Blinde vlek in werk en welvaart

Laagproductieve medewerkers moeten worden vrijgesteld van belastingen en premies

 

 

Stel dat iemand u zou vertellen dat er een manier is om zowel de belastingen te verlagen als om volledige werkgelegenheid te herstellen. Een besparing van grofweg duizend gulden per Nederlander, kinderen meegerekend. Werk voor vrouwen en minderheden in plaats van een frustrerende afhankelijkheid en ledigheid. Werklozen en de meeste WAO-ers wederom fluitend aan de slag, achter loketten, in winkels, in taxis, als SRV-er voor de bejaarden, als concierge en klusjespersoon, bij de opruiming van milieuschade, en noem maar op. Stel dat iemand u dit zei. Zou u het geloven ? Waarschijnlijk niet. Weinigen zouden de gedachte serieus nemen. En toch bestond volledige werkgelegenheid van 1950 tot 1970 in vrijwel de gehele westerse wereld. En bestaat het nog steeds in Japan en Zweden.

Wat is er de afgelopen twintig jaar misgegaan ? 

In dit korte stukje kunnen we slechts het cruciale verschil tussen 1950-1970 en 1970-1990 beknopt beschrijven. 

De sleutel tot herstel van volledige werkgelegenheid is dat men laagproductieve werknemers moet vrijstellen van belastingen en premies. Dit betekent een minimumloon ter hoogte van het bestaansminimum, met nauwelijks verschil tussen bruto en netto. Voor WAO-ers betekent dit het permanente behoud van een deel van de uitkering, als subsidie ter compensatie voor het verlies aan productiviteit. 

Wat wij voorstellen bestond ook al in de jaren vijftig, maar nu niet meer. Er is iets heel vreemds in de boekhouding van Nederland. Je mag het ook Zwarte Pieten noemen, tussen het Ministerie van Financien, de Sociale Fondsen en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Terwijl een toenemend deel van het nationaal inkomen via de Fondsen verdeeld wordt, heffen de Fondsen hun premies zonder zich blijkbaar zorgen te maken over werkloosheid. En het Ministerie van Financien past de belastingvrije voet jaarlijks aan voor alleen de inflatie. Een lage vrijstelling betekent dat je bruto meer moet verdienen om netto bij te blijven. SZW wil dat mensen netto ook nog de welvaartsstijging krijgen. SZW verhoogt 'dus' het wettelijk minimumloon. Geen wonder dat na veertig jaar dit minimumloon zo hoog is, d.w.z. zo zwaar met belastingen en premies belast is, dat velen werkloos zijn. (En om werkloosheid te vermijden, hebben we velen naar de WAO gesluisd.) 

Een minimumloner kost zijn werkgever op dit moment ongeveer f 17,50 per uur, en houdt daar zelf netto slechts f 10,00 aan over. Welbeschouwd is de keuze tussen ofwel mensen werkloos houden zolang ze niet f 17,50 per uur kunnen inbrengen, ofwel de belastingen en premies op dat niveau dan maar te schrappen - en deze mensen dan maar voor die f 10,00 te laten werken zodat bruto en netto gelijk zijn. 

Wij kiezen voor de laatste optie. Volgens economisch onderzoek zal dit 400 tot 600 duizend banen opleveren. 

Het is onverstandig ervan uit te gaan dat laagproductieven meer kosten dan ze kunnen opbrengen. Tevens, indien minima vrijgesteld zijn van heffingen, en minima worden gekoppeld aan de algemene welvaartsontwikkeling, dan moet ook de heffingvrije voet gekoppeld worden aan de algemene welvaart. 

Het overheidsbestuur faalt niet alleen in Nederland, maar in de gehele westerse wereld. De blinde vlek bij belastingdeskundigen is internationaal. Na veel discussie heeft men besloten dat wanneer inkomens onderworpen zijn aan inflatie, dat dan de belastingen onderworpen moeten worden aan een inflatiecorrectie. Maar verder is de beleidsconsensus nog niet. (De arbeidsmarkt is natuurlijk een moeilijk onderwerp voor belastingdeskundigen; en andersom.) 

In de loop van 40 jaar is het hele loongebouw uit het lood geslagen. Herstel vereist aanpassing niet alleen van CAO-schalen maar ook van bruto uitkeringen. Dit is een complex probleem, beladen met belangen. Bij het herstelproces kunnen de vakverbonden van werkgevers en werknemers dus niet gemist worden. Ons voorstel is een sociaal contract van de betrokken partijen. Met enige souplesse valt de overgang binnen vijf jaar te maken. Enig geduld en studie moet men wel opbrengen, want een scheefgroei van 40 jaar maakt men niet zomaar ongedaan. 

Een overgangsmaatregel is het gebruik van loonkostensubsidies. Men kan bijv. de helft van een uitkering omzetten in een  voucher. Zo'n subsidie is gerechtvaardigd vanuit het herstelproces. Een voucher vermijdt de bureaucratische rompslomp waar werkgevers terecht zo'n hekel aan hebben. 

In de politiek is op dit moment echter helaas sprake van een conflict over deze thema's. De PvdA wil de koppelingen van lonen en uitkeringen herstellen, en dus ook een hoger minimumloon. Maar willen de koppelingen binnen het regeeraccoord vallen, dan zijn ze alleen betaalbaar bij toenemende werkgelegenheid. Dat vereist juist fors lagere (minimum-) loonkosten. Het CDA kiest tussenposities. Een forse verlaging van de minimumloonkosten lijkt het CDA te radicaal, en als een gematigde bestuurlijke oplossing is er een voorkeur voor  bevriezing van het minimumloon. Dit heeft tot gevolg dat de netto-koppeling maar ten dele te handhaven zal zijn. 

We hebben hier een oplossing aangeven die eigenlijk voor iedereen aanlokkelijk zou moeten zijn. Het zou jammer zijn wanneer de nuchtere analyse bedolven raakt onder politiek geweld. De doelstellingen van volledige werkgelegenheid en redelijke inkomensverhoudingen zijn hiervoor te waardevol.
 

Thomas Cool en Hans Droppert, 13 juni 1992, gepubliceerd Intermediair 3 juli 1992 (bewerking de redactie)
 

Thomas Cool was wetenschappelijk medewerker van het Centraal Planbureau, en werkt momenteel aan zijn proefschrift.
Hans Droppert is als econoom werkzaam geweest bij AKZO en is nu regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening.