Advies tot een parlementaire enquête

 

(1) Er bestaat een nette oplossing voor de huidige massale werkloosheid. (2) Ik protesteer tegen de breidel van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau en in diens voetsporen door de ministers van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken. (3) Ik vraag ieder om ondersteuning van mijn verzoek tot een onderzoek van de kwestie. (4) Mijn eigen advies is tot een parlementaire enquête naar de al langer dan 20 jaar voortdurende massale werkloosheid en de rol van de voorbereiding van het economisch beleid en in het bijzonder de rol van het Centraal Planbureau.
 
 

Inleiding

 

Er bestaat een nette oplossing voor de huidige massale werkloosheid. Toch wordt die oplossing niet geboden door de politieke partijen die in mei 1998 de electorale strijd aangaan. Er bestaat een symbiose tussen de Haagse politiek en het Centraal Planbureau (CPB), waardoor genoemde oplossing uit het zicht verdwijnt.

Bovenstaande alinea bevat enkele stellingen die menigeen nogal boud zal vinden. Mogelijk zijn die stellingen op het eerste gezicht inderdaad sterk, maar zij laten zich wel onderbouwen. In feite bestaat het bewijsmateriaal al voor wie er maar op wil studeren. Het grote probleem is het gebrek aan belangstelling. Sterker nog, juist de politici, die nu hun verkiezingsprogramma’s in symbiose met het CPB opgesteld hebben, moeten zich ervan bewust worden dat hier juist een probleem zit. Mijn advies is dat er een parlementaire enquête gehouden wordt naar de al langer dan 20 jaar voortdurende massale werkloosheid en de rol van de voorbereiding van het economisch beleid en in het bijzonder de rol van het Centraal Planbureau. Komt er niet zo’n enquête, dan bestaat alle kans dat de negatieve symbiose van politiek en CPB blijft voortduren en dat massale werkloosheid en armoe blijven voortbestaan.

 
 

Werk

 

Het bestaan van zo’n nette oplossing voor de werkloosheid laat zich wiskundig economisch bewijzen. Dit bewijs is voor het grote publiek natuurlijk te ingewikkeld. Maar de stelling laat zich wel op betrekkelijk eenvoudige wijze aannemelijk maken. Tabel 1 vat de redenering samen. In Europa is de werkloosheid circa 10% en in de VS 5%. Te bedenken is dat de VS ruim twee keer zo rijk per hoofd van de bevolking is dan Europa, hetgeen bijv. betekent dat de mogelijkheden tot werk in Europa nog lang niet uitgeput zijn. Tegelijk besteedt Europa veel meer geld om de armoede te bestrijden, wat minder nodig is wanneer men werk heeft. Conclusie: in Europa is er nog veel ruimte tot verbetering.

 

Tabel 1: Bewijs van het bestaan van een nette oplossing
  Europa VS
Werkloosheid 10% 5%
Geld voor armen Hoog Laag
 
 

Beleidsverstarring

 

Als het mogelijk is om de werkloosheid op een nette manier aan te pakken, en wanneer in Nederland zelfs een heel kabinet de leuze voert van ‘werk, werk en nog eens werk’, waarom gebeurt het dan niet ? Mijn verklaring hiervoor is dat er sprake is van een bepaald soort verstarring in de voorbereiding van het economisch beleid. Ook een politicus en wetenschapper als Rick van der Ploeg zit gevangen in dit web van verstarring, en helpt om dit web te spannen. Hoe dat precies zit, is natuurlijk ook weer moeilijk aan het grote publiek uit te leggen, zeker in dit korte bestek, en dat is één argument voor de keuze voor een parlementaire enquête.

