Minimumloon kan met gemak een stuk omlaag

 

Thomas Cool en Hans Droppert, de Volkskrant 24 april 1992

 

 

Een verlaging van de minimumloonkosten kan wel degelijk tot een belangrijke groei van het aantal banen leiden. De verlaging kan worden bereikt door geen belastingen en premies meer te heffen. Voor de schatkist hoeft dat geen gevolgen te hebben.

 

1

In veel artikelen is de laatste tijd gesteld dat het geen zin zou hebben de kosten van het minimumloon te verlagen. Een verbetering van de werkgelegenheid zou dit niet of nauwelijks tot gevolg hebben. Tegelijkertijd wordt dan wel gesuggereerd dat een betere scholing en bemiddeling - de aanbodkant van de arbeidsmarkt - wel tot meer werkgelegenheid zou leiden.

Zonder de noodzaak van een verbetering van de aanbodkant van de arbeidsmarkt te ontkennen, is het duidelijk dat dit geen groot effect op de totale werkgelegenheid heeft. Mensen sneller bemiddelen leidt hoogstens tot een andere (eerlijker) verdeling van de werkloosheid en een beter uitgangspositie voor economische groei. Het leidt echter zeker niet tot de ongeveer één miljoen banen die noodzakelijk zijn om de werkloosheids- en WAO-problematiek op te lossen.

De economische theorie leert dat verlaging van loonkosten banen oplevert, als deze verlaging niet leidt tot vermindering van de effectieve vraag (de totale bestedingen). Het is echter niet geheel zeker hoeveel banen er bijkomen bij een bepaalde verlaging. Het moet gaan om een wezenlijke vermindering van de loonkosten, wil het een groot effect op de werkgelegenheid hebben.

In allerlei economische studies wordt gesproken over een verbetering van de werkgelegenheid van 1 tot 3 procent bij een verlaging van het minimumloon met 10 procent. Een verlaging van het minimumloon met 40 procent zou dan 4-12 procent werkgelegenheidsgroei, dat wil zeggen tussen de tweehonderdduizend en zeshonderdduizend banen opleveren. Gezien de omvang van de kostenreductie verwachten wij dat het dichter bij de zeshonderdduizend dan bij de tweehonderdduizend zal liggen.

De hoge loonkosten hebben geleid tot uitstoot van werkgelegenheid. Met name het laaggekwalificeerde werk is uit de markt geprijsd. De reden daarvoor is simpel: een ondernemer zal slechts een baan creëren als de opbrengst groter is dan de kosten. Een minimumloon van circa 16,50 gulden per uur is voor veel particulieren en kleinere bedrijven te hoog.

Het verdwijnen van de laaggekwalificeerde banen leidt verder tot een toename van de werkdruk (vermindering van de ondersteunende werkzaamheden) en daardoor tot een toename van het aantal WAO'ers en andere uitkeringstrekkers. Het is geen wonder dat de productiviteit per werkende in Nederland het hoogst is, maar ook het aantal arbeidsongeschikten.

 

2

Er zijn veel argumenten aangevoerd tegen de verlaging van het minimumloon:

  • "Het werkt niet, omdat de meeste CAO's zelfs boven het minimumloon betalen."

  • Dit argument klopt niet. Vanzelfsprekend is een paar paar procent meer betalen niet echt relevant voor bedrijven, als daarmee arbeidsrust kan worden gekocht. De verlaging van het minimumloon moet echter om effect te hebben wel gepaard gaan met een verlaging van het gehele loongebouw.
  • "Het werkt niet, omdat er knelpunten zijn op de arbeidsmarkt."

  • De meeste echte knelpunten hebben echter geen betrekking op de laagste inkomens. En daar waar dat wel het geval is (winkelmeisjes en dergelijke) zien we dat het knelpunt ontstaat doordat volwassenen te hoge lonen krijgen in vergelijking met jongeren. Vanzelfsprekend is de belangstelling om te gaan werken niet erg groot als de inkomenstoename in vergelijking met de uitkering gering is. Dat betekent dat er een straffer sanctiebeleid en een doeltreffender arbeidsvoorzieningsbeleid moet worden gevoerd.
  • "Het werkt niet, omdat de ervaring van een relatieve verlaging van het minimumloon gedurende de laatste jaren dit aangeeft."

  • De ervaring van de laatste jaren heeft slechts betrekking op geringe aanpassingen van het minimumloon. De effecten daarvan op de werkgelegenheid zijn moeilijk van andere factoren te onderscheiden.
  • "Het minimumloon in Nederland is niet hoger dan in andere landen."

  • Dit geldt misschien voor de nettolonen, maar zeker niet voor de loonkosten (inclusief werknemers- en werkgeverslasten). Bovendien is juist in Nederland een hoge werkloosheid ontstaan als gevolg van een relatief hoge groei van de beroepsbevolking.
  • "Het minimumloon geeft alleen banen van het laagste niveau en er zijn ook banen nodig van een hoger niveau."

  • De meeste uitkeringsgerechtigden zijn echter te vinden in het segment van de laagste banen. Het is met name in die segmenten dat de arbeidsparticipatie in Nederland extreem laag is.
  • "Het minimumloon is toch een rechtvaardig inkomen voor dit type werkzaamheden."

  • De economie heeft echter weinig op met rechtvaardigheid, slechts met schaarste. Het is ook niet de vraag of het nettoinkomen verlaagd moet worden, eerder de kosten van het minimumloon.

