Hoe het CPB een mogelijke oplossing van het werkloosheidsprobleem negeert

 

Roepende in de woestijn

 

door Ed Lof, Intermediair 23 december 1994

 

 

Ruim tien jaar geleden, toen de werkloosheid in Nederland scherp opliep en het eerste kabinet-Lubbers de nieuwe zakelijkheid predikte, werd vanuit 'links' wel betoogd dat de overheid de technologische ontwikkeling zou moeten afremmen, omdat deze vooral banen zou kosten. Dergelijke suggesties werden door 'rechts' resoluut van de hand gewezen, omdat door het beteugelen van technologische innovatie de Nederlandse concurrentiepositie achterop zou raken bij het buitenland, met op den duur nog ernstiger gevolgen

Tegelijk bleef de hoeksteen van het beleid de loonmatiging, waarvan het heilzame effect overduidelijk was aangetoond door de berekeningen van het Centraal Planbureau. In het CPB-rekenmodel leidden hogere lonen ertoe dat oude, arbeidsintensieve productieprocessen versneld werden vervangen door nieuwe, arbeidsbesparende. De antagonisten van de technologie realiseerden zich nooit dat de regering ondanks de verbale afwijzing precies naar hun inzichten handelde.

Het is de vraag of de overheid zich dat zelf wel realiseerde, want de 'doorberekeningen' van het Planbureau (dat valt onder het ministerie van Economische Zaken) vormen al sinds jaar en dag de toetssteen voor beleidsvoornemens, partijprogramma's en andere plannen, of het nu over werkgelegenheid, belastingen, inkomensplaatjes of sociale uitkeringen gaat. Daarbij worden af en toe vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van prognoses, maar zelden bij de veronderstellingen die aan het rekenmodel ten grondslag liggen.

Thomas Cool, voormalig econometrist bij het CPB, vraagt zich in een onlangs gepubliceerde bundel af of er niet iets schort aan de besluitvorming over het economisch beleid, en de rol die het Pl;anbureau daarbij speelt. Cool meent dat er 'na twintig jaar massa-werkloosheid' reden is voor een parlementaire enquête. Het boek bevat enerzijds het relaas van hoe hij bij het CPB op de grenzen stuitte van wat binnen deze organisatie bespreekbaar en onderzoekbaar was. Tegelijk biedt het een heldere analyse van de huidige economische situatie als resultaat van een perverse ontwikkeling van lonen en collectieve lasten, die in beginsel op eenvoudige wijze kan worden gecorrigeerd.

Het eerste element biedt misschien de sterkste argumenten voor een kritische evaluatie van de rol van het Planbureau, dat volgens Cool zou moeten worden omgevormd tot een 'Economisch Hof', een onafhankelijke instelling die zuiver op basis van wetenschappelijk inzicht het beleid toetst. Het tweede element is echter veel belangwekkender, en misschien is het feit dat Cool beide elementen aan elkaar koppelt er mede debet aan dat zijn inhoudelijk-economische argumentatie niet de aandacht heeft gekregen die deze verdient.

Vrij algemeen wordt onderkent dat de hoge loonkosten, met name op het minimumniveau, een belangrijke oorzaak zijn van de chronisch hoge werkloosheid, die vooral laaggeschoolden treft. Het beleid, zou je op het eerste gezicht zeggen, is er ook al jarenlang op gericht daar iets aan te doen: door loonmatiging, door verlaging van de 'wig' (het verschil tussen bruto loonkosten en netto inkomen, bestaande uit loonbelasting en socialepremies), door allerlei banenplannen met een of andere vorm van loonsubsidie en starks door verlaging van het minimumloon. Dat laatste zou er echter toe leiden dat het minimumloon beneden het sociaal minimum komt te liggen, en dat zou moeten worden aangevuld via de bijstandswet.

Deze benadering gaat op twee manieren mank, zegt Cool. In de eerste plaats gaat het vrijwel steeds over alle lonen, terwijl het structurele probleem zich alleen aan de onderkant van de arbeidsmarkt voordoet. Er is geen enkele reden om ook de 'wig' voor hoge inkomens te verlagen: daar leidt deze niet tot hoge werkloosheid. Ook loonmatiging over de hele linie is omstreden. In de tweede plaats wordt onvoldoende onderkend hoe het probleem ontstaan is, en juist dat biedt aanknoping voor correctie.

De loonkosten op het minimumniveau bedragen ongeveer 34.000 gulden. Een werkgever neemt alleen (extra) mensen in dienst als hij daar iets aan verdient, en werk dat minder oplevert dan 34.000 gulden, blijft liggen. De minimumloner zelf ontvangt echter maar 21.000 gulden, en voor dat bedrag wil hij best werken. Tussen de 21.000 en 34.000 gulden is er dus een potentiële vraag naar en aanbod van arbeid, die elkaar onder de huidige spelregels niet kunnen ontmoeten.

Cools oplossing is verbluffend eenvoudig: verhoog de belastingvrije som tot 21.000 gulden. Dat is ook heel logisch: In de vorige eeuw werd al bepleit dat belastingen alleen geheven werden op inkomsten boven het geaccepteerde bestaansminimum. In feite was dat in Nederland ook zo tot in de jaren vijftig, maar sindsdien zijn de lonen snel gestegen terwijl de belastingvrije voet alleen maar werd aangepast aan de geldontwaarding. Straks zijn we zover dat de overheid een aanvulling op het verlaagde minimumloon moet geven om mensen in staat te stellen daarover belastingen te betalen.

In Duitsland heeft minister Waigel van Financiën begin december hetzelfde voorgesteld: wie minder dan 24.000 mark verdient (12.000 voor alleenstaanden) hoeft geen belasting te betalen; voor hogere inkomens geldt een geleidelijk aflopende vrijstelling.

Het is aannemelijk dat verlaging van de minimum-loonkosten voor bedrijven tot zo'n 20.000 gulden de structurele werkloosheid grotendeels zou doen verdwijnen. En omdat er dan meer geproduceerd wordt en veel minder mensen een uitkering nodig hebben, zal het effect op de boven-minimale belastingdruk gering zijn, meent Cool. Maar hoewel de nieuwe rekenmodellen daartoe alle gelegenheid bieden, heeft het Planbureau aan deze beleidsvariant nooit aandacht besteed. Zijn de gevestigde belangen bij algemene loonmatiging en algemene belastingverlaging te groot ?

 



Mijn reactie 21 februari 1998

Een leuke recensie. Jammer dat ik wordt voorgesteld als een 'roepende in de woestijn' in plaats van als een gebreideld wetenschapper. De breidel van de paus t.a.v. Galileo is toch heel wat anders dan zo'n zwervende heremiet die roept dat de wereld vergaat of zo.

Ook jammer dat Intermediair niet de titel, uitgever en ISBN van de bundel meepubliceerde…

Vervolgens is de kwestie van breidel, parlementaire enquête, Economisch Hof wel degelijk belangrijker dan de werkloosheidskwestie. Je moet oorzaken aanpakken, niet symptomen.

Lof noemt twee zaken niet die van wel belang zijn: (a) deze oplossing van de werkloosheid is ook gratis, (b) de huidige modellen houden ook nog niet goed rekening met de dynamische marginaal.

Een andere opmerking is dat veel CPB studies wel melding maken van een of andere variant t.a.v. de voet, maar deze zijn nooit zoals ik me de variant voorstel. Zie bijv. het opstel Muis.