Het falen van de Trias Politica,
en de gewenste uitbreiding met een Economisch Hof
 
 
 
Geadviseerd wordt tot een parlementaire enquête naar de al meer dan 20 jaar voortdurende massale werkloosheid en de voorbereiding van het economisch beleid, en in het bijzonder naar de rol van het Centraal Planbureau. Economische analyses maken al langer duidelijk dat we de werkloosheid aan onszelf te wijten hebben. Ook in de crisisjaren ‘30 faalde het Westerse democratische model. Er was een oorlog voor nodig voordat naar mensen als Keynes en Tinbergen geluisterd werd. De oprichting na de oorlog van semi-wetenschappelijke instituten zoals het CPB heeft erger voorkomen, maar is niet toereikend gebleken. Een herijking van de politieke machtsverdeling en uitbreiding van de Trias Politica met een werkelijk wetenschappelijk gefundeerd Economisch Hof is gewenst. Er ontstaat dan een high definition democracy waarin beter rekening wordt gehouden met de vrijheid en bestaanszekerheid van de burger. In het licht van de demografische en ecologische uitdaging van de 21e eeuw is deze uitbreiding van de Trias Politica cruciaal. Dit geldt ook op korte termijn, gezien de situatie in Rusland en Oost Europa.
 

Massale werkloosheid

 

Cohen Stuart gaf in 1889 de analogie dat een brug eerst zijn eigen gewicht moet dragen voordat hij verder belast kan worden. Op soortgelijke wijze moet een mens eerst het eigen bestaansminimum kunnen verdienen, voordat hij voor belasting in aanmerking komt. (1) Deze wijze raad wordt in het Nederland van 1994 niet opgevolgd.

Het is goed de cijfers te noemen, want zij blijven verrassen. Het wettelijk minimumloon is bruto 28 duizend gulden per jaar, en door de werkgeverspremies stijgen de loonkosten naar 34 duizend gulden. Van dit bedrag houdt een alleenstaande netto 21 duizend over, en een kostwinner 24 duizend. Van dit "netto" bedrag gaat vervolgens een deel naar BTW, accijns, en andere heffingen. Iemand die 18 duizend zou kunnen verdienen en daarmee in het eigen onderhoud voorzien, krijgt zo een overbelasting van bijna 100%. Vervolgens zijn minimumschalen in CAOs gangbaar hoger. Iedere overbelasting, ook vanaf 1%, maakt in principe al werkloos. De grote en hardnekkige werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt mag dan niet verbazen.

In 1889 had Cohen Suart zijn omgeving niet mee. Armoe was normaal zoals nu in Afrika. Juist omdat het overal bestond, werd het niet gezien. De verpaupering behoorde tot ieders geestelijke bagage, en liet zich moeilijk wegredeneren of wegdenken. De analogie van de brug was didactisch minder effectief. Een mens kan heel wat lasten dragen voordat hij echt instort. En instorten betekent niets wanneer een mensenleven niets waard is. De levensduur van arbeiders in 1889 was kort, maar de toehoorders van Cohen Stuart waren dat van arbeiders gewend, en wanneer de ene werkman het begaf, dan was er weer een andere, dus wat was het probleem eigenlijk ?

In 1994 is Nederland een welvaartsstaat. Van toehoorders wordt niet meer gevraagd om vanzelfsprekende verpaupering weg te denken. Cohen Stuart’s grootste didactische probleem lijkt zo overwonnen. Zijn analogie krijgt nu betekenis en wint aan overtuigingskracht. In de welvaartsstaat betekent overbelasting immers daadwerkelijke uitschakeling. Een overbelaste werknemer wordt werkloos. Overbelasting is nu inefficiënt. Een overbelaste brug wordt door de staat ondersteund, en is daarmee duurder dan een onbelaste brug. De analogie van Cohen Stuart kan velen tot de verbeelding gaan spreken. Moderne toehoorders worden rechtstreeks geraakt, mogelijk niet in het hart maar wel in de portefeuille. Hierdoor is de kans groter dat men inziet dat de situatie nogal dom is. Het is dom, want belasting heffen in dat lage gebied is niet effectief en leidt toch niet tot het binnenkomen van belastinggelden. Kwijtschelden van "lasten" levert juist geld op. Het verhogen van de belastingvrije voet levert werk op, bespaart uitkeringen, en komt tegemoet aan breed gewenste maatschappelijke doelstellingen van economische vrijheid en bestaanszekerheid.