 
 

Deze analyse komt vanuit het CPB

 

Deze twee gedachten, van het bestaan van een nette oplossing voor de huidige werkloosheid en van de zinvolheid van zo’n parlementaire enquête, bestaan sinds 1989/90 toen ik ruim zeven jaar bij het Centraal Planbureau in dienst was als econometrist en lid van de wetenschappelijke staf. In de loop der jaren heb ik met nogal wat buitenstaanders over deze kwestie gesproken. Het blijkt dat het begrip voor de situatie zeer gering is. De gedachten hebben tot op heden onvoldoende aandacht gekregen van politiek, ambtenaren, wetenschap, journalistiek en het grote publiek. De gedachten zijn genegeerd, ook al zijn ze voldoende, en uitvoerig, onderbouwd. Laat ik de lezer daarom waarschuwen. Een reactie tegen mijn uitvoerige onderbouwing is vaak dat men alles op één A4-tje wil; maar wanneer dat éne A4-tje gegeven wordt, dan vindt men dit weer te summier ... De reacties die ik krijg zijn nogal inconsistent. Mijn suggestie is: beheers uw ongeduld, en werk mee aan het ontstaan van genoemde parlementaire enquête. Pas die kan uw vragen goed beantwoorden.

Wie toch iets meer wil weten maak ik attent op het in januari 1998 bij Thesis Publishers in Amsterdam verschenen boek waarin de journalisten Hans en Auke Hulst mijn analyse voor het grotere publiek toegankelijk maken. Het is hier relevant om de aanbeveling te citeren van Cedric Stalpers, de hoofdredacteur van LEF (Liberté Egalité Fraternité), het blad van de JOVD, in zijn recensie:

"Dit boek is van groot belang, een absolute must voor sociaal en klassiek liberalen. Sterker nog, het behoort tot de noodzakelijke literatuur van ieder - ongeacht zijn politieke kleur - die zich met het werkgelegenheidsvraagstuk bezighoudt." Ter bevordering van het begrip heb ik onlangs ook een internet site ingericht, te vinden als:
http://thomascool.eu/Thomas/Nederlands/TPnCPB/TPnCPB.html

 
 

Historische aanleiding

 

In november 1989 schreef ik een notitie in het kader van de studie "Nederland in drievoud", waarvoor ik op dat moment het eerste ‘technische pad’ opstelde. Eind 1989 was uit de technische projecties al duidelijk dat zonder beleidswijzigingen werkloosheid en bijvoorbeeld ook WAO zouden toenemen, en dat publicatie van dergelijke resultaten op zich tot beleidswijzigingen zouden leiden. In 1991 heeft Nederland inderdaad de zgn. ‘WAO-crisis’ gekend.

In november 1989 was ook duidelijk dat de ongunstige ontwikkelingen vermeden konden worden op een wijze die past bij de economische en de sociale doelstellingen van het regeringsbeleid, en ik legde mijn bevindingen en suggesties voor nader onderzoek vast in genoemde notitie. In die tijd waren ook de tussentijdse beoordelingen aan de orde. Mijn chef, die in oktober had voorgesteld dat ik een dubbele periodiek zou krijgen zoals passend bij het toen gehanteerde ‘referentiepad’, deelde mij mee dat ik genoemde notitie beter niet had kunnen schrijven, dat deze bij de directie slecht was gevallen, en dat ik slechts een enkele periodiek kreeg. Deze situatie was tamelijk bevreemdend. Na enkele dagen en ampele overwegingen resteerde mij de conclusie dat arbeidsrechtelijke middelen werden gebruikt om de inhoud van het wetenschappelijk onderzoek te sturen. En inderdaad, over de inhoud van de notitie is nadien nooit gesproken. Het kwam mij verstandig voor beroep aan te tekenen. En in april 1990 zag ik mij uit mijn functie verplaatst, waarbij de directie gebruik maakte van artikel 58 van het ambtenarenreglement om daarvoor geen reden te geven. Sindsdien zat ik op een kamertje apart met de taakopdracht ‘lezen en schrijven’.

Later hoorde ik van een collega dat ook hij geïntimideerd was t.a.v. een onderzoek waar hij zich op dat moment mee bezig hield. Overigens heb ik deze collega vertrouwelijkheid beloofd.

