Onvoldoende aandacht Zalm en Vermeend voor rol belastingvrije voet

Een pleidooi voor meer onderzoek

 

 

Onlangs legden minister Zalm (VVD) en staatssecretaris Vermeend (PvdA) namens het kabinet hun ‘belastingplan voor de 21e eeuw’ voor aan het parlement. Hoewel dit plan meerdere opties kent, en wat de vormgeving betreft geen voorkeur uitspreekt, begint zich in het politieke debat zo’n voorkeur af te tekenen. Deze zou dan uitgaan naar de invoering van een ‘heffingskorting’ naar Amerikaans voorbeeld, waardoor de belastingvrije voet dus uit ons belastingstelsel zou verdwijnen. Wij achten dit een zorgelijke ontwikkeling.

Ondergetekenden zijn ervan overtuigd dat een hoge belastingvrije voet een belangrijk onderdeel kan zijn van een rechtvaardig belastingstelsel. Daarnaast is er het economisch principe dat wie door belastingen te duur wordt gemaakt, minder snel werk vindt. Een hoge belastingvrije voet is in economische zin dus een tweesnijdend zwaard. Dit is een belangrijk inzicht dat, wonderlijk genoeg, telkens weer in de vergetelheid raakt.

Een analogie die de Nederlandse econoom Cohen Stuart eind vorige eeuw gebruikte kan het voorgaande wellicht verhelderen. Cohen Stuart gebruikte het voorbeeld dat een brug pas belast kan worden wanneer die zijn eigen gewicht kan dragen. En zo is het ook met mensen aan de onderkant van het loongebouw die toch vooral eerst zichzelf moeten kunnen verzorgen voordat de fiscus op de deur klopt. In de jaren vijftig was deze situatie bij benadering bereikt en lag de belastingvrije voet ongeveer op het niveau van het bestaansminimum. Maar waar de belastingtarieven sindsdien werden aangepast voor de inflatie, heeft de voet de ontwikkeling van de welvaart niet bijgehouden. De overheid heeft verzuimd hier een consistent beleid te voeren.

Jan Pen en Jan Tinbergen schreven in 1977 over de voet: "In de eerste plaats is het volstrekt strijdig met de rechtvaardigheid, dat inkomens beneden de welstandsgrens worden belast. De Nederlandse IB (inkomstenbelasting) treedt reeds in werking bij iemand die een Bijstandsuitkering ontvangt (al wordt deze belasting in de praktijk doorgaans niet geïnd). Dit is natuurlijk een verkeerd beginsel en zelfs een heffing over het minimumlooninkomen lijkt ons onjuist. Dat wil zeggen, dat de zogenaamde belastingvrije som behoort te worden opgetrokken. Om de gedachten te bepalen: tot een bedrag dat het minimumloon met bijvoorbeeld 20% overschrijdt, en dus voor 1976 in de buurt van de f 20.000,- ligt." ("Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling", Elsevier 1977, pagina 188.)

Waar Pen en Tinbergen in 1977 meenden dat een hoge belastingvrije voet gepaard kon gaan met hoge kosten, wees een medewerker van het Centraal Planbureau, de econometrist Thomas Cool, er op dat er zich beneden het bruto minimumloon een belastingvacuüm bevindt, dat het mogelijk maakt om tegen geringe kosten belastingen kwijt te schelden, of de voet te verhogen, en zo een substantieel werkgelegenheidseffect te bereiken. Dit belastingvacuüm bestaat eruit dat beneden het bruto minimumloon weliswaar officieel belastingen worden geheven maar niet binnenkomen omdat men beneden het minimumloon niet mag werken. De journalisten Hans Hulst en Auke Hulst schreven deze gedachtengang neer in het begin dit jaar verschenen boek "Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt", Thesis Publishers 1998. 

Het ‘belastingplan van de 21e eeuw’ besteedt, in enkele bijlagen waaraan het CPB heeft meegewerkt, aandacht aan een aantal varianten ten aanzien van de belastingvrije voet. In deze varianten wordt de belastingvrije voet behandeld als een gewone aftrekpost, en dus niet als Cohen Stuart’s, op het draagkrachtsbeginsel gebaseerde, belastingdrempel. Een aantal relevante beleidsvarianten zijn aldus over het hoofd gezien, en er bestaat nu het gevaar dat met overhaaste besluitvorming het kind met het badwater wordt weggegooid.

Het voorgaande verduidelijkt dat meer onderzoek naar de fundamentele rol van de belastingvrije voet gewenst is. Voordat het Nederlandse belastingstelsel ingrijpend veranderd wordt, een proces dat tijdens de formatiebesprekingen reeds haar beslag kan krijgen, en voordat het draagkrachtbeginsel definitief verlaten wordt, zou men er verstandig aan doen om de hier genoemde argumenten en overwegingen nader te onderzoeken. Opdat te zijner tijd een zorgvuldige besluitvorming gegarandeerd is.

 
16 april 1998 

drs. Th. Cool, econometrist
drs. A. J. Droppert, econoom
A.A. Hulst, schrijver
H.C. Hulst, journalist
dr. J.H.Th. de Jong, econoom 
drs. F. Kromhout, politicoloog
prof. mr. R.V. De Mulder, hoogleraar informatica en recht
E.S.H. van Stappershoef, voorzitter Samuel van Houten Genootschap
dr. A. ter Veer, econoom