Postdocs en de vrijheid van de wetenschap


Ik ben geen postdoc - zelfs nog op zoek naar een promotor. Mijn onderwerp hieronder is ook algemener: ik vraag gaarne aandacht voor de intellectuele vrijheid van wetenschappelijk onderzoek. 

Als econometrist en (oud-) wetenschappelijk medewerker van het Centraal Planbureau protesteer ik tegen de breidel van de wetenschap door de directie van dit instituut. Ik vraag gaarne aandacht voor deze casus op zich. Maar de casus staat niet op zichzelf - zoals ook een collega bijvoorbeeld ooit zei ook door de directie geïntimideerd te zijn. De kwestie ligt breder, door de verkeerde verstrengeling van de politiek en de voorbereiding van het economisch beleid. Ik vraag derhalve ook aandacht voor dit algemene probleem, en gebruik de casus als een feit dat verklaard wordt door de algemene situatie. 

Ik ben al wat langer op zoek naar collega-wetenschappers die zorg hebben voor de integriteit van de wetenschap en die zo mogelijk ook oog hebben voor de maatschappelijke context van de wetenschap. Wellicht vind ik bij de postdocs gesprekspartners, waar ook zij aandacht vragen voor de vrijheid van wetenschap.
 
 

Omgangsvormen



Mijn meest algemene stelling is dat de wetenschappelijke vrijheid in het gedrang komt door een verwording van de omgangsvormen. Die verwording heeft verschillende gevolgen, waarvan het gebruik van tijdelijke aanstellingen voor postdocs er maar één is. In het algemeen moeten we kijken naar omgangsvormen en het arbeidsrecht:

  • De directie van het CPB misbruikt het zwakke arbeidsrecht, en de wetenschappelijke discussie wordt tegengegaan.

  •  
  • Tijdelijke aanstellingen vinden hun beslag in het arbeidsrecht. 
De oorzaak van het ontstaan van AIO, OIO en postdoc plaatsen in het arbeidsrecht is niet het financiële probleem van de universiteiten, maar de verwording van omgangsvormen. Zelfs indien er problemen zijn met de financiering van de wetenschap, dan nog overschrijdt men een grens door deze problemen zo te willen oplossen. Postdocs verzetten zich juist tegen die tijdelijke aanstellingen, maar bestrijden dan slechts een symptoom. Veel zinvoller is het om de dieper liggende oorzaak aan te pakken, d.w.z. de verwording van de omgangsvormen. Deze verwording van omgangsvormen is problematisch omdat deze leidt tot een beperking van de vrijheid van onderzoek. Ik verwijs ook naar het betreffende hoofdstukje over de omgangsvormen in mijn boek Trias Politica & Centraal Planbureau uit 1994.
 
 

Parallellen en parabels



Er is ook een historische grond om de omgangsvormen centraal te stellen. Vroeger was er een zekere mate van wetenschappelijk vrijheid - want hoe anders is de wetenschap ooit zo kunnen groeien ? Daarnaast zijn er de voorbeelden als van Galileï of Lavoisier die getuigen van een maar beperkte vrijheid. Talrijk zijn ook de voorbeelden van juist wetenschappers onderling die elkaar het leven moeilijk maken. Kronecker maakte Cantor het leven zuur, Hilbert en Brouwer lagen in de clinch, enzovoorts. Vanuit zo’n historisch perspectief en vanuit een diepgaander begrip van het wetenschappelijk proces volgt volgens mij dat het toch vooral de omgangsvormen zijn die onze aandacht vragen. In de wetenschap gaat het om de inhoud van de argumentatie, maar die inhoud komt alleen goed tot zijn recht wanneer we een wetenschapper ook respecteren in zijn of haar gehele hoedanigheid als mens. 

