[Punt 4 uit Het Vervolg]

4.    D gaat over tot ontslag.

a.     dit is extreem gezien de beroepsuitoefening
b.     D dreigt met een ongeschiktheidsontslag en biedt wachtgeld en tussen de regels incompatibiliteit om een ‘vrijwillig’ vertrek te bewerkstelligen; wanneer ik dit afwijs dan wordt ik zo zwart gemaakt dat ik geen wachtgeld krijg
c.     D wil zo nodig onverenigbaarheid van karakters aanvoeren, terwijl zij het is die blijkbaar niet meer zakelijk zou willen samenwerken
d.     D laat mij opdraaien voor het feit dat procedures lang duren
e.     D ontslaat (pas ?) na geruchten over wat ik op ECOZOEK gezegd heb, maar geeft andere redenen.

 

4a.     Ontslag is wel heel extreem voor de leerlingen van Jan Tinbergen - niet eens in bijzonder ethisch opzicht, ook heel praktisch beroepsmatig.

Het werk dat op het bureau plaatsvindt is in hoge mate gespecialiseerd. Er zijn zacht gezegd weinig andere instituten die op deze manier de economie bestuderen en de overheid van advies voorzien. De investering die een medewerker in dit soort werk doet, betekent ook een zekere beperking van de mogelijkheden om snel wat anders te doen. Bijv. gebruikt het bureau veel zelf ontwikkelde programmatuur die derhalve niet bij anderen bekend is. Bijv. heb ik geen lijst van publicaties m.n. omdat mijn werk verdween onder de noemer ‘CPB’. Bij universiteiten kun je tegenwoordig vrijwel alleen terecht wanneer je gepromoveerd bent. Vervolgens is ‘de wereld van het economisch advies’ zeer klein. Men kent elkaar. Een onvrijwilig ontslagen medewerker staat vrijwel met lege handen, zeker wanneer hem ongeschiktheid aangewreven wordt en hem referenties worden onthouden. Dat weet iedere medewerker overigens drommels goed.

4b.     In voorjaar 1990 dreigde D met een ongeschiktheidsontslag, maar was bereid tot een ontslag op grond van onverenigbaarheid van karakters bij een vrijwillig vertrek. Den Hartog heeft expliciet gesproken over "de techniek".

i.     D schrijft mijn advocaat op 18 mei 1990, in een wat andere combinatie van stick and carrot omdat men een aanbod van onverenigbaarheid niet expliciet op schrift kan zetten:
"Op 11 mei j.l. is met de heer Cool gesproken over de mogelijkheid om met zijn instemming te komen tot een zogeheten ongeschiktheidsontslag met toekenning van wachtgeld. Een en ander tegen de achtergrond dat aannemelijk is, dat toekomstige werkverhoudingen ernstig zullen zijn belast." (220)
Bij de BBV (Beschikking Bij Voorraad; de ambtelijke versie van het kort geding) is echter wel met getuigen expliciet over ‘comparitie’ met een aanbod van onverenigbaarheid gesproken.

ii.     Bij duidelijke ongeschiktheid zou het verbergen daarvan onverantwoordelijk zijn.

iii.     Nu kan het heel goed zijn dat D mij ongeveer ongeschikt vindt, en dat het collegiaal is dat mij een nieuwe kans op de arbeidsmarkt geboden wordt door zulks niet expliciet als ontslaggrond te noemen. In de context van de wetenschappelijke beroepsethiek is echter niet goed te begrijpen waarom dan de conditie van vrijwillig vertrek nodig is - d.w.z. dat ik mijn beroep en kritiek intrek. Bovendien, nu ik niet vrijwillig vertrek, is niet goed te begrijpen waarom D zijn best doet mij wachtgeld te onthouden (zie onder).

Het laat zich begrijpen dat het inslikken van kritiek (m.n. op het oneigenlijk gebruik van arbeidsrechtelijke middelen voor het sturen van de wetenschappelijke discussie) iemand geschikter maakt voor bijv. een ambtelijke loopbaan. Maar mijn functie is toch wel een wetenschappelijke.

Het dreigen met ongeschiktheidsontslag terwijl je gewone onverenigbaarheid van karakters van toepassing acht, expliciet om kritiek te smoren en ‘vrijwilligheid’ af te dwingen, is in strijd met de wetenschappelijke waarden.

iv.     De rechtbank oordeelt:

"Hiertoe zij overwogen dat (...) in een geval waarin zowel termen voor een ontslag ex artikel 99 ARAR zijn te onderkennen, verweerder een zekere vrijheid van keuze toekomt. Van belang is slechts dat de juistheid voor de uiteindelijke gedane keuze duidelijk moet kunnen worden aangetoond."
Zorgvuldig lezen toont ons een open deur. (221)

De rechter heeft daarmee toch te weinig begrip voor de optie van ‘dreigen om te smoren’. Waar de rechtbank spreekt over "onderkennen" is in zo’n geval gewoon sprake van verzinnen.