Voor het goede begrip: er zijn allerlei vormen van werkloosheid. Werkloosheid door het minimumloon verschilt bijvoorbeeld van werkloosheid van kunsthistorici, en verschilt van de WAO. Niet alleen de vormgeving van het minimumloon kost ons geld, ook andere wonderlijke regelingen doen dat. Toch is er reden de minimumloonproblematiek centraal te stellen. Vandaaruit blijkt het generieke probleem van de welvaartsstaat het best te belichten. Is de werkloosheid door het minimumloon doorzien, dan zijn de andere kwesties hanteerbaarder.

Het kernpunt waar het om gaat is, dat het in een welvaartsstaat goedkoper is mensen in staat te stellen te blijven werken - want anders kost het je uitkeringen. Zo’n principe geldt voor alle varianten van werkloosheid, hoe je verder ook de maatregelen per deelveld invult.

Er zijn anderhalf tot twee miljoen mensen in Nederland die zouden willen werken maar dat niet mogen. Dit is 25% van een arbeidsmarkt van 8 miljoen mensen. De poorten naar de WAO zijn opengezet omdat Nederland het probleem niet doorzag. De stijgende sociale uitgaven noodzaakten meer en meer heffingen, en meer en meer mensen werden werkloos. Het verhaal begint bekend te raken. Het effect op de eigen portefeuille is wat minder bekend. Een ruwe maar voorzichtige berekening komt op 1000 gulden per Nederlander. Dat is dus 4000 voor het gezin met twee kinderen, per jaar. Neem een conservatief aantal van een miljoen gedwongen inactieven met een uitkering van zo’n 15 duizend gulden per jaar. Dat is 15 miljard gulden aan uitkeringen. Met 15 miljoen Nederlanders is dat zo’n 1000 gulden per Nederlander. Deze miljoen mensen kosten dit nu, terwijl zij dit zouden opleveren wanneer zij zouden werken. Dan zwijgen we nog over de beheerskosten, criminaliteit, ongemotiveerde leerlingen, en dergelijke. Het ruwe en voorzichtige bedrag van 15 miljard is, voor de goede orde, niet een normale "bezuiniging" zoals we van de laatste decennia gewend zijn geraakt, maar vormt een drastische breuk met dat verleden - de betere term is "ontdomming".

 

 

Nadere verklaringen

 

Dat iets bij nader inzien "dom" is, wil niet zeggen dat het onmiddellijk ingezien wordt. Hoe traag het gaat voordat het inzicht doorbreekt, wordt duidelijker wanneer we de miminumloonkwestie nader beschouwen. De moderne politieke discussie over het voorstel tot vrijstelling van lasten op minimumniveau kent frappante momenten.

Het regeerakkoord van het kabinet Biesheuvel uit 1971 noemt: (2)

"Optrekken belastingvrije voet (in de richting van gelijkstelling belastingvrij bedrag voor gehuwden met één kind aan het minimumloon..." De betreffende MvT 1971/72 legt uit: "(...) behoeft geen nader betoog dat de huidige belastingvrije voet te laag is. De omvang ervan voldoet niet aan de grondgedachte van de belastingvrije voet, het van belastingheffing vrijstellen van het gedeelte van het inkomen, dat redelijkerwijs nodig is voor het financieren van in het licht van de heersende maatschappelijke opvattingen noodzakelijke levensbehoeften." Het concept van een bruto = netto minimumloon blijkt in de moderne tijd echter verlaten door het kabinet Den Uyl rond 1974. Het argument was: "De regering (...) wees er op dat het sociaal minimum in de voorliggende jaren dermate verhoogd was dat het inmiddels geacht kon worden draagkracht te verschaffen tot het betalen van belasting." Dit laatste argument is verbijsterend. Het sociaal minimum is logischerwijs een netto bedrag, en dan ontbreekt per definitie draagkracht voor belasting. Hier toch draagkracht zien, impliceert dat iemand eerst tot de bijstand veroordeeld wordt voordat hij die "draagkracht" heeft (waar belastingen pro forma toegerekend worden).