We bereiken de belangstelling voor de omgangsvormen alleen door over onze horizon heen te kijken. Gangbaar is het beter om over een horizon heen te kijken. Er is het voorbeeld van de psychiatrische instellingen die zich met gestoorden bezighouden en de verslavingsbureau’s die zich met verslaafden bezighouden, zodanig dat verslaafde gestoorden of gestoorde verslaafden door niemand geholpen worden. Beter is het dan toch dat men de blik verruimt en de handen ineenslaat, beter voor de patienten maar ook voor de professionaliteit en de eigenwaarde van de hulpverleners.

Er is ook het sprookje van de Japanse steenhouwer. Ik hoop dat ik het in de goede volgorde vertel: De Japanse steenhouwer zweette zo in de zon dat hij liever de zon was. Toen hij de zon was, maar door wolken het zicht op de aarde kwijtraakte, was hij liever een wolk. Als wolk werd hij weggeblazen door de wind, en toen was hij liever de wind. Maar de wind kreeg geen vat op de berg, en toen was hij weer liever de berg. Maar als berg voelde hij de steken van een pikhouweel, en toen was hij toch weer liever de steenhouwer. Posities zijn maar relatief. Door over de horizon van onze posities heen te kijken, verkrijgen we een beter beeld.

Postdocs ergeren zich aan hun gebrek aan onderzoeksvrijheid door de korte duur van de aanstelling. Voor postdocs lijkt het paradijslijk om wetenschapper in vaste dienst te zijn. De werkelijkheid is evenwel een slagje anders. Ook voor wetenschappers in vaste dienst zijn er regels. Het bekende verhaal is toch dat de echte studie thuis gebeurt. Voor een wetenschapper in het algemeen lijkt het paradijslijk om hoogleraar te zijn. De werkelijkheid is ook hier een slagje anders. Menig hoogleraar klaagt over al het papierwerk, en laatst sprak ik een hoogleraar de vertelde dat wanneer hij zich in het openbaar uitsprak, hij ook een telefoontje van het College van Bestuur kon verwachten of dit wel bijdraagt tot de wetenschappelijke productiviteit en het imago van de universiteit.
 
 

Positie van postdocs



Het protest van de postdocs is reëel. Het is in mijn ogen niet fatsoenlijk, en ik heb het nimmer fatsoenlijk gevonden, om AIO, OIO en postdoc plaatsen te scheppen met de huidige arbeidsvoorwaarden. Met dergelijke plaatsen miskent men de problematiek van vaak niet eens meer zulke jonge mensen die misschien ook een gezin willen vormen, een huis kopen, die vastigheid zoeken, en die niet voor de ramp geplaatst willen worden om zich te specialiseren in een terrein waar vervolgens geen werk meer voor is. Het is inderdaad een ramp om in iets gespecialiseerd te zijn, en vervolgens naar een geheel andere plek te moeten en weer onderop te moeten beginnen. Tevens komt de vrijheid van onderzoek in het gedrang. Wie zich heeft ingewerkt in een onderwerp en resultaten ziet aankomen, botst echter tegen de tijdgrens van de aanstelling, moet ermee ophouden en het stokje doorgeven aan een ander. Wie een onverwacht inzicht krijgt, kan dit inzicht niet volgen, omdat het officieel afgesproken resultaat in de knel komt. Het beleid van AIO, OIO en postdoc plaatsen rammelt aan alle kanten.

Toch zullen de postdocs vermoedelijk niet veel verder komen indien zij zich op slechts hun eigen positie concentreren. Menigeen zal bijvoorbeeld vinden dat deze tijdelijke aanstellingen er tenminste toch voor zorgen dat in ieder geval meer mensen kunnen promoveren en iets van hun onderzoek voortzetten. ("Wie al te lang blijft hangen zonder perspectief op een vaste aanstelling, heeft de ellende voor een deel ook aan zichzelf te danken.") Vervolgens, als econoom kijkend naar de voorstellen van het postdoc platform, vraag ik me ook af of hun alternatieven wel zo goed zijn. Hieronder bespreek ik enkele aspecten, en vraag de postdocs vervolgens aandacht voor de mogelijkheid van samenwerking op het terrein van de vrijheid van wetenschap.
 
