Flexibiliteit als Fata Morgana

 

 

“Flexibiliteit” is al bijna 10 jaar het sleutelwoord. Het sijpelde langzaam vanuit de High Brow internationale economische literatuur via de achterkamertjes van de hogere politiek door naar de realiteit van de werkplek. Loonmatiging, tijdelijke aanstellingen, uitzendwerk, oproepkrachten, contractresearch, en noem maar op, iedereen heeft er tegenwoordig mee te maken. 

Waar is het allemaal goed voor ? En is het wel goed ? Ik hoop deze twee vragen in twee pagina’s goed te kunnen wegzetten. 

Waar is het goed voor ? Laten we hier de theorie aanstippen zoals die in de High Brow internationale economie breed geaccepteerd wordt. De gedachte is dat ieder economisch stelsel een ‘evenwichtswerkloosheid’ heeft die bepaald wordt door de eigenschappen van het systeem. De hoogte van de evenwichtswerkloosheid wordt afgeleid van de inflatoire druk. Is de werkloosheid laag, dan kunnen werknemers gemakkelijker looneisen stellen, en neemt de inflatie toe. Is de werkloosheid hoog, dan zullen werknemers hun looneisen matigen, en neemt de inflatie af. Dit is wat mechanisch gesteld, maar is als denkschema voor deze pagina’s acceptabel. Sommige systemen hebben door hun eigenschappen een hoge evenwichtswerkloosheid, andere hebben een lagere. Kijk bijvoorbeeld naar het verschil tussen Amerika en Europa. De Amerikaanse werkloosheid nadert de 5%, de Europese is hoger dan 10% - en dan rekenen we nog niet goed met de verborgen werkloosheid. Het verschil wordt volgens de theorie dan verklaard door - raad eens - de flexibiliteit. De Amerikaanse economie en arbeidsmarkt worden flexibeler geacht dan de Europese. Werkgevers in Amerika die bij 5% werkloosheid geconfronteerd worden met hogere looneisen van hun werknemers, kunnen blijkbaar toch nog alternatieven vinden om niet aan die eisen te hoeven toegeven. Werkgevers in Europa zouden dat wel moeten doen, omdat er in Europa blijkbaar weinig alternatieven bestaan. 

Economen spreken zich hier niet uit over het welbevinden van mensen. Tegenover de kosten van de Amerikaanse flexibiliteit staat het voordeel van een lagere werkloosheid. De hogere werkloosheid in Europa heeft het voordeel van - positief gezegd - meer zekerheid voor de gewone werknemer. Het is een maatschappelijke keuze welke aspecten van zekerheid men accepteert bij welk niveau van werkloosheid (voor welke personen). 

Tot zover de theorie. De praktijk is wat weerbarstiger. Hoe meet je ‘flexibiliteit’ precies ? Theeuwes (1) heeft vorig jaar de advocaat van de duivel gespeeld, en bevonden dat de de Nederlandse arbeidsmarkt heel goed als flexibel is te beschrijven. Vaak wordt in andere Europese landen met jaloezie gekeken naar het hoge percentage deeltijd in Nederland. Onze overlegeconomie lijkt ‘star’ maar blijkt in de praktijk een goed middel om in consensus een bocht te maken wanneer dat echt nodig is. 

Mensen die mijn werk een beetje hebben gevolgd (2), weten dat ik over het vraagstuk van de flexibilisering iets anders denk. Ik ben het in hoofdzaak eens met de gangbare economische analyse. Maar ik denk dat de oorzaak voor de problemen op het terrein van de werkloosheid en inflatie gezocht moeten worden in het belastingbeleid. 

In het OESO gebied worden de belastingtarieven aangepast voor de inflatie. Dat gebeurt ook met de heffingvrije voet, terwijl echter het bestaansminimum stijgt met de algemene welvaart. In de jaren zestig en zeventig kregen de laagstbetaalden zo al een hoger risico van werkloosheid, terwijl de hogere inkomens gewoon hoge looneisen konden blijven stellen. Onder internationale invloed van Reagan nam de progressieve inkomstenbelasting daarnaast autonoom in belang af en werd ook de BTW meer gebruikt. Door dit beleid sloeg de belastingstructuur uit het lood. Er was een grote verhoging van de lasten aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In Amerika steeg de armoe. In Europa, om een redelijk bestaansminimum te handhaven en toch die extra last te kunnen dragen, stegen de minimumlonen. Dit laatste maakte velen werkloos. 

