Snapt de pers het eigenlijk wel ?

 

Het mooie van een métier is dat het prikkelt tot een beroepstrots. Een vak, een beroep, wie heeft dat niet, en wie is er niet trots op ? Vakgenoten, ook, ontkomen er niet aan om zich te rechtvaardigen en om bij tijd en wijle de piketpaaltjes in de grond te slaan. De trots moet verdedigd worden.

De journalistiek is een van de vele menselijke specialisatievormen - en kent die rechtvaardigingsdrang dus ook. De bijdrage van Derk Jan Eppink "Pers en politiek stikken in innige omhelzing" in NRC-Handelsblad van 9/5/95 past in dit kader.

De journalistiek staat onder druk van het grote geld, de wedijver met anderen om het aansprekende verhaal dat de oplage verhoogt. Men vreest de stress van het freelance bestaan, en zoekt een vaste aanstelling, om onder het genot van een kop koffie het hoofdartikel schrijven waarna men in Den Haag met egards zal worden ontvangen. En het is al te menselijk om voor de verleiding te bezwijken.

Het thema dat Eppink aansnijdt is oud. De pamflettisten van de Franse revolutie stonden bijna in dezelfde mate zelf ter discussie als de revolutie die ze verkondigden. Een ander voorbeeld is de discussie over Beaverbrook in de jaren ‘30. Ook vandaag de dag zal er beslist veel reden zijn om allerlei kwesties ter discussie te stellen en de integriteit van de journalistiek te bewaken.

De beste reactie is niet filosofische distantie maar ingaan op de gegeven argumenten.

Eppink schrijft:

    "(...) wordt in het Nederlandse debat confrontatie gemeden. De consensus staat voorop en de politiek ziet de parlementaire journalistiek als een consensusmaker. Een kritisch artikel over de president van Peru is snel gemaakt, maar een kristisch noot over een gerenommeerd politicus roept de weerwraak op van wat reeds ‘Het Haags Systeem’ is. (...) Met de minister gaat het altijd ‘prima’; de klachten komen pas als hij weg is. (...) In Den Haag is een feit pas een feit als de RVD het toegeeft, als de macht het erkent."
In Nederland is het debat dichtgetimmerd:
    "Britse journalisten reageren erg geschokt als ze over (de) ‘autorisatie-procedure’ horen."
Dat wil zeggen, in Nederland is het de gewoonte dat men een interview eerst door betrokkene laat lezen, in Engeland zou het dan de gewoonte zijn dat de journalist zelf instaat voor een correcte weergave. De Nederlandse methodiek zou de onafhankelijkheid aantasten.

Eppink ziet een oplossing in:

    "Niet het ‘relletje van de dag’ maar degelijke, onafhankelijke onderzoeksjournalistiek brengt de feiten aan het licht die regeerders en hun spreekbuizen het liefst verhullen."
Hier laat zich een verwantschap vermoeden met de analyse van Rob Meines, die bij het ontvangen van de Anne Vondeling prijs 1991 oordeelde:
    "Het adagium van de scheiding tussen nieuws en de interpretatie ervan functioneert niet meer. Willen artikelen enigermate recht doen aan de gecompliceerdheid van de hedendaagse thema’s dan zullen dat collage-artikelen moeten zijn met elementen van nieuws, van interpretatie, van analyse, van beschouwing, compleet met reportage-aspecten, sfeertekening, portretbestanddelen. Op die manier ontstaan momentopnamen van een stukje werkelijkheid, die de lezer inzicht gegven in een bepaalde gebeurtenis, waardoor hij de achtergronden van andere gebeurtenissen ook beter kan beoordelen."
Tja. 

Tja. 

Het klinkt alsof men op de goede weg is. Een beetje sfeertekening is misschien wel nuttig. Zoals ook Arjo Klamer aandacht vraagt voor het rhetorische in wetenschap, waarmee aangegeven wordt dat er grenzen kunnen zijn aan het wetenschappelijk 'objectieve'. 

Toch, een suggestie van mijn kant. Onafhankelijkheid is niet genoeg. We hebben niets aan twintig journalistieke analyses die onafhankelijk van elkaar tot stand zijn gekomen, en die dan goed zouden moeten zijn omdat zij onafhankelijk zijn. Dat kan twintig keer prut zijn. Het echte werk begint met nadenken. En je mag best in interactie met anderen staan, en de schijn van afhankelijkheid hebben, wanneer die anderen je denken kunnen helpen. Dat doen wetenschappers ook. In feite lijkt me de juiste journalistieke ethiek eigenlijk dezelfde als de wetenschappelijke te zijn: de waarheid en niets dan de waarheid. Zij het, dat de focus van de journalist de didactiek is, van 'Hoe vertel ik het aan een groot publiek ?' 

Zolang journalisten deze ethiek niet onderschrijven, snappen ze er weinig van.
 
 
 

Thomas Cool
11 februari 1998