 

Wel of niet een wachtgeldprobleem ?



Het postdoc platform localiseert het probleem in de ‘wachtgeldproblematiek’. Een universiteit heeft maar een beperkt aantal vaste plaatsen, en kan postdocs mogelijk maar een beperkt aantal keren in tijdelijke dienst nemen (hoewel dit te rekken valt door te spelen met de aard van de aanstelling). Door de vrees voor de kosten van het wachtgeld, wordt zelfs geen tijdelijk verband meer aangeboden. Het platform zoekt de oplossing in het centraliseren van de wachtgelden. 

Economisch acht ik deze oplossing dubieus. Decentralisatie is een goed economisch principe, en de waarschuwingslichten moeten gaan branden indien men ervan afwijkt. 

Door te spreken over ‘wachtgeldproblematiek’ krijgt het verschijnsel een eigen naam, en lijkt het inderdaad tot een zelfstandig probleem te worden - waarvoor een commissie en een rapport nodig is. Mijn suggestie is echter dat het om het algemene personeelsbeleid en de omgangsvormen gaat. Nadenkend over het personeelsbeleid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen, komt het mij voor dat er fundamenteel betere oplossingen denkbaar zijn.

Bekijk de analogie van een bedrijf, dat winst maakt, en investeringen doet uit die winst. De gedachte is dan dat een wetenschapper beloond wordt voor reeds gedaan onderzoek dat als goed beoordeeld wordt, waarna de wetenschapper vervolgens vrij is om deze gelden te investeren in nieuw onderzoek - met al dan niet succes en de mogelijkheid wederom te investeren. Overigens kan onderzoek ook goed zijn indien het ‘mislukt’ is, indien maar kan worden aangetoond dat het weloverwogen is uitgevoerd. Indien een onderzoek niet normaal of extra beloond wordt, valt de wetenschapper terug op een inkomen dat wordt bepaald door onderwijstaken, en hoeft men dus niet te vrezen voor de noodzakelijke behoeften van het bestaan.

In de huidige situatie moeten wetenschappers projectvoorstellen indienen, en vooraf gaan aangeven wat zij zullen gaan bekijken en mogelijk ontdekken. Menig wetenschapper heeft al zijn twijfels over dit systeem geuit, zowel wegens het papierwerk en de bureaucratie, als wegens het fundamentele probleem dat je vaak niet kunt voorspellen wat je gaat ontdekken.

Indien we het proces anders aanpakken, met beoordeling aan het eind in plaats van aan het begin, dan loopt het volgens mij soepeler.

Er is overigens niets op tegen om ook een systeem van projectvoorstellen te laten bestaan, omdat dit in een groot aantal gevallen ook werkt. Maar bij beoordeling achteraf, ontstaat er meer vrijheid. Ook die vrijheid is relatief, omdat een beoordeling achteraf ook gedaan zal worden aan heldere criteria. Maar de vrijheid is groter dan nu. (Het zou overigens heel wel kunnen dat beoordeling achteraf moeilijker is, en dat alleen voor het gemak gekozen is voor beoordeling vooraf.)

Vervolgens kan dit systeem voor alle wetenschappers toegepast worden. Het stelsel van AIOs, OIOs en postdocs kan verdwijnen, want men kan na het behalen van de doctorsgraad in vaste dienst komen. 

Het eigenlijke probleem van de postdocs ligt derhalve ergens anders, en door zo de zogenaamde ‘wachtgeldproblematiek’ centraal te stellen, doen zij mee aan het bureaucratische circus dat in onderzoeksland opgeld doet, en raken we denkelijk verder van een goede oplossing voor de academische vrijheid.

Het is ook zinvol om te beseffen dat het verzet tegen de tijdelijkheid der aanstellingen tamelijk hopeloos is. In de economische wetenschap bestaat momenteel vrij brede consensus dat flexibiliteit en employability nodig zijn om inflatie en werkloosheid te bestrijden. Dit wordt onderwezen aan de universiteiten, deze economen komen in het bestuur, zelfs de vakbeweging erkent het als een realiteit, en wie anders wil vecht derhalve tegen een mologh. Het postdoc platform lijkt dit niet te beseffen, en maakt ook hierdoor een weinig overtuigende indruk.