Er blijkt binnen de rijksoverheid geen instelling te bestaan waartoe een ambtenaar zich kan wenden wanneer hij of zij onregelmatigheden of zelfs machtsmisbruik constateert. Zelfs een wetenschapper in rijksdienst, die vanuit zijn functie een grotere kans loopt in conflict te komen met gewone ambtenaren die tot taak hebben eenmaal vastgesteld beleid uit te voeren, ontbeert zulke bescherming.

Om dit toe te lichten bespreek ik eerst de situatie in het algemeen, en neem vervolgens het voorbeeld van de kwestie van minister Sorgdrager en PG Docters van Leeuwen.

 
 

Rechtspraak algemeen

 

Het is nuttig om onderscheid te maken tussen normale toepassing van recht en het misbruik van het recht. Een normale toepassing is dat een chauffeur die zich niet houdt aan het rijtijdenbesluit, daarvoor gepakt en beboet kan worden. Misbruik zou hier bijvoorbeeld zijn dat de chauffeur opgepakt wordt voor overtreding terwijl er feitelijk geen sprake is van overtreding; maar de controleur heeft een verstandhouding met de werkgever die een excuus zoekt om betrokkene te ontslaan. Ik gebruik hier bewust de term ‘verstandhouding’: het hoeft geen expliciete afspraak te zijn, en kan beperkt blijven tot een tamelijk onbewust wederzijds verstaan dat de betreffende gang van zaken voordelig is.

Van belang is dat de juridische weg van normale toepassing en misbruik momenteel dezelfde is. Zowel bij normale toepassing als bij misbruik moet de chauffeur beroep indienen, en moet de rechter bepalen of de boete terecht was.

Een wijze wetgever kiest zijn rechtsregels zodanig dat controle mogelijk is. In dit voorbeeld is controle mogelijk via de tachograaf, en een onjuiste beschuldiging is op redelijke wijze te weerleggen. Eventueel verschuift het probleem naar frauduleuze veranderingen aan de tachograaf, en dan is ook daar te zoeken naar controleerbare punten. Hoe dan ook geldt dat bij controleerbare wetten misbruik minder goed mogelijk is, omdat via de normale behandeling van het beroep een onterechte beschuldiging kan worden weerlegd.

Naast normaal gebruik en gewoon misbruik is er echter misbruik van de twee orde. Wat nu, wanneer de werkgever de chauffeur ontslaat op grond van wangedrag ten aanzien van het rijtijdenbesluit, terwijl het beroep tegen deze beschuldiging nog loopt ? De werkgever kan betogen dat het wangedrag weliswaar niet in rechte vaststaat, maar dat hij er toch vanuit mag gaan dat de controleur niet zonder reden een boete heeft toegekend. En of de chauffeur terecht beschuldigd is of niet: de werkgever kan beweren: ‘hoe dan ook zijn de verhoudingen verstoord’.

Tegen dit misbruik van de tweede orde blijkt het rechtstelsel niet opgewassen. De chauffeur wordt ontslagen. Ook al wordt nadien vastgesteld dat hij het rijtijdenbesluit niet heeft overtreden, dan nog kan de werkgever stellen dat de verhoudingen inmiddels verstoord zijn.

Vanzelfsprekend zal men zeggen dat deze chauffeur blij zou moeten zijn dat hij weg is bij een baas die zo met hem omgaat, maar dit ligt subtiel anders wanneer men in dienst is bij een grotere organisatie Daar is de werkgever ook een werknemer, en kan betrokkene vervangen worden door een ander. Indien maar vastgesteld kan worden dat betrokkene misbruik heeft gemaakt van het recht.

Zoals gezegd blijkt dit laatste niet goed mogelijk. De spaarzame uitzondering bevestigt de regel dat misbruik van de tweede orde loont. Het slachtoffer, in ons voorbeeld de chauffeur, kan geen melding doen bij het Openbaar Ministerie dat misbruik van het recht wordt gemaakt, want, zo wordt momenteel geredeneerd, de kwesties van de rijtijden en het ontslag liggen voor bij de bevoegde instanties, en deze toetsen per definitie of de betreffende zaken rechtsgeldig zijn.

Het voorgaande klinkt natuurlijk redelijk, maar in feite vergeet het OM dat deze toetsing gemankeerd is.

De Romeinen hadden reeds de spreuk: Quies custodiet custodes ? (Wie bewaakt de wakers ?) Wanneer je deze gedachte tot in het absurde doorvoert is er natuurlijk geen oplossing voor. Maar blijf je met de voeten op de grond, dan zijn er voor het tweede orde probleem wel degelijk practische methoden van aanpak. Dat na 2000 jaar nog geen handvatten bestaan, in bijvoorbeeld het Nederlands recht, heeft denkelijk niet te maken met de moeilijkheid van het probleem, maar met de machtsverdeling tussen werkgevers en werknemers. Werkgevers gunnen de werknemers gaarne ‘ontslagbescherming’ zolang er toch een ontsnappingsclausule is.

 
 

Voorbeeld ambtenarenrecht

 

Een goed voorbeeld van het tweede orde probleem is de kwestie Sorgdrager versus Docters van Leeuwen. Voor de goede orde: ik ben niet op de hoogte van alle details in deze kwestie, en heb geen behoefte om zonder nadere informatie partij te kiezen. Een logisch standpunt in deze is wel dat de minister terugtreedt en dat de Kamer de kwestie onderzoekt. Dat de Kamer momenteel van oordeel is dat men reeds voldoende onderzocht heeft, lijkt mij een misverstand.

Het logisch raamwerk is namelijk als volgt:

Wel past de kanttekening dat Docters van Leeuwen i.p.v. ontslagen ook overgeplaatst of tijdelijk geschorst had kunnen worden. De rechter zal er rekening mee moeten houden dat puur ontslag mogelijk een te ernstige maatregel is, voor iemand die wil werken en die misschien minder snel elders emplooi vindt. De wachtgeldregeling is niet bedoeld als een goudgerande gevangenis die mensen in maatschappelijke ledigheid gevangen moet houden. Maar goed, dat zijn details, relatief, t.a.v. het gegeven dat Docters van Leeuwen geen PG meer is.

De kernvraag is of Sorgdrager nog dat vertrouwen heeft. En inderdaad, zolang de Kamer niets onderzoekt, zijn er weinig gegevens om die vraag goed te toetsen. En bij gebrek aan kennis en argumenten kan men moeilijk anders dan dat het reeds geschonken vertrouwen continueren.

Wanneer de Kamer stelt dat e.e.a. nu aan de rechter voorligt, en dat de Kamer daar buiten moet blijven, mede omdat de rechter ook e.e.a. onderzoekt, dan geeft de Kamer een verkeerde voorstelling van zaken. Immers, de rechter doet een ander onderzoek dan de Kamer. De rechter gaat uit van het bevoegde gezag, en constateert gewoon dat Docters ontslagen is. Het is de Kamer en slechts de Kamer die moet onderzoeken of de minister het vertrouwen nog waard is. Dat is het onderzoek dat Docters van Leeuwen gevraagd heeft, en dat de Kamer hem geweigerd heeft.

Waar Sorgdrager in de Kamer heeft gesteld dat Docters van Leeuwen een ‘poging tot chantage’ zou hebben gedaan, is mogelijk sprake van een affront van een loyaal ambtenaar. Naar ik begrijp heeft Docters van Leeuwen opgemerkt dat de maatregelen van de minister afbreuk zouden doen aan het draagvlak binnen het OM. Dat hoeft geen dreiging te zijn, maar kan heel goed bedoeld zijn als een serieuze waarschuwing. Derhalve, moet de Kamer zich afvragen of de minister van Justitie nog wel overweg kan met serieuze waarschuwingen van haar loyale ambtenaren. De mogelijkheid bestaat heel sterk dat zij de man speelt in plaats van de bal.

