo gebruikelijk is. De regering moet een bepaald beleid voeren of niet. Er is geen tussenweg - want het beleid is gewoonlijk al de tussenweg. Vanzelfsprekend heeft ook een adviseur weinig zekerheid - die fundamentele twijfel is er altijd - want gevolgen van het beleid openbaren zich pas wanneer het wordt uitgevoerd. Evenwel, omdat er gekozen moet worden, moet de adviseur aangeven of naar zijn schatting het gewenste effect optreedt of niet. Pas wanneer de adviseur vindt dat een schatting zo onzeker is dat die net zo goed door de bewindslieden zelf gedaan kan worden, kan hij de adviestaak - met die mededeling - teruggeven. Het is tegen deze achtergrond dat ik de analyse ten aanzien van de werkloosheid presenteer en zeer verantwoord acht.

 

3.

 

Om de kwestie vervolgens in correct verband te plaatsen, moet ik teruggaan tot een vroeger tijdstip dan de indiening van het artikel. In een interne notitie van 23 november 1989 beschreef ik reeds, en in het kader van Nederland in Drievoud, een aantal knelpunten met betrekking tot het probleem van de werkloosheid en de inactiviteit zoals de WAO. Ik zag reeds op middellange termijn problemen ontstaan, en ik deed een aantal voorstellen voor onderzoek.

In de periode waarin dit speelde, waren ook beloningsvoorstellen aan de orde. In een gesprek dat rond begin december 1989 plaatsvond, deelde mijn directe superieur mij mee dat deze onderzoeksvoorstellen "slecht waren gevallen". Mij werd een door hem voorgestelde beloning onthouden en de chef waarschuwde voor mijn bevordering.

Deze situatie was zeer problematisch. Mijn werk over de voorliggende periode was als goed beoordeeld, en ik had op 1 oktober 1989 dan ook de dubbele periodiek ontvangen volgens het "CPB referentiepad voor goed functionerende medewerkers". Om administratieve redenen verschoof de datum voor periodieken naar voren. Op 17 oktober 1989 stelde de chef voor 1 maart 1990 andermaal de dubbele periodiek volgens het referentiepad voor goed functionerende medewerkers voor. Mijn werk was in oktober en november niet in kwantiteit of kwaliteit afgenomen. Toch besloot uw directie minder te geven dan wat zich als gebruikelijk liet verwachten en wat de chef had voorgesteld.

Ik kon en kan mij niet aan de indruk onttrekken dat, vooropgesteld dat de chef uw oordeel getrouw overbracht, u hier arbeidsrechtelijke middelen gebruikte om de inhoud en het verloop van een wetenschappelijke discussie te beïnvloeden. Aangezien het mogelijk is dat de superieur uw positie verkeerd heeft weergegeven, is dit een observatie die ik slechts met de nodige behoedzaamheid doe.

Ik maak er ernstig bezwaar tegen dat over de voorstellen destijds geen enkele discussie is geweest - dat deze discussie voor zover ik kan zien zelfs in de kiem is gesmoord. Een voorstel dat zonder intrinsieke waarde is, zal in het stadium van de interne bespreking vanzelf door de mand vallen. Waarom u deze voorstellen niet in bespreking en overweging hebt willen nemen, is iets waar ik alleen maar naar kan raden.

Om althans mijn arbeidsrechtelijke positie te beschermen heb ik tegen de mijns inziens onterechte beloningsbeslissing beroep aangetekend. U zult begrijpen dat ik niet zo’n situatie kan laten ontstaan dat later gezegd zou kunnen worden dat ik accepteer of geaccepteerd heb dat ik minder goed zou functioneren. Tegelijk heb ik verzocht om vertrouwenwekkende maatregelen in de sfeer van het management - hetgeen van belang was, kunt u begrijpen, omdat ik bij de bevordering niet andermaal onaangenaam verrast wilde worden. Deze vertrouwenwekkende maatregelen bleven echter uit. Hierdoor ontstond een onplezierige impasse. Ik wil hier benadrukken dat deze impasse niet te wijten was aan mijn houding tegenover het werk en de collega’s.

Dat ik gedwongen was maatregelen in de sfeer van het management te vragen legde klaarblijkelijk een last op de relatie met mijn directe superieuren. Mijn lezing van wat hierop volgde, is dat zij de situatie die door het beroep ontstond blijkbaar niet aankonden. Zij deden bijvoorbeeld uitspraken over wat collega’s over de werkrelatie zouden vinden, welke verklaringen evenwel door die collega’s tegengesproken worden. Vervolgens deed mijn directe chef een ongegronde beschuldiging van "werkweigering". Ook tegen zo’n beschuldiging heb ik mij in een gesprek met u effectief verdedigd. U heeft op dat moment dan ook niets officieel gemaakt. Dit had natuurlijk tot gevolg dat ik mij er verder ook niet officieel tegen kon verdedigen. Op 18 april 1990 verplaatste u mij naar een andere kamer en buiten het normale werk. U gebruikte hiervoor een neutraal artikel van het ambtenarenrecht welk artikel een directie een grote mate van vrijheid van handelen geeft. Ik kon mij daar dan ook nauwelijks tegen verweren. U heeft op dat moment nagelaten de chef duidelijk te maken dat, waar hij over "werkweigeren" sprak, in feite niet van werkweigeren sprake was. Een gevolg van de hele gang van zaken is dat de aantijging van "werkweigering" nooit correct behandeld is. Mij is nog nooit enig concreet geval van werkweigering officieel ten laste gelegd. Zo’n beschuldiging zou bovendien onjuist zijn.