Dat volledige werkgelegenheid onder prijsstabiliteit haalbaar is, blijkt niet alleen uit de jaren vijftig maar ook uit het CPB-scenario met het basis “inkomen” (de studie Nederland in drievoud). Dit scenario werkt vooral, omdat de basisuitkering een subsidie is die compenseert voor ten onrechte geheven belastingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Voor mensen die met werken al in het eigen bestaan kunnen voorzien, betekent die “uitkering” niet anders dan het verhogen van de voet. Je hoeft dus geen basisuitkering in te voeren om het werkgelegenheidseffect te zien. Alleen voor anderen heeft de basisuitkering betekenis. De maatregel is echter duur door de personen die alleen in de huishouding werkzaam zijn, en hij is niet evident efficiënter voor de uitvoering van de sociale zekerheid. Aldus, op grond van de jaren vijftig, en op grond van dit soort studies en overwegingen, lijkt het alleszins reëel dat vooral belastingen van invloed zijn op de macro-economische ‘flexibiliteit’. 

Dit betekent ook dat het huidige beleid van de Nederlandse regering op een dwaalspoor zit. Het huidige belastingbeleid veroorzaakt de werkloosheid, en, om de werkloosheid terug te dringen gaat men de bestaanszekerheid van de burgers verminderen. 

Laat ik als voorbeeld een wat langer citaat uit de Sociale Nota geven:
 

    “Cruciaal voor de voortzetting van de gunstige trend in de werkgelegenheidsgroei is een versterking van ons concurrentievermogen. Een goede concurrentiepositie bevordert de arbeidsparticipatie. Omgekeerd draagt een hogere arbeidsparticipatie bij aan versterking van de concurrentiepositie. De sanering van de overheidsfinanciën heeft een goede basis gelegd voor de verbetering van de arbeidsparticipatie en de concurrentiepositie. Daaraan hebben de teruglopende kosten van de sociale zekerheid ook bijgedragen, evenals het rechtvaardige inkomensbeleid, de balans tussen flexibiliteit en zekerheid, de zorg voor de arbeidsomstandigheden, en, cruciaal, de goede arbeidsverhoudingen. Een versterking van onze concurrentiepositie vraagt om voortzetting van het beleid van beheerste loonkostenontwikkeling. Maar dat is niet voldoende. Evenzeer is een kwaliteitsimpuls nodig via investeringen in infrastructuur, kennis en innovatie. (...) Flexibiliteit van werknemers en werkgevers in onontbeerlijk doordat omstandigheden voortdurend wijzigen en de internationale concurrentie toeneemt.” (3)
Mijn conclusie is: De Sociale Nota sluit goed aan bij de internationale economische literatuur die nogal naief uitspraken doet over ‘flexibiliteit’. Maar de Nota is op een dwaalspoor ten aanzien van de werkelijke oorzaken van welvaart en werkgelegenheid. De ‘flexibiliteit’ die nagejaagd wordt is zodoende eigenlijk een fata morgana - en voor vele burgers mogelijk ook een nachtmerrie.
 

11 oktober 1996, Thomas Cool, Http://www.can.nl/~cool 

LEF, blad van de JOVD, no 51
 

REFERENTIES 

(1) J.J.M. Theeuwes, “Beweeglijk werk”, ESB 20/27 december 1995, p1152-1154 

(2) Thomas Cool, “Trias Politica & Centraal Planbureau”, Samuel van Houten Genootschap 1994; “Belastingstructuur, inflatie en werkloosheid”, in CBS/NAD, “De Nederlandse ArbeidsmarktDag 1995”, CBS 1996 

(3) Ministerie van SZW, “Sociale Note 1997”, SDU 1996, p2-3