Het verbijsterende van dit argument viel in die periode niet op. In die periode maakte een alternatieve verklaring voor de werkloosheid furore, het zgn. "Vintaf" model, dat inmiddels - althans voor de buitenwacht - een geruisloze dood is gestorven.

Een aanvullende reden voor het kabinet Den Uyl om de hoge voet te laten varen, was dat het tarief van de eerste schijf 50% zou worden. Als "bezwaar" spoort dit niet met het wetenschappelijk onderzoek. In de publieke discussie is het belang van marginale belastingtarieven stelselmatig verkeerd voorgesteld. Econometrisch onderzoek wijst op het belang van het gemiddelde tarief.

Een belangrijk effect hier laat zich het best met cijfers illustreren. Bij een inkomen van 40 duizend, een voet van 20 duizend en een tarief van 50% betaalt men bijvoorbeeld gemiddeld 25%. Bij een inkomen van 100 duizend is dit gemiddeld 40% belasting. Relevant is vervolgens het effect wanneer tarieven met de inkomens meegroeien. Bij een inkomensgroei met 5% stijgt de voet dan met 1000 gulden. Wie 100 duizend verdient en 5% meer krijgt, krijgt er 5000 bij, en betaalt daarover maar 40% (want 50% over (5000 minus 1000)). Kortom, wanneer de belastingen met de inkomens meegroeien, is ieders feitelijke marginale tarief gelijk aan zijn gemiddelde tarief. Dat is dus heel wat anders en genuanceerder dan het officiële tarief (van 50%).

Vervolgens is voor een goed beeld op de massale werkloosheid een internationale invalshoek nodig. De groei van werkloosheid en armoede is internationaal, en alleen een verklaring die hiermee rekening houdt, kan voldoen. Voor een deel heeft ieder land zijn eigen factoren, maar verrassend genoeg is er een internationaal gelijkluidende factor. Er bestaat de internationale conventie dat belastingtarieven worden aangepast voor de inflatie. Dit geldt "dus" ook voor de belastingvrije voet. Tegelijkertijd heeft het sociaal minimum de neiging te stijgen met de algemene welvaart. Het gevolg is internationaal een excessieve stijging van de loonkosten op minimumniveau, en dus werkloosheid en/of armoede. Vaak wordt de oorzaak bij de technologische groei gezocht, of de internationale concurrentie, maar dit miskent dat technologie en handel juist productiviteit verhogen, en dat de verwoestende werking van het belastingsysteem hierdoor dus juist tegengewerkt en gematigd is. We mogen concluderen dat het wijze advies van Cohen Stuart internationaal van belang is, en internationaal in de wind geslagen is.

 

Collectieve verstandsverbijstering

Wanneer er werkloosheid is, mankeert er blijkbaar iets aan het bestuur. Werkloosheid speelt immers tussen mensen, en is afhankelijk van regels waar we zelf invloed op hebben. Werkloosheid is dus te zien als een indicator van de kwaliteit van het landsbestuur. Het probleem verschuift van werkloosheid naar de kwaliteit van het bestuur. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dr. Bert de Vries, is zich van het bestuursprobleem bewust. De Volkskrant van 3/4/93 citeert hem: "Ik troost mij met de gedachte dat er geen natuurwet is, die voorschrijft dat er maar x miljoen arbeidsplaatsen kunnen zijn. Als er niet meer dan x miljoen arbeidsplaatsen zijn, komt dat omdat we met z’n allen niet in staat zijn, de samenleving zo te organiseren dat er meer reguliere arbeidsplaatsen zijn." De vraag naar het organisatievermogen is een vraag voor de staathuishoudkunde. Deze constateert een collectieve black-out. Bepaalde psychologische aspecten van aandelenbeursen, hausses en crashes, behoren tot het economisch object, en soortgelijk geldt dan voor het huishouden van de staat en de betreffende kunde.