De gang van zaken heeft een vervelend gevolg gehad. Hieronder komt nog ter sprake dat u mij ontslag hebt aangezegd. U heeft gemeend dat u de beschuldiging van "werkweigering" als een van de redenen voor ontslag kon gebruiken. Ik kan niet begrijpen dat u dit hebt gedaan en blijft doen, wanneer ik u eerst op kracht van argumenten ervan heb overtuigd dat hiervan geen sprake is - en op grond van welke argumenten u nog nooit een dergelijke beschuldiging concreet hebt gemaakt.

Hoe dan ook, op de nieuwe werkplek had ik van u geen toestemming tot het gebruik van een aantal hulpmiddelen die ik gewend was te gebruiken - waaronder het economisch model en de mainframe computer. Ik stond buiten het werkproces, en had niet langer het directe werkcontact met de collega’s - die bevreemd tegen de situatie aankeken. Ook tegen deze verplaatsing ben ik ter bewaring van rechten in beroep moeten gaan.

Waar de beroepscommissie van EZ reeds sprak van een rauwelijkse gang van zaken, heeft de rechtbank het beroep inmiddels gegrond verklaard, en uw besluit vernietigd op grond van détournement de pouvoir. De rechter heeft geconstateerd dat u vermoedelijke bedoelingen had, maar deze nooit zodanig hebt verwoord dat ik mij daar op correcte wijze tegen heb kunnen verdedigen.

De minister moet nu een besluit nemen wat uw werkelijke reden tot verplaatsing is geweest. De rechtbank stelt vooralsnog, in navolging van uitspraken van de chef, dat zij "zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de verplaatsing toch een enigszins disciplinair karakter had". Evenwel, ter zitting was niet aan de orde of deze vermoedelijke bedoeling ook gerechtvaardigd was. Ik heb me slechts kunnen verdedigen, en met succes verdedigd, tegen het feit dat u geen reden hebt opgegeven. Wanneer het door de minister hernieuwd te nemen besluit zou luiden dat disciplinering nodig was, dan zal ik mij daartegen verdedigen, zoals ik reeds in het gesprek met u deed, en op grond waarvan u besloot geen officiële actie te ondernemen. Ik vraag u derhalve beleefd doch dringend met mijn analyse rekening te willen houden dat u een situatie had geschapen die mijn directe superieuren niet konden overzien. Een gevolg zou in ieder geval zijn dat u het positieve besluit neemt dat er geen noodzaak was tot maatregelen in mijn richting met enig disciplinair karakter.

Ik constateer dat de impasse zich na de verplaatsing alleen maar voortzette. Geen van de zaken die ik eerder had aangeroerd is op een afdoende wijze besproken en/of afgehandeld.

 

4

 

Op de kamer apart heb ik verschillende notities geschreven. Enkele notities waren onmiddellijk nuttig voor het lopende werk, enkele notities keken wat verder vooruit.

Op 3 december 1990 stelde ik, voorzichtigheidshalve, bij u beroep in naar aanleiding van een tweede publicatie verzoek. Dit tweede artikel betreft het Theorema van Arrow. U antwoordde op 6 december 1990 dat een uitspraak van de rechter over het eerste artikel gevolgen kon hebben voor het algehele publicatiebeleid van het CPB. U wachtte derhalve de uitspraak van de rechter af, maar zou daarna zo spoedig mogelijk op dit tweede beroep terugkomen.

Ik hoop dat het besluit van de rechter u doet inzien dat u in het verleden vaker toch iets te gemakkelijk hebt geoordeeld. Ik stel voor - mede i.v.m. de Centrale Raad van Beroep - dat nog enkele andere notities richting publicatie geleid worden. Met weinig moeite kunnen bijvoorbeeld interne notities t.a.v. de kapitaalkosten in Athena en de verschillende input-output matrices gepubliceerd worden. Voor het artikel t.a.v. het Theorema van Arrow denk ik aan een jongere versie en splitsing. Andere notities zijn pro memorie. Ik hoop dat u ermee accoord gaat dat ook wiskundig-economische artikelen gepubliceerd kunnen worden. De door sommigen geopperde stelling dat een CPB-publicatie ‘cijfers’ moet bevatten zou dan vervallen. Dit is trouwens al een keer geschied bij een publicatie van collega Timmer. Zo’n criterium is bovendien onredelijk waar het gebruik van het mainframe anderhalf jaar niet voor me toegestaan was en ik daarmee dus geen cijfermatige onderbouwing kon geven. Ook hoop ik dat u accoord gaat met een onafhankelijke redactie.
 
