Goed WAO-beleid vergt tijd





De WAO kent problemen van medische afschatting, organisatie, werkomstandigheden, en eventuele herinschakeling. Het beleid dat hier nodig is vergt tijd. Een snelle verandering roept alom weerstand op, niet alleen wegens emoties maar ook om inhoudelijke redenen.

Een goed alternatief ligt in de (gelijktijdige) aanpak van de werkloosheid. Het eigenlijke probleem bij de WAO is niet de arbeidsongeschiktheid, maar de verborgen werkloosheid. De getalsverhouding van WW'ers versus WAO'ers mag ons niet verwarren. Maatregelen ten aanzien van de WAO leiden tot toename van werkloosheid, aldus slechts tot een verschuiving waarmee niemand geholpen is. Werkgelegenheid is het eigenlijke probleem.

Door het beleid te concentreren op de geregistreerde werkloosheid wordt ervaring opgedaan ten behoeve van deze component in de WAO, terwijl kabinetswensen ten aanzien van begroting en koppeling zijn vervuld. 

De huidige werkloosheid wordt in belangrijke mate veroorzaakt door een verborgen mechanisme in de belastingwetgeving. De bruto minimumloonkosten zijn te hoog omdat de belastingvrije voet te laag is. Deze voet moge staan voor minimaal noodzakelijke kosten van levenshonderhoud. De voet wordt in de huidige methodiek aangepast voor inflatie, maar in de filosofie van de koppeling (WAM) moet dit de loonstijging zijn. Sinds de jaren vijftig is zo een achterstand van minstens tienduizend gulden opgelopen. Dit betekent dat het inkomensbeleid, dat gericht is op netto, een verkeerd (bruto) instrument gebruikt.

Een mogelijke structurele remedie is het geleidelijk verhogen van de belastingvrije voet tot het bestaansminimum, met gelijktijde verlaging van bruto uitkeringen en minimumloon (met gelijk netto) en tevens afschaffing van de voethoverheveling. Dit is te financieren uit met name het terugploegen van uitkeringen, maar ook uit de economische groei en een ietwat andere verdeling van marginale tarieven, zoals deels besloten ligt in de voorstellen van de commissie Stevens. 

Subsidies hebben een slechte naam gekregen. 'Sponsoring' klinkt beter, maar betreft hetzelfde verschijnsel. Men beseffe aldus dat subsidie een toelaatbaar instrument is, waarbij per geval te bezien is of toepassing economisch verantwoord is. De vakbeweging verzet zich tegen subsidies met het argument van verdringing. Er zal hier echter sprake zijn van het ongedaan maken van verdringing, van het 'de arbeidsmarkt weer in prijzen' van mensen die ten onrechte verdrongen zijn. Eigenlijk geven werklozen subsidie terug, omdat zij 'vrije tijd' inleveren.

Meer concurrentie is zinvol voor de loonontwikkeling. Men bedenke tevens dat bestaande langdurig werklozen het werken ontwend zijn en ervaringen missen, of dat werkgevers vooroordelen hebben over minderheden, zodat tijdelijk sowieso hogere subsidies nodig zijn dan de structurele belastinverlaging op langere termijn. 

De huidige WLOM blijkt minder effectief. Hiermee kan als volgt rekening gehouden worden. De WLOM kan uitgebreid worden met een voucher voor bestaande werklozen. Men kan naar een willekeurige werkgever stappen en een tijdelijke subsidie (de WLOM loopt tot 1994) aanbieden ter omvang van bijvoorbeeld vijftig procent van de uitkering, voor wettelijk en CAO minimumloon (eventueel aftoppen op modaal). Hogere effectiviteit van de maatregel volgt dan door de omvang van de subsidie, opneming van CAO, willekeurige selectie van de terugploeg-werkgever, en door het perspectief van belastingmaatregelen, waardoor een duurzaam werkverband mogelijk wordt.

Dit alternatief combineert efficientie en rechtvaardigheid en biedt een oplossing waarin goedwillenden eerst een redelijke kans krijgen.
 
 

Thomas Cool
 
 

De auteur is econometrist bij het Centraal Planbureau, schrijft dit artikel op persoonlijke titel, en is tevens PvdA-lid Afdeling Scheveningen

(Geplaatst in Trouw, 10 augustus 1991.)