Een groot probleem bij een collectieve black-out is dat mensen niet kunnen geloven dat het zo erg is. Politici en ambtenaren lijken zich conscientieus te gedragen, zijn aantoonbaar druk bezet, en verkeren in elkaars gezaghebbende aanwezigheid. De toehoorder raakt verdoofd, en berust. Een Chinees constateerde ooit: de situatie was onhoudbaar, hij duurde al driehonderd jaar. Ook nu zoiets. Ondanks de herinnering van De Vries beschouwen de meeste mensen werkloosheid als een natuurramp waar je maar mee moet leren leven. Feitelijk kent de econoom van 1994 eenzelfde didactisch probleem als Cohen Stuart in 1889. De toehoorders wordt gevraagd zich het onvoorstelbare voor te stellen. Het onvoorstelbare, dat was vroeger dat menselijk lijden beperkt kan worden, en vandaag dat werkloosheid zich laat aanpakken.

Neem als voorbeeld de veel voorkomende vraag, waar het werk vandaan moet komen, wanneer die loonkosten verlaagd worden. Die vraag klinkt redelijk, maar is het nauwelijks, want het betreft een deel van de arbeidsmarkt dat kunstmatig gefrustreerd wordt. In Nederland werken 6 miljoen mensen, en klaarblijkelijk werkt de arbeidsmarkt voor hen dus wel. Dat is de afstemming van vraag en aanbod middels de prijs van arbeid. (3) Werk dat nu gewoon is, liet zich een paar jaar geleden niet eens verzinnen. De markt regelt het. Alleen voor de anderhalf tot twee miljoen mensen die kunstmatig en met aantoonbaar domme regels van de markt worden gehouden, alleen voor hen, wordt de vraag gesteld of de markt wel zou kunnen werken. Met zo’n vraag kunnen we de microfoon eigenlijk beter aan Youp van ‘t Hek doorgeven.

Een medewerker van het Centraal Planbureau gaf in 1992 als stelling bij zijn proefschrift:

"Een bouwer van een economisch model die zich verdiept in het Nederlandse belasting- en sociale zekerheidsstelsel gaat gaandeweg een sterke affiniteit ontwikkelen met Alice in Wonderland." (4) Deze woorden zijn beleefd gekozen. Het is de vraag of zo’n beleefdheid nog wel didactisch verantwoord is en of de boodschap niet wegzinkt in promovendi-humor. Het punt komt beter over door gewoon te zeggen dat Nederland al jaren schreeuwend gek is.

De verwante stelling van premier Lubbers was:

"Nederland is ziek". Een betere diagnose is dat het collectieve coördinatievermogen faalt. Het moet dus luiden "Nederland is geestesziek". Gewoon collectief gestoord. Dit is vanzelfsprekend niet beledigend bedoeld. Het behoort tot de competentie van de moderne staathuishoudkunde om collectief onvermogen te diagnosticeren.

Met de kabinetsformatie in zomer 1994 beginnen de gedachten in beweging te komen. Juist op zo’n moment is het nuttig te constateren hoe muurvast alles tot voor kort zat. De verkiezingsprogrammas van de grote partijen bij de verkiezingen van 3 mei falen op het punt van de werkloosheid. De opstellers van die programmas, de topmensen uitgeselecteerd door ons democratisch proces, hebben de argumenten in diverse publicaties blijkbaar niet doorzien. Enkele jaren geleden was de situatie nog erger. In 1989 was gewoon sprake van een regelrecht taboe.

Een effectieve manier waardoor collectieve gekte en maatschappelijke stagnatie zich bestendigen, is het taboe laten zijn van de relevante aspecten. Taboes hebben bijna onvoorstelbare gevolgen voor het menselijk gedrag. Betamelijkheden en procedures die anders normaal zijn, verdwijnen als sneeuw voor de zon, en het valt buitenstaanders en mensen van een later tijdstip nauwelijks uit te leggen wat de ware gang van zaken is geweest. Door en middels het taboe zijn ambtenaren en politici verkeerd omgegaan met wetenschappelijke analyses over en suggesties voor de werkloosheid. Dat is een realiteit. Dat dit zo werkt is een cruciaal inzicht. Het heeft gevolgen voor de wijze waarop we tegen het democratisch proces aankijken en voor een advies tot een parlementaire enquête (daarnaar).
 