 

5.

 

Mijn analyse t.a.v. de werkloosheid lijkt me alleszins redelijk, en het lijkt me dat die aandacht en overweging verdient.

De werkelijkheid lag echter anders. In plaats van de concept-publicatie van mei-juni 1990 of de versie van december 1990 in overweging te nemen heeft u mij op 12 juni 1991 ontslag aangezegd. Uw redenen tot ontslag laten zich samenvatten als "ongeschiktheid, wegens het onvermogen opdrachten te accepteren, en werkweigering". Uw redenen acht ik evenwel ongegrond. Vooralsnog laat de rechtbank het ontslag passeren, doch hier meen ik dat de rechtbank toch niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, en heb ik, zoals u bekend, hoger beroep ingesteld.

Ik breng in herinnering dat een wetenschappelijk medewerker in rijksdienst geen actieve middelen tot zijn beschikking heeft. Er bestaan slechts - passieve - mogelijkheden van beroep tegen besluiten die hem rechtsstreeks treffen. Ik heb alleen van die passieve middelen gebruik kunnen maken en gemaakt. Ik deed dat spaarzaam en op punten waar u arbeidsrechtelijke maatregelen in mijn nadeel nam. Ik deed dat voor de verdediging van de kwaliteit van mijn wetenschappelijke functie, de kwaliteit van het onderzoek en de integriteit van de wetenschap.

Ik heb mij gehouden aan alle opdrachten die mij zijn verstrekt. Ik hecht eraan te verklaren dat ik mij steeds terughoudend heb opgesteld. Om de positie van de (naaste) collega’s niet te schaden - en hun objectiviteit te bewaren - heb ik hen tot op heden zo min mogelijk bij deze kwestie betrokken. Ik heb wel de dienstcommissie op de hoogte gehouden. Deze kan zich overigens niet met individuele gevallen bezighouden, en heeft zich, omdat uw directie de kwestie in de individuele en arbeidsrechtelijke sfeer heeft getrokken, terughoudend opgesteld.

Ik beperk me ertoe te constateren dat ik onderzoeksvoorstellen doe en vervolgens met een werkbare aanpak voor de werkloosheid kom, en dat u - in de tijd volgend - allerlei maatregelen in de arbeidsrechtelijke sfeer neemt waartegen ik mij - en met te verwachten succes - moet verdedigen. Uw besluiten laten zich overigens niet als vormfouten opvatten, aangezien in de processtukken gedocumenteerd is dat u uw besluiten weloverwogen genomen hebt.

 

 

6.

 

Het besluit van de rechter, zoals uitgesproken op 8 november 1993, stelt - op een manier die aangeeft dat er nooit enige twijfel over had hoeven of mogen bestaan - dat het weigeren van een publicatie (-gang) een aantasting betekent van de belangen van een wetenschappelijk medewerker. Ik kan me niet voorstellen hoe u of de minister deze weigering aan de wetenschappelijke wereld zoudt willen verklaren.

Het is aan de minister in deze zaak een nieuwe uitspraak te doen. De minister zou eventueel kunnen besluiten dat een besluit tot publicatie niet meer aan de orde is, aangezien ik niet langer medewerker van het Centraal Planbureau ben.

Dit strookt echter niet met de beslissing van de rechtbank dat de desbetreffende weigering onterecht was. Naast deze uitspraak van de rechtbank zijn er tevens twee andere overwegingen van betamelijkheid.

Er is het beroep bij de Centrale Raad van Beroep. U koos "ongeschiktheid" als reden voor ontslag. Het lijkt mij gewenst dat de Raad kennis kan nemen van het bestaan van publicatie(s) - welke tot nu toe door u oneigenlijk zijn tegengehouden. Bij publicatie kan de Centrale Raad van Beroep meer inzicht krijgen in de mate waarin ik al dan niet geschikt zou zijn.

De andere overweging is niet juridisch maar intern-wetenschappelijk van aard. Het lijkt me wetenschappelijk onjuist een publicatiegang te frusteren - nota bene met tussentijds ontslag. De analyse in het artikel komt van een leerling van Jan Tinbergen en CPB-er in hart en nieren, en ik heb boven aangegeven waarom juist een bespreking met de collega’s - voorzover zij natuurlijk belangstelling hebben - gewenst en toe te staan is.

Om de zaak tot klaarheid te brengen zou ik graag met u in overleg treden, op een voor u geschikte tijd en plaats, doch vanzelfsprekend - wat mij betreft - graag in de afzienbare toekomst.

 

 

 

Thomas Cool

 

Scheveningen

 

 

c.c. Minister van Economische Zaken

Dienstcommissie van het CPB