Het valt te betreuren dat de Kamer dit punt onderbelicht heeft, dat men hier niet heeft gekozen voor het voordeel van de twijfel t.b.v. beide betrokkenen, en dat geen onderzoek is gehouden naar de ware toedracht. Voor de goede orde: wanneer zo’n onderzoek was gehouden, had de minister voor de zuiverheid moeten terugtreden, om het probleem van loyaliteitsconflicten bij getuigen te verminderen. Zo’n terugtreden is geen bekentenis van schuld.

Recentelijk heeft de minister de ex-PG voorgedragen voor een functie bij de WRR. Dit is uiterst curieus gezien haar eerdere beschuldiging van chantage. Zullen de rapporten van de WRR nog wel betrouwbaar zijn wanneer daar chanteurs werken ?

Dat juist ook de fractie van D66, die toch deskundig heet te zijn op juridisch terrein, hier niet kiest voor een onderzoek, tekent de situatie. Het laat zich vermoeden dat deze fractie kortzichtig bezig is, want de kwestie zal zijn sporen trekken in de grassroots van die partij. Zeker, wanneer meer mensen inzicht krijgen in het hier beschreven logisch raamwerk.

Van belang voor mijn huidige betoog is echter dat het ambtenarenreglement aldus geen bescherming biedt tegen dergelijke (politieke) willekeur: Een ambtenaar die onheus wordt behandeld door een superieur die het vertrouwen van diens superieuren blijft genieten zolang er geen onderzoek wordt ingesteld, heeft vooralsnog geen recht op zulk onderzoek, en staat derhalve bij de ambtenarenrechter op de keper machteloos t.a.v. zijn onheuse behandeling.

Wel voorziet het reglement in een bepaald wachtgeld. Het blijkt dat deze regeling vooral opgaat voor hogere ambtenaren die een sterkere onderhandelingspositie blijken te hebben. Voor lagere ambtenaren die een veel zwakkere onderhandelingspositie hebben blijkt het mogelijk dat gesteld wordt dat het ontslag aan eigen schuld is te wijten, waarna geen recht op wachtgeld volgt.

Een reden waarom hogere ambtenaren een sterkere positie hebben, zou kunnen zijn, dat zij dichter bij de politiek staan, en beter zicht hebben gehad op de politieke beïnvloeding van het beleid. Ambtenaren staan ten dienste van hun politieke ambtsdragers. Zij moeten doen wat opgedragen wordt. Eventueel wordt het Nederlandse volk misleid, bijvoorbeeld met halve waarheden of wellicht met een hele leugen. Hoge ambtenaren weten beter wat er gebeurd is, en kunnen politiek meer schade berokkenen. Derhalve kan een hoger wachtgeld ervoor zorgen dat de ambtenaar nadien blijft zwijgen.

Omgekeerd is de positie van de lagere ambtenaar zwak. Ik geef mijn eigen casus, want het gaat hier ook om de parallellen.

 
 

Misbruik door de directie van het CPB

 

Mij is in 1990 aangeboden dat ik onder artikel 99 t.a.v. de ‘onverenigbaarheid van karakters’ zou kunnen vertrekken, met behoud van wachtgeld en de mogelijkheid nog een jaar aan het CPB verbonden te blijven om vanuit een werkende positie te kunnen solliciteren. Tevens zou de directie van het CPB zorgen voor een ‘outplacement’. Voorwaarde was wel een vrijwillig vertrek, hetgeen, natuurlijk, impliceerde dat ik ‘erkende’ dat de dienstleiding geen aanleiding had gegeven tot mijn vertrek, en dat ik aldus ook geen geloofwaardige basis meer had om nadien met kritiek te komen. Omgekeerd, indien ik dit aanbod niet accepteerde, dan zou de dienstleiding mij ontslaan op grond van artikel 98, ongeschiktheid. Naar mijn mening, zoals ook toegelicht in mijn boek "Trias Politica & Centraal Planbureau" uit 1994 pleegde de directie hier effectief chantage. (Dit zeg ik niet zomaar, het is goed gedocumenteerd.)