 

Reddende wetenschap

 
Wanneer politici de wereld zien als het strijdtoneel voor preferenties, dan komt het zwaartepunt te liggen bij de wetenschap - bij mensen als Jan Tinbergen - om middels kennis en inzicht problemen uit de wereld te helpen.

Inderdaad is de wetenschap al in een eerder stadium reddend toegeschoten voor de verklaring voor de almaar voortdurende werkloosheid. Kijken we naar de publicaties, dan moeten we concluderen dat het voortduren van de massale werkloosheid niet aan de wetenschap heeft gelegen. Zie bijv. publicaties van CPB medewerkers Van Schaaijk in 1983 en Bakhoven in 1988 in het blad ESB (Economisch Statistische Berichten). Zie ook de vele andere referenties in mijn boek van 1992. (5)

Voor de goede orde: verschillende studies hebben rekenschap gegeven van de vele aspecten, zoals de marginale tarieven, inflatie, scholing, emancipatie, etcetera. Aangegeven is dat 20 jaar ontsporing niet zomaar ongedaan kan worden gemaakt. Actieve participatie van de sociale partners is gewenst om alles in goede banen te leiden, met bijvoorbeeld ook een positieve benadering van de "algemeen verbind verklaring" (AVV). Benadrukt zij hoe dan ook dat in het bestek van dit korte opstel niet alles behandeld kan worden. Hier is vooral van belang, dat de informatie bestaat.

Informatie is echter een kwetsbaar goed. Het maatschappelijke en politieke taboe was in 1983 sterker dan de wetenschap. Dat geldt ook tot heel recent. Recente bijdragen en publicaties zijn even goed genegeerd. Zie bijvoorbeeld mijn bijdrage in 1989/90 binnen het Centraal Planbureau aan de CPB-studie Nederland in Drievoud, en vervolgens tijdens de "WAO-zomer" in Trouw 10/8/91, daarna de Volkskrant 24/4/92, Trouw 5/6/93 en AD 25/6/93.

Bekijk ook als voorbeeld de WAO, een puur Nederlandse complicatie die in het internationale beeld ontbreekt. Wetenschappers hebben hier regelmatig gewaarschuwd en de ontsporing van de WAO voltrok zich zeker na 1985 in het volle daglicht. Ondanks al zijn bizarheid heeft deze affaire voor de discussie toch het voordeel dat de kosten extra benadrukt worden. De ontsporing van de WAO is zo gigantisch duur dat het inzicht eerder doorbreekt. In ESB van 18 mei jl. nemen Aarts & De Jong mijn voorstel uit 1989/91 over, WAO uitkeringen efficiënter te benutten, en wel voor loonkostencompensatie. De enige serieuze vraag is alleen, waarom het zo lang moet duren voordat dit inzicht doorbreekt. Waarom wordt de reddende informatie steeds genegeerd ?

Ook hier schiet de wetenschap reddend toe. Het is immers vooralsnog de wetenschap en niet de politiek die concludeert: (i) werkloosheid valt aan te pakken, (ii) het is al langer bekend, en (iii) het ligt dus niet aan gebrek aan kennis dat het nog niet is gebeurd. Deze conclusies worden in toenemende mate door de wetenschap opgepakt. Dezelfde wetenschap die dus al de oplossing voor de werkloosheid op de arbeidsmarkt aanwees, onderzoekt ook de instituties waarin de besluitvorming plaatsvindt, en wijst hier op wegen om de collectieve gekte te bestrijden.

 

 

Parlementaire enquête & herziening Trias Politica

 

Een kernvraag voor politici, publiek en media is hoe te bepalen wat wetenschappelijk verantwoord is. Niet iedere econoom heeft de kwaliteiten van Tinbergen (voorzover al naar hem geluisterd werd). Sommige belastingwetenschappers hebben de belastingvrije voet verwaarloosd, anderen geven af op de hoge marginale tarieven, weer anderen hadden onjuiste kritiek op het "plan-Bakhoven", velen waren er überhaupt mee onbekend en kwamen met de eigen analyses. Gelauff in zijn proefschrift (op. cit.) rekent verhoging van de voet heel anders door dan hier wordt voorgesteld. Men wordt aldus overstelpt met een kakofonie. De voorgaand samengevatte analyse is ook maar ontstaan na jaren econometrische arbeid, en niet iedereen kan dat herhalen of van anderen beoordelen.

