CPB: Hoe het echt zit

 
 

In De Groene van 7 februari 2004 schreef David Hollanders, econometrist en historicus verbonden aan de VU, over de "politicide" in "Nederland institutenland". Dit betoog blijkt bij nadere lezing innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds wordt gesteld dat instituten als CPB, SCP, RIVM en dergelijke afhankelijk van de politiek zijn, zodat bij implicatie het primaat bij de politiek ligt. Immers, het protocol voor de rijks-planbureaus verwacht van hen een loyaliteit aan de regering en Hollanders stelt dat deze loyaliteit ook partijdigheid zou impliceren: 

"In de praktijk moet de onpartijdigheid van door het Rijk gefinancierde planbureaus dan ook niet letterlijk genomen worden." 

Anderzijds stelt Hollanders dat deze instituten bepalen wat er gebeurt, zodat het primaat juist weer niet bij de politiek ligt: 

"Het CPB is een orgaan waarvan de adviezen ongeamendeerd overgenomen worden. (...) Waar ambtelijke adviezen het laatste woord hebben, komt de democratie om."

Het artikel lijkt nog meer onzorgvuldigheden te kennen, bijvoorbeeld wordt PvdA-kamerlid Ferd Crone aangeduid als "CPB-kamerlid", wat een amusante verschrijving is behalve wanneer dit juist satirisch is bedoeld.

Waar de strekking van Hollanders’ betoog door de tegenstrijdigheid dus niet te volgen is, heeft hij wel gelijk met zijn vermoeden dat er op dit terrein een Probleem bestaat. Dit Probleem raakt inderdaad ook aan de kern van de democratie. Het is ook wezenlijk voor onze welvaart en welzijn, want allerlei kwesties die bestaan rond bijvoorbeeld inkomens, werkloosheid, migratie, onderwijs, kinderopvang, milieu en gezondheid komen er rechtstreeks uit voort. Tegelijk krijgt dit Probleem nauwelijks aandacht. Aldus hulde aan David Hollanders en De Groene Amsterdammer voor het eindelijk, eindelijk, en driewerf eindelijk, ter berde brengen van deze vragen.

De grootste vraag is natuurlijk wat dit Probleem nu eigenlijk precies is. Mijns inziens gaat het in de kern erom dat Montesquieu’s model van de Trias Politica een scheiding aanbrengt tussen de wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke machten, maar dat daarin de rol van de wetenschap ten aanzien van informatie en advies bekneld blijkt te raken. Dit is een systematische fout in de struktuur, met enorm veel ellende als gevolg. Het speelt over tijd en ruimte, in de jaren dertig en nu weer, bij ons en op andere continenten. Uitbreiding van de Trias Politica met een vierde macht van een Economisch Hof met juist zo’n grondwettelijk beschermde wetenschappelijke taak is dan aan te raden. Mensen die zich verbazen over de term "Economisch Hof" verwijs ik kortheidshalve naar de definitie van "staathuishoudkunde" (Van Dale). 

Waar Hollanders over "institutenland" spreekt, meerdere instituten noemt, concentreert het Probleem zich mijns inziens vooral op juist dit ene institutioneel gegeven. Aan de instituten kan dus in het algemeen goed werk worden verricht, maar gaat het fout vooral door deze structuur. Ontkend kan niet worden dat er mogelijkerwijs nog andere problemen per instituut bestaan, maar misschien is het mogelijk hier een prioriteit aan te brengen ten aanzien van de zaken die te herzien zijn.

In het bestek van deze korte reactie zou ik het hier even bij willen laten. Nadere informatie is te vinden op mijn website http://thomascool.eu, en in mijn boeken "Trias Politica & Centraal Planbureau" (Samuel van Houten Genootschap 1994), "De ontketende kiezer" (met journalist Hans Hulst) (Rozenberg publishers 2003), en voor wetenschappelijke economen "Definition & Reality in the General Theory of Political Economy" (SvHG 2000).

De lezer moet weten dat ik van 1982-1991 als econometrist bij het CPB werkte. De loyaliteit aan de regering houdt in, anders dan Hollanders stelt, dat men zo goed mogelijk zijn functie probeert te vervullen zoals de regering die heeft vastgesteld, in mijn geval in het ‘functie informatie formulier’ (FIF) voor de wetenschappelijk medewerker op het Centraal Planbureau. In 1990 schreef ik een concept-publicatie met als één der conclusies, ik parafraseer dit nu voor het bestek van deze reactie, dat het parlement geadviseerd kan worden het Probleem te onderzoeken middels een parlementaire enquête. Het artikel mocht van de directie – destijds onder leiding van Gerrit Zalm – intern niet besproken worden. Aldus werd de weg geblokkeerd naar publicatie van de analyse als CPB-onderzoeksmemorandum op naam van de auteur. Deze gang van zaken lijkt me censuur van de wetenschap. Sindsdien ben ik dus een wetenschapper van wie het vlaggetje op ‘protest’ staat.

Wat mij opvalt is dat deze censuur in brede kring doodgezwegen wordt. Ook de universiteiten zwijgen. Ook David Hollanders, klaarblijkelijk toch een kritisch onderzoeker aan de VU, noemt de censuur niet. De universiteiten zijn mijns inziens deel van het Probleem geworden, of waren dit misschien al. In zijn artikel verwijst Hollanders wel naar de kwestie De Kwaadsteniet bij het RIVM (gold deze kwestie echt Schiphol ?), een kwestie die relevant is maar ook beperkt van omvang, maar hij verwijst niet naar de censuur door de directie van het CPB, terwijl het daar gaat om een expliciete articulatie ten aanzien van het onderwerp van zijn betoog. Wellicht verlaat hij zich als historicus op Jacques Passenier’s "Van planning tot scanning" (Wolters-Noordhoff 1994), de historisch bedoelde maar hagiografisch uitgevallen beschrijving van een halve eeuw CPB , in welk boek de censuur ook niet genoemd wordt. Mogen we hopen dat de geschiedwetenschap ooit tot een goede geschiedschrijving komt ?

In Hollanders’ artikel krijgt hoogleraar Sweder van Wijnbergen (UvA) de rol van kritikus, met bijvoorbeeld het citaat: "de dictatuur van het CPB". Maar het zou historisch incorrect zijn om hem deze rol te gunnen. Van Wijnbergen vervult namelijk een dubbelrol. In zijn positie als secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en controleur van het CPB wees Van Wijnbergen een gesprek met me over de censuur af. Zie de brieven op het web. Hij liet dus toe dat de censuur voortduurde. Als ambtenaar begreep hij niet dat hij loyaliteit was verschuldigd aan zijn minister Annemarie Jorritsma en moest hij terecht vertrekken. Dus als ambtenaar sprak hij waar hij had moeten zwijgen, als bestuurder belemmerde hij een wetenschapper om te spreken waar een wetenschapper juist behoort te spreken. 

Waar ik als CPB-er een kritische blik probeer te bewaren ten aanzien van mijn eigen rol en instituut, nodig ik Hollanders uit om dat ook te doen ten aanzien van zijn eigen rol en eigen VU. In 1991 verzocht ik een werkgemeenschap van NWO om de censuur door de directie van het CPB te onderzoeken. Voorzitter was hoogleraar Frank den Butter (VU, WRR, voorzitter van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde). In plaats van de wetenschap te beschermen hielp Den Butter CPB-directeur Zalm – eveneens hoogleraar aan de VU – om mij ontslagen te krijgen. Den Butter schreef een brief aan Zalm waarvan de strekking niet gedragen wordt door de onderliggende feiten en ook de getuigenverklaringen die hij zelf had ingewonnen. Zie mijn website. Ik zag de kwestie nog steeds gaarne gecorrigeerd, maar niemand aan de VU doet daar iets aan. Is er met Hollanders iemand aan de VU gevonden die zich dit aantrekt ?

In dit geheel lijkt het me verstandig om de rol van de politiek adequaat te duiden. Hollanders schetst bijvoorbeeld: "Ook Bos loopt nee schuddend achter het CPB aan." Kritiek van wetenschappers op politici is in principe toegestaan, maar dient adequaat te zijn. Wetenschappers dienen politici te respecteren in hun representatieve functie ten aanzien van de volkswil, maar moeten bij de beschrijving van het functioneren van de politiek wel aan de waarheid blijven vasthouden. Hollanders’ schets van Wouter Bos laat nog ruimte voor de suggestie dat Bos in het algemeen deskundig en betrouwbaar is en hier ten aanzien van zijn houding tegenover het CPB wellicht tegen heug en meug maar toch een mogelijk valide afweging maakt. Het is echter adequater om te onderkennen dat de politieke klasse fundamenteel ondeskundig en opportunistisch kan zijn. Dat is namelijk onderdeel van het Probleem. Wanneer zou gelden dat politiek = wetenschap, dan was er geen Probleem. Maar gangbaar scheiden we ‘Sein und Sollen’, wetenschap heeft een taak ten aanzien van het Zijn, en politiek ten aanzien van het Moeten. Er kunnen wederzijdse stimulansen plaatsvinden, maar de scheiding is functioneel van aard en zeker in dat opzicht zinvol.

Aldus, voor een goed begrip van de situatie is Bos dus niet alleen te karakteriseren in zijn relatie tot slechts het CPB maar ruimer. Zo kan vastgesteld worden dat Bos als staatssecretaris van Financiën een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven ten aanzien van het "Belastingplan 21e eeuw". Ook is het opmerkelijk dat toen zijn politiek leider Ad Melkert Pim Fortuyn demoniseerde, Bos Fortuyn niet in bescherming nam; terwijl Bos na het vertrek van Melkert wel aan de kritiek meedeed terwijl hij nu ook een deel van Fortuyn’s agenda overneemt. Hollanders’ beschrijving van Bos als een reluctant fellow-traveller van "het CPB" (de directie, de collega’s ?) lijkt me te oppervlakkig ten opzichte van Bos’ getoonde ondeskundigheid en opportunisme. Bos is ook maar een voorbeeld. Een adequate beschrijving van het politieke proces is gewenst om duidelijk te krijgen hoe het genoemde Probleem ontstaat. Bij genoemde karakteristieken van het politieke proces is duidelijker dat een andere structuur nodig is om de wetenschappelijke functie van informatie en advies te beschermen, opdat de democratie ook werkelijk ten dienste staat aan de kiezers en niet langer aan de politieke kaste zelf.

Hopelijk wil David Hollanders deze gegevens als historicus en collega-econometrist verifiëren en kunnen we ten aanzien van de juiste diagnose en therapie tot een consensus komen zoals het wetenschappers betaamt en zoals Jan Tinbergen dit graag gezien had.
 

Thomas Colignatus / Thomas Cool
6 maart 2004, Econometrist te Scheveningen
http://thomascool.eu



Aangeboden aan de redactie van De Groene Amsterdammer