Zoals gezegd, een wetenschapper (wat D claimt te zijn) die zich reeds bereid heeft verklaard (bij intrekken van kritiek) tot onverenigbaarheid, kan niet meer volhouden dat er sprake is van duidelijke ongeschiktheid. Dat zou immers onverantwoordelijk zijn.

v.     Blijkbaar ziet de rechtbank in mijn geval ongeschiktheid ‘duidelijk’ aangetoond.

De kwestie wordt derhalve het helderst wanneer wordt aangetoond dat dit rechterlijk oordeel onjuist en onzorgvuldig is. De uiteindelijk door D gedane keuze is op zijn minst onduidelijk te noemen.

Zou er "duidelijke" ongeschiktheid zijn dan is D ter zitting van de BBV onder de ogen van de rechter accoord gegaan met ‘comparitie’ - wat onder (ii) hierboven juist onverantwoordelijk is gebleken.

4c.     Er bestaat het verschijnsel dat wanneer de ambtenarenrechter de aangevoerde ontslaggrond afwijst, de rechter gangbaar het ontslag toch wel zal laten doorgaan ‘omdat de verhoudingen verstoord zijn’. Welbeschouwd is er dan geen sprake van ontslagbescherming. (222) In een stuk van EZ wordt D aangeraden deze weg te volgen, o.a. via ‘het opbouwen van een dossier’.

Wetenschappelijk gezien is dit geen correcte gang van zaken. Wanneer D vindt dat zijzelf niet zakelijk met mij kan samenwerken, dan is de logische conclusie niet, dat ik zou moeten vertrekken.

4d.     In 1990 heb ik besloten de toetsing van de beroepsinstanties af te wachten. Aan outplacement wilde ik gaarne meewerken, maar het was niet te beloven dat dit binnen een bepaalde termijn zou lukken. D heeft toen het aanbod van outplacement ingetrokken. Het dreigement van ontslag is niet uitgevoerd, en D besloot ook de uitspraak af te wachten. Dit laat zich uitleggen als een redelijk gebaar, echter, het is ook niet meer dan een conventie om ontslag voor de rechter aanvaardbaar te maken (en dossier op te bouwen).

Deze procedures blijken lang te duren. Dat schijnt tegen je te werken. Het lijkt me dat D en EZ verantwoordelijkheid dragen voor deze procedures, en niet ik. (223)

4e.     Het ontslag is pas aangezegd een paar dagen nadat ik mij in de huishoudelijke vergadering van ECOZOEK 1991 had uitgesproken over de claim van de wetenschappelijke status van het CPB. In het ontslaggesprek werd gesteld dat ik de integriteit van de directeur had aangevallen. Dit heb ik ter plekke weersproken - en in de ontslagbrief die een paar dagen later arriveerde staat dit punt niet vermeld. Brieven van getuigen van ECOZOEK geven het bekende beeld van slechte luisteraars - waarbij de voorzitter van de vergadering, professor Den Butter van de VU, het ‘t bontst maakt - maar het beeld is divers genoeg om te kunnen constateren dat ik de integriteit van de directeur niet ter discussie heb gesteld.

Het is hoogst aannemelijk dat dit incident een rol heeft gespeeld. D heeft de "techniek" van ontslag, hoewel bestudeerd, niet volledig toegepast. De rechtbank:

"(...) hecht de rechtbank eraan op te merken dat de Dienstleiding van het CPB over het functioneren van klager in de periode nà de meergenoemde FPB geen beoordeling in de zin van het BBRA 1984 heeft opgemaakt, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Het opmaken daarvan is immers het instrument bij uitstek om aan het functioneren van een betrokkene bepaalde gevolgen te verbinden."
Bij opmaken van een FPB in 1991 had men moeten constateren dat ik op het kamertje apart, met de dienstopdracht "lezen en schrijven", loyaal, ondanks de enorme inbreuk op mijn (rechts-) positie, heel goed gefunctioneerd had. Het is alleszins redelijk te vermoeden dat mijn (nette maar door de voorzitter van de vergadering verkeerd overgebriefde) uitspraak op ECOZOEK de aanleiding was waardoor D, zogezegd, ‘de kans schoon zag’.
 
 


220   Ook aangeboden was: gebruik van outplacement en nog een jaar solliciteren vanuit een werkende positie.

221  Cf. In het geval dat er termen bestaan de deur zowel als open als geverfd te onderkennen ... etc.’

222  De landsadvocaat 26/8/91 verwijst hier naar "Mondt-Scholten, TAR 1990, blz. 457 e.v." en spreekt over de "gedektverklaring van de nietigheid" van ongeschiktheid.


 Verder      Terug     Bezwaar     Begin van de brief          Begin van het boek          Afkortingen