Als antwoord op de kakofonie zou doof-zijn een overlevingsstrategie zijn, maar dit past helaas niet in het ideaalbeeld van onze cultuur en democratie. Om die reden zijn er diverse instellingen die de informatiestroom reguleren. Hier zijn we weer op het terrein van het organisatievermogen van onze democratie.

Een belangrijke speler in de Nederlandse economische beleidsvoorbereiding is het CPB. Het blijkt dat het CPB helaas geen wetenschappelijk instituut is, en, mede daardoor, onvoldoende beveiligd tegen de werking van interne of externe taboes. Extern wordt een potentieel nuttige rol van het CPB gemangeld door een verkeerde scheiding van machten binnen de Trias Politica. Het voorbeeld is hier de al 20 jaar voortdurende massale werkloosheid. Intern is er een gerelateerd voorbeeld van meer recente datum. De huidige directie van het CPB gebruikt aantoonbaar arbeidsrechtelijke middelen om de inhoud van de discussie van zijn wetenschappers te sturen. Deze directie heeft onder meer in 1990 publicatie van een artikel over het onderhavige onderwerp, de werkloosheid en het maatschappelijk organisatievermogen, tegengehouden. Deze censuur is in 1993 door de rechter vernietigd. Inmiddels is een nieuwe grond gegeven om de publicatie tegen te houden, en ook die grond deugt van geen kant en ligt nu voor aan de rechter. Voorbeelden als dit staan niet op zichzelf. Bizar is dat in 1989 nadat een top-ambtenaar van EZ tot directeur van het CPB was benoemd, de nieuwe directie verklaarde dat het CPB een "onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut" zou zijn - in strijd met de wet, de praktijk, de opinies van wetenschappelijke economen, (6) en het eigen gedrag.

Mijn analyse en advies was in 1990 en blijft in 1994 dat als het parlement consistent wil blijven, het een enquête moet houden naar de zo’n twintig jaar voortdurende massale werkloosheid en de voorbereiding van het economisch beleid, en daarbinnen in het bijzonder naar de rol van het CPB. Dit betekent met andere woorden een studie van de relatie politiek versus CPB.

De enquête zou de aanpak van de werkloosheid versnellen. In 1989/90 was mijn raming dat het zonder enquête zo’n tien jaar zou duren. Een en ander is voorstelbaar zonder zo’n enquête en zonder aanpassing van het CPB. Op grond van de informatie van dit opstel kunnen politici altijd aan de gang gaan en mogelijk wat nuttigs verzinnen. Evenwel zijn de misverstanden en belangen rondom de werkloosheid uitermate groot, en de voordelen van een enquête zijn evident.

Overigens kan ook de Eerste Kamer een enquête instellen. Waar juist ook de rol van de Tweede Kamer binnen het geheel relevant is, is het belangrijk deze mogelijkheid te zien.

Het advies tot een enquête is verantwoord, in zichzelf, maar ook in het licht van de demografische en ecologische uitdaging van de 21e eeuw en de actuele ontwikkelingen in Oost Europa. (7) We moeten leren van de grote fouten van het verleden, juist omdat de toekomst het risico bevat dat herhaling daarvan nog strenger afgestraft zal worden.

Ons systeem van beleidsvoorbereiding bevat endemische fouten die funest zijn geweest voor de welstand, bestaanszekerheid en levensvreugde van miljoenen. Dit is een conclusie die niet alleen internationaal geldt, maar ook in de tijd gezien, want eenzelfde falen gold in het interbellum. Er was een oorlog voor nodig voordat naar Keynes en Tinbergen werd geluisterd. (8) Het voert hier te ver om in te gaan op de huidige tendenzen richting 21e eeuw. (9) De gemeenschappelijke noemer in tijd en ruimte is de Trias Politica, het fundament van de westerse democratie, de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke macht. De bestaande toedeling van taken en checks & balances in de organen van onze democratie leidt tot een politiek proces, waarin de economische vrijheid en bestaanszekerheid van de burgers blijkbaar niet de aandacht en prioriteit krijgen die, zal men toegeven, gewenst zijn. Aanpassing en verdieping van de democratie tot een high definition democracy is gewenst.