3

De kosten van het minimumloon voor de werkgever bedragen 16,50 gulden per uur. De netto verdiensten voor de werknemer zijn echter maar 9 gulden per uur. Het verschil van meer dan 40 procent wordt als belasting en premie geheven door de overheid. Het is juist de overheid die het minimumloon zo sterk heeft heeft opgedreven. Indien we geen belastingen en premies zouden heffen over het minimumloon, zou er een verlaging met meer dan 40 procent optreden en dat zou dus een fors werkgelegenheidseffect hebben.

Er zijn voldoende nevenargumenten om geen belastingen en premies voor de laagste inkomens te heffen. We noemen er een aantal:

  • In het begin van de jaren vijftig was de belastingvrije voet gelijk aan het toen vigerende minimumloon. De belastingvrije voet is echter niet welvaartsvast gemaakt. Was dat wel het geval dan was hij nu nog steeds even hoog als het minimumloon.
  • De hoogte van de premies die over de laagste inkomens worden geheven, staat niet in verhouding tot het bijbehorende recht op uitkering. Immers, indien men niet verzekerd zou zijn, zou men recht hebben op bijstand, wat in de meeste gevallen nauwelijks een slechtere positie geeft.
  • Het heeft weinig zin om belastingen en premies op het minimuminkomen te heffen. Ze maken arbeid slechts duurder, waardoor de werkgelegenheid afneemt en de opbrengsten dus aan uitkeringen moeten worden besteed.

4

Argumenten zijn er dus wel. Echter de vraag die onmiddellijk zal rijzen, is of de overheid het zich wel kan permitteren om de belastingen en premies zo fors te verlagen. Rijst op die manier het financieringstekort niet de pan uit ?

Laten we eens een voorbeeld nemen. Indien de belasting en premievrije voet wordt opgetrokken van 4500 gulden naar 17.000 gulden, kost dat de overheid 7 miljoen (aantal belastingbetalers) maal 12.500 gulden (17.000-4500) maal een derde (belasting en premies). Dat is dus 29 miljard. Dit moet nog worden vermeerderd met de werkgeverslasten van rond 21 miljard. Totale kosten voor de overheid 50 miljard.

Een deel hiervan kan natuurlijk worden terugverdiend door het marginale belastingtarief te verhogen. Als de eerste schijf naar 50 procent gaat en de rest op 60 procent wordt gezet, levert dit 30-35 miljard op.

Let wel: verhoging van het marginale tarief betekent geen verhoging van het absolute bedrag aan belastingen. Die gaan zelfs nog omlaag voor alle loongroepen !

Daarnaast zijn er opbrengsten doordat de overheid de brutolonen van de ambtenaren en trendvolgers kan verlagen (zonder aantasting van de nettolonen). Na eliminatie van dubbeltellingen bedraagt het effect naar schatting 5-10 miljard.

Tenslotte is onze verwachting dat de verlaging van de minimumloonkosten tot in het ongunstigste geval tweehonderdduizend en in een meer reëel geval zeshonderdduizend banen zal leiden. Er hoeft dan minder aan sociale uitkeringen te worden betaald. Dit betekent een inverdieneffect van 5-10 miljard.

Zo zien we dat op deze wijze de vermindering van de overheidsinkomsten vrijwel wordt gecompenseerd door de vermindering van de uitgaven. Hierbij hebben we dan nog niet eens gerekend met een toename van de productie ten gevolge van al die banen.

Vanzelfsprekend kan een dergelijke effect ook op andere manieren worden bereikt. Een alternatief wat op kortere termijn effect kan hebben, is bijvoorbeeld de invoering van loonkostensubsidies voor langdurig werklozen. De bureaucratie, waar werkgevers zo'n hekel aan hebben, kan worden verminderd door een deel van de uitkering om te zetten in een voucher.

 

5

Welke wijze van uitkering ook wordt gekozen, het is noodzakelijk dat er een sociaal contract tussen overheid en sociale partners aan ten grondslag ligt. Het verlagen van de minimum loonkosten heeft namelijk geen zin als de CAO's, pensioenregelingen en dergelijke alle in bruto bedragen zijn gesteld en de verlaging van de belastingen en premies dus geen doorwerking heeft in een groot deel van de inkomens.

De inhoud van een dergelijk contract moet bestaan uit afspraken over het aanpassen van CAO's en sociale verzekeringen. Verder moeten afspraken worden gemaakt over een arbeidsmarktbeleid, dat de knelpunten weg kan nemen en een sactiebeleid van de overheid en de sociale verzekeringsinstanties. We pleiten voor een meerjarenafspraak, waarbij in stappen tot een verlaging van de loonkosten kan worden gekomen.

 

6

Als de problemen zo eenvoudig zijn op te lossen, waarom gebeurt dit dan niet ? Waarom worden er tendentieuze discussies gevoerd en waarom wordt de schuld van de werkloosheid bij de werkloze en van de arbeidsongeschiktheid bij de arbeidsongeschikte gelegd ?

We kunnen er alleen maar naar raden. Het zou kunnen zijn dat het de politiek aan durf ontbreekt. Misschien moet de verklaring gezocht worden in gebrek aan kennis of inzicht. Het zou ook kunnen dat groepen in de samenleving belang hebben bij hoge werkloosheid. In ieder geval moeten we constatern dat deze argumentatie met betrekking tot verlaging van de minimumloonkosten maar heel langzaam terrein wint.

 

 

Thomas Cool was tot voor kort wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau, en werkt nu aan zijn proefschrift. Hans Droppert is regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening.