Aan de NRC redactie
Brievenrubriek
Rotterdam

 

 

 

11 augustus 1995

 

 

 

Geachte redactie,

 

Wellicht wilt u bijgaande reactie plaatsen:

 

PvdA

 

Mark Kranenburg schrijft op 10/8/95 over "een beslissend nieuw politiek seizoen" dat de PvdA mogelijk staat te wachten. Want: "er is Kok, maar is er eigenlijk nog wel een Partij van de Arbeid ?"

Kranenburg is een van de betere journalisten, en in dit geval zie ik ruimte voor nadere aanvulling. Ik schrijf het navolgende tegen de achtergrond van een PvdA-lidmaatschap van 1974-1991.

In 1990 mocht ik mijn analyse ten aanzien van de werkloosheid niet bij het "wetenschappelijk bureau" presenteren, terwijl ik toch een erkend goed econometrist ben. In 1991, toen de WAO-zomer uitbrak en ik dus in belangrijke mate gelijk kreeg, heb ik me, toen voorzitter Marjanne Sint vertrok, met dat alternatief plan voor werkloosheid en WAO kandidaat gesteld voor het voorzitterschap van de PvdA. Toen deze kandidatuur door het toenmalige partijbestuur verkeerd werd behandeld, heb ik mijn lidmaatschap in alle redelijkheid moeten beeindigen.

Mark Kranenburg kiest voor een iets te gemakkelijke reden waarom de PvdA nu in de problemen verkeert. Hij stelt:

Dit verschijnsel van "ontgoocheling" bij misleide kiezers speelt zeker een rol maar is niet het belangrijkste. De voornaamste oorzaak vind je wanneer je helder voor ogen hebt waar het om gaat in moderne democratische politiek. In het landspolitiek gaat het vooral om goed bestuur, en in de partijpolitiek zou de nadruk moeten liggen bij openheid en goede omgangsvormen. Op beide punten faalt de PvdA-top al langer dan een decennium. Genuanceerde maar kritische geluiden waren vroeger zeker wel eens te horen, maar kregen onvoldoende ruimte. De PvdA-politici die die ruimte destijds niet gaven, nemen nu sleutelposities in, maar zullen niet licht erkennen dat zij destijds cruciale fouten gemaakt hebben. Men moet dan inderdaad denken aan Kok, Pronk, Vermeend, Melkert. Ook Rick van der Ploeg heeft in het voorportaal van zijn huidige kamerlidmaatschap een bedenkelijke rol gespeeld.

De grootste fout is het niet-luisteren, en het innemen van die "ferme standpunten" in het zicht van de voorspelbare "ontgoocheling" van de achterban. Dergelijke standpuntbepalingen hebben dan toch vooral de eigen politieke positie gediend. Deze politici zullen zeker niet vrijwillig terugtreden ten gunste van anderen die het toen reeds beter zagen. Het is een oud mechanisme. Politici die slecht tegen discussie kunnen, krijgen de kans later krachtige figuren te lijken, alleen omdat zij het tegenspel eerder weggejaagd hebben.

Kranenburg schrijft tevens:

Ik zie voortdurend om me heen dat Nederland barst van het talent, en in tegenstelling tot Kranenburg lijkt interne openheid mij van grote betekenis voor een electorale betekenis naar buiten. De wens van Jacques heeft vervolgens pas serieuze betekenis wanneer hij excuses aanbiedt aan de mensen die verkeerd zijn behandeld en wanneer hij zich inspant om het weer goed te maken. Hij kan hier denken aan prof. C. Schuyt en vele anderen.

Ik gewaag niet zomaar van excuses. Er is immers sprake van een onfatsoenlijkheid, kiezersbedrog, oneerlijkheid, een moreel failliet. Ingewijden weten dat het faillissement nog groter is dan wat tot nu toe in de media is gekomen - zie immers het bovengestelde over een Partij van de "Arbeid" die zich afsluit voor een discussie over de werkloosheid.

De huidige PvdA-top wordt nog politiek overeind gehouden door een electoraat dat gegijzeld is door gebrek aan alternatief, en bovendien door een wat bijzondere gang van zaken bij het CDA. Dat de PvdA nog een beetje functioneert, moet echter niet afleiden van het gebrek aan basis.

Vanzelfsprekend zijn niet alle PvdA-ers slechte mensen. Ook bijvoorbeeld Wim Kok zou nog tot inkeer kunnen komen; hij heeft tenminste al voldoende vaak aan aftreden gedacht. De enige manier om goed uit deze situatie te komen is vast te houden aan minimale omgangsvormen.

Dat, bijvoorbeeld, het "vernieuwingsproces" onder leiding van Rottenberg en Vreeman niet deze basis van fundamentele omgangsvormen heeft, maakt die onderneming bij voorbaat kansloos, en het geeft aan dat er andere politieke bedoelingen bestaan dan het scheppen van een krachtige open democratische en sociaal-voelende partij.

Natuurlijk kan het zwak klinken om van mijn kant, als ‘mislukt voorzitterskandidaat’, te zeggen dat excuses nodig zouden zijn om weer redelijk met elkaar in gesprek te komen, en om Wallages "openheid" meer dan propaganda te laten zijn. Het hangt van het moreel gehalte van de natie af hoe zwak mijn positie werkelijk gevonden wordt. Ik hoop dat men begrijpt dat ik hier niet een morele kruisvaarder ben en dat men doorziet dat ik als politicus bewust een zuivere relatie met kiezers wil houden.

Bij kwesties als Indonesië en Suriname zien we hoe belangrijk de fundamentele omgangsvormen zijn, en mijn indruk is dat de Nederlandse politiek nu een vergelijkbaar probleem heeft.

Misschien mag ik afsluiten met deze opmerking: Wanneer het interne proces van de huidige politieke partijen minder open zou zijn dan gewenst, dan is dat gewoonlijk bewust gewild, en dan krijgt de journalistiek een grotere verantwoordelijkheid om juist dat gebrek aan openheid te beschrijven.
 

Met vriendelijke groet,

 

 

Thomas Cool

 

Bijlage: artikel uit MUG