Het advies tot de enquête naar het CPB betreft juist dit. Na de tweede wereldoorlog hebben diverse landen economische adviesinstellingen opgericht. Bijv. in de USA de CEA (Council of Economic Advisers), in Nederland het CPB. Welbeschouwd was dit een voorzichtige institutionalisering van het ‘luisteren naar Keynes en Tinbergen’. Het heeft bijgedragen tot een grotere mate van rationaliteit en bescherming van de bestaanszekerheid van de burgers. Een herhaling van de Grote Depressie is voorkomen, we hebben slechts de Grote Stagflatie gehad.

Met deze constatering is echter wel de positie van dergelijke instituten - voor Nederland het CPB - te heroverwegen. Een grotere scheiding van machten dan de Trias Politica is gewenst. De grondwettelijke uitbreiding met een wetenschappelijk gefundeerd en dus onafhankelijk Economisch Hof is gewenst. Dit is geen perfectionisme maar een kleine doch democratisch cruciale stap. Ook in de rechtsspraak, met de Hoge Raad, zal niet alles perfect geregeld zijn, maar dat heeft onze voorouders er niet van weerhouden om een en ander toch maar zo te regelen.(10) Hoe voorzichtig ook we zelf ten aanzien van nieuwe regelingen zijn geworden, het economisch bestuur van het land blijkt evenzeer bepaalde waarborgen te vereisen. (11)
 
 
 

Voetnoten

 
  1. Prof. mr. H.J. Hofstra, “Inkomstenbelasting”, Kluwer, Deventer, 1975
  2. Henk Vording, “Koppelingen in de sociale zekerheid 1957-1992”, Thesis Publishers, Amsterdam, 1993 (p83)
  3. Ik onderschrijf overigens het motto van de ILO: “Labour is not a commodity.” Arbeid met bepaalde condities omkleed acht ik wel geschikt voor de marktwerking.
  4. G.M.M. Gelauff, “Taxation, social security and the labour market”, Wibro, Helmond, 1992
  5. Thomas Cool, “Definition and Reality in the general theory of political economy; Some background papers 1989-1992”, Magnana Mu Publishing & Research, Rotterdam, 1992. Zie ESB 1993, p33.
  6. CPB, “Het Centraal Planbureau”, CPB, Den Haag 1989; G. den Broeder, “Economen over beleidsmodellen”, Magnana Mu Publishing & Research, Rotterdam 1992
  7. Cool, “Homo homini lupus”, 1994
  8. R. Skidelsky, “The reception of the Keynesian revolution”, in Milo Keynes, “Essays on John Maynard Keynes”, CUP 1975:

  9. "In his biography of Keynes, Sir Roy Harrod reports a widely acclaimed speech delivered by his subject to the House of Lords in 1946, the year of his death. ‘But Keynes had been talking in this style ... for some twenty-seven years. Why had his words not been listened to .... ?’ (...) Unemployment as a problem in economic theory may have been sufficient to produce a revolution in the discipline; unemployment was not a sufficient problem to society to produce a revolution in political ideas. If it was not the prolonged experience of mass unemployment that finally broke the hold of nineteenth-century ideas, what was it ? A strong case can be made out for war. ‘Normal’ life could coexist with unemployment; it could not with modern war.”
  10. CPB, “Scanning the future”, SDU, Den Haag 1992. Pag 211 geeft:

  11. “The Global Crisis scenario (...) explores the risks and dangers of a neglect of, and late response to regional and global challenges (...) the world may end up in the throes of widespread distress, an eco-crisis, which can only be corrected at high cost. The policy message conveyed by this scenario is abundantly clear. Dismissing this scenario as unduly gloomy and pessimistic is in our view, absurd; such a statement would be tantamount to a complete denial of large segments of twentieth-century history.” Zie ook Cool, “Het sociaal liberalisme”, 1994.
  12. Leny de Groot - Van Leeuwen e.a. (red), “Het gezag van de rechter”, SISWO 1994
  13. Overigens voert het te ver hier de mogelijke eisen aan zo’n Economisch Hof uit te werken. Zie enkele kernpunten in Cool, “Definition & Reality”, op. cit. p 289