Mijn suggestie om achteraf te gaan toetsen in plaats van vooraf, en dit van toepassing te verklaren op alle medewerkers, sluit aan bij die gedachte van flexibilisering, en zou dus beter passen bij het economisch model van het landsbestuur - hoewel zittende vaste medewerkers hun twijfel zullen hebben.

Overigens is het natuurlijk wel zo, dat ikzelf een economische analyse heb ontwikkeld die ertoe leidt dan men anders over flexibiliteit en employability gaat denken - zie DRGTPE - maar ik doe juist een beroep op de vrijheid van wetenschap om die analyse te mogen bespreken. De huidige vrij brede consensus onder de collega-economen is mijns inziens een misvatting, en het doet mij verdriet dat de directie van het CPB machtsmiddelen inzet bij het horen van andere geluiden.
 
 

Suggestie tot samenwerking



Ik heb met belangstelling kennis genomen van het artikel / gesprek met Helen de Hoop, in Facta, juni 2001. Aansluitend heb ik de postdoc website nader bekeken. Ten aanzien van het Platform begrijp ik dat men vooral gericht is op de eigen belangen. Echter, door hun slechte ervaringen kunnen zij ook gevoelig geworden zijn voor de slechte ervaringen van anderen. Het postdoc platform meent dat KNAW, NWO en universiteiten onvoldoende oog hebben voor continuiteit en kwaliteit van de wetenschap. Wellicht zijn zij nu ook gevoelig voor het feit dat de men ook onvoldoende oog heeft voor de integriteit van de wetenschap. Mogelijk is de juiste analyse dat deze instellingen überhaupt te bureaucratisch met de wetenschap en zijn mensen omgaan, zodat op meer terreinen spaanders vallen - en is samenwerking nodig om dit te veranderen.

Mijn positie is dat ik protesteer tegen de breidel van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau. Ik verzoek de KNAW tot onderzoek van de kwestie. Dit verzoek wordt ondersteund door professor Richard Gill (wiskundige statistiek UU en lid KNAW). Maar het verzoek wordt nog niet overgenomen door de KNAW zelf. Ik zoek anderen die het verzoek ondersteunen, opdat de KNAW op een zeker moment de ogen niet langer kan sluiten.

Overigens zijn er meer instituten waarvan de directies claimen dat deze instituten wetenschappelijk zijn, terwijl de praktijk een andere is.

  • Eén zo’n instituut is het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waar een paar jaar geleden dr. J. de Kwaadsteniet onverwacht door zijn directie een conflict werd aangedaan. Er is in wetenschappelijke kring wel een woord van protest geformuleerd, maar dit heeft nauwelijks effect gehad.
  • Eén zo’n instituut is het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waar onlangs dr. Roefie Hueting onverwacht merkte dat de directie eenzijdig en met oneigenlijke argumenten zijn adviseurschap beëindigde. N.a.v. een protest daartegen door professor Lucas Reijnders, schrijft de directeur generaal van het CBS in een brief van 9 november 2000: "Het gedachtegoed van het DNI (duurzaam nationaal inkomen / TC) is uit het CBS (Hueting) voortgekomen. Het CBS is daar trots op. Nu dient de maatschappij/politiek daarover te discussiëren en tot besluiten te komen. Dr. Hueting dient ten volle aan deze discussie te kunnen deelnemen. Het CBS heeft in deze een andere positie. Om deze reden is besloten dat dr. Hueting in de toekomst vanuit de privé-situatie zal opereren en dus niet vanuit het CBS." Aldus stelt de directeur generaal dat een wetenschapper verbonden aan het CBS niet in staat is om het publiek en de politiek adequaat wetenschappelijk advies te geven.
Het lijkt me onwetenschappelijk indien een persoon met machtsmiddelen uit een discussie wordt verwijderd of anderszins de mond wordt gesnoerd of de pen vernietigd of de reputatie aangetast. Vroeger kon een machthebber iemand fysiek uitschakelen, tegenwoordig kan een directie de aanwezige juridische middelen en met name het zwakke arbeidsrecht misbruiken.

Me dunkt dat er een duidelijke parallel is tussen zulk misbruik en de kwestie van de postdocs waarvoor zij aandacht vragen, en dat is het gebruik van een machtspositie om zaken te laten gebeuren die eigenlijk onfatsoenlijk zijn. Ik nodig de postdocs derhalve uit om ook krachtig te protesteren tegen de breidel der wetenschap in de diverse gevallen.
 
 

Voor het begrip



Het is voor u nuttig te weten, vervolgens, dat ik deze kwestie van de breidel van de wetenschap door de directie van het CPB direct koppel aan de oplossing van een maatschappelijke misstand, namelijk die van de werkloosheid (incl. WAO) en armoe. Ik publiceer niet over het één zonder het andere. Mijn analyse is wetenschappelijk verantwoord, en als integer wetenschapper kan ik niet anders dan zo’n koppeling leggen. De Nederlandse overheid, bij monde van de directie van het CPB, heeft immers mijn analyse van bespreking tegengehouden, en mijn analyse omtrent de oplossing van die maatschappelijke misstand zal alleen gehoord worden indien die breidel ongedaan wordt gemaakt. Een wetenschapper die een nieuw idee krijgt, kan dat idee alleen verspreiden, indien hij zich ook mag uiten. Wie niet openstaat voor het vraagstuk van de wetenschappelijke integriteit, zal binnen mijn analyse ook gevangen blijven in een suboptimale economische situatie met de bijkomende begrotingsproblemen.

We kunnen hier aldus ook verlicht eigenbelang onderkennen. Wellicht is het postdoc platform ook gevoelig voor de positie van andere zwakkeren in de samenleving, zoals de werklozen (WAO-ers) en armen die - net als henzelf - niet het werk kunnen vinden dat zij aspireren. Mogelijk is het aantal tijdelijke medewerkers bij de universiteiten niet anders dan in de gehele samenleving, waar dit probleem in het algemeen speelt. En misschien ziet men ook in, dat juist het oplossen van werkloosheid (en WAO) en armoede zal bijdragen tot het oplossen van de begrotingsproblemen, en uiteindelijk de eigen problemen. Mogelijk zal de maatschappij de wetenschap ook dankbaar zijn, waar de wetenschap toch laat zien hoe deze problemen zijn op te lossen.
 
 

Conclusie



Het probleem van de verwording van de omgangsvormen kan misschien moeilijk in het algemeen aan de orde gesteld worden. Misschien is het zo dat problemen slechts afzonderlijk besproken kunnen worden. De AIO’s, OIO’s en postdocs apart. De vaste medewerkers apart. De hoogleraren apart. De begroting apart. De kosten van tijdschriften en de winsten van de uitgevers apart. Etcetera apart. Het is inderdaad van belang om al deze zaken apart te onderkennen en in detail waar te nemen, want algemeenheden zijn niets zonder feiten. Maar mijns inziens zou het ook een misverstand zijn om alleen naar die afzonderlijke punten te kijken en zo zicht te verliezen op de gemeenschappelijke grondoorzaak van de verwording van de omgangsvormen.

Deze tendens is te keren. Mijn suggestie is derhalve in deze discussies steeds te benadrukken dat mensen op een nette manier zijn te behandelen, en dat bepaalde zaken om die reden gewoon niet fatsoenlijk zijn. Indien de postdocs hierin willen meewerken, zou dat fijn zijn.
 
 
 

Thomas Cool

http://thomascool.eu

Een toegankelijk boekje is Hans Hulst en Auke Hulst m.m.v. Thomas Cool, "Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt", Thesis Publishers 1998