Dit moment

Ik heb mijn advocaat gevraagd bij de rechter bezwaar te maken tegen de kennelijke weigering van D, dan wel de minister van EZ, om een grond te geven waarom ik op 18 april 1990 uit mijn functie op de afdeling MSS ben geplaatst.
De rechtbank heeft op 15 december 1993 het eerdere betreffende besluit vernietigd. Dit eerdere besluit van 18 mei 1990 gebruikte artikel 58.1 van het ARAR en hield praktisch in dat voor die verplaatsing geen reden gegeven hoefde te worden. De beroepscommissie van EZ sprak reeds van een “rauwelijkse” gang van zaken. De rechtbank vond dat er sprake was van détournement de pouvoir (machtsmisbruik). De rechter constateerde dat D vermoedelijke bedoelingen had maar deze nooit zodanig heeft verwoord dat ik mij daar op correcte wijze tegen heb kunnen verdedigen. (197)

Na deze vernietiging waren er zes maanden om een nieuw besluit te nemen. Sinds december is driemaal expliciet om zo’n besluit verzocht, bij D, bij de juridische afdeling van EZ, en bij de minister persoonlijk. De voortdurende afwezigheid van een grond betekent dat ik wezenlijk niet weet wat de overweging is, betekent dat ik niet een mogelijkheid heb te reageren, en betekent dat ik ook niet enige overweging ter toetsing aan de rechter kan voorleggen.

De enig correcte grond voor verplaatsing is - lijkt mij - mismanagement.

De verplaatsing uit de afdeling speelt een cruciale rol voor het ontslag. D heeft een situatie geschapen waarin mijn ontslag voor anderen psychologisch ‘begrijpelijk’ werd. Ik denk dat ook de rechtbank, die het ontslag heeft laten doorgaan, hierdoor beïnvloed is. De ontslagkwestie is daarom naar de Centrale Raad van Beroep (CRvB) doorgeleid.

De recente kennelijke weigering is een zinvolle aanleiding voor dit schrijven. Het vaak benaderen van de verzamelde collega’s is niet zo nuttig. Evenwel, wachten op de CRvB kan lang duren. Dan is een tussenweg, te vermoeden dat de cumulatie van mismanagement, en informatie daarover, voldoende groot is, dat voldoende collega’s indien zij dit wensen de situatie beter zouden kunnen gaan begrijpen. Het navolgende blijft overigens, gezien de ruimte, niet volledig.
 


197  Toen ik beroep tegen de verplaatsing instelde, in mei 1990, was niet geheel duidelijk wat de vermoedelijke bedoelingen waren - die bleken pas bij de ontslagbrief van juni 1991.

 Verder      Terug       Begin van de brief          Begin van het boek          Afkortingen