Het leek mij ongepast om artikel 99 te accepteren, want vanuit mijn bescheiden wetenschappelijke opstelling was ik gaarne bereid tot de vervulling van mijn functie. Tot mijn spijt is het wel tot zo’n ontslag op grond van artikel 98 gekomen, en heeft de ambtenarenrechter dit tot nog toe geaccepteerd. Eveneens heeft de rechter geoordeeld dat omdat ik niet vrijwillig vertrok, het ontslag aan eigen schuld was te wijten, zodat ik niet in aanmerking kwam voor wachtgeld. Zoals al opgemerkt is de positie van de lagere ambtenaar zwak, en een besluit van de rechter wordt niet zozeer gebaseerd op logica, recht en waarheid maar vooral op overwegingen van gezag.

Van belang is ook de volgende juridische kronkel. Er is mij nooit een reden gegeven waarom ik in 1990 uit mijn functie werd geplaatst, en ik heb mij daar dus nooit tegen kunnen verdedigen. Mijn verdediging tegen mijn ontslag is steeds geweest dat ik mij eerst tegen mijn verplaatsing moet kunnen verdedigen voordat zinvol over de noodzaak tot ontslag kan worden gesproken. Want zowel vóór als na de verplaatsing heb ik gewoon gedaan wat mij was opgedragen. In 1993 heeft de ambtenarenrechter het besluit vernietigd waardoor ik in april 1990 uit mijn functie werd geplaatst. Dat besluit was volgens de rechter met détournement de pouvoir (machtsmisbruik) tot stand gekomen. Pas in 1997 bleek de minister van EZ bereid een nieuw besluit over de verplaatsing te nemen, welk besluit recentelijk in 1998 in rechte kwam vast te staan. Dit nieuwe besluit was dat de minister de vernietiging door de rechter accepteert, waardoor ik aldus ben teruggeplaatst in mijn functie, en aldus in 1990/91 weer deelneem aan de studie "Nederland in drievoud". Aldus, volgens de minister ben ik ook terugplaatsbaar, en zou er geen reden tot ontslag hoeven bestaan. Echter, de facto ben ik natuurlijk uit het project geplaatst, ben ik in 1991 ontslagen en is genoemde studie verschenen zonder dat ik in de gelegenheid ben geweest bijvoorbeeld een minderheidsrapport te laten opnemen. En, ondanks dat ik de rechter heb verzocht een uitspraak over het ontslag aan te houden totdat duidelijk was hoe het met de verplaatsing was gesteld, heeft de rechter, mede op grond van de feitelijke verplaatsing, het ontslag goedgekeurd.

Ik ben voornemens de rechter te verzoeken alsnog het ontslag ongedaan te maken. Hoe dan ook: de directie van het CPB breidelt de wetenschap en heeft mij met machtsmisbruik ontslagen. Ik leg de kwestie ter toetsing voor aan de wetenschappelijke fora, analyseer aspecten van de materie in mijn wetenschappelijk werk, ik schrijf erover in kranten, teken beroep aan bij de ambtenarenrechter en doe een beroep op het politiek gezag om de kwestie te onderzoeken en de breidel een halt toe te roepen.
 

 
 

Kosten

 

Waar de huidige werkloosheid analytisch is opgelost, gaan de breidel en het negeren daarvan al jarenlang ten nadele van de welvaart en het welzijn van velen. Het volgende rekenvoorbeeld geeft een conservatieve minimumschatting van het verlies. Laat in Nederland een miljoen mensen nodeloos werkloos zijn, met ieder een uitkering van f 15000 per jaar. De kosten zijn dan f 15 miljard. Per Nederlander is dat f 1000 per jaar. Voor een gezin met twee kinderen is dat f 4000 per jaar. In principe hadden deze middelen vrij kunnen komen vanaf 1990. Figuur 1 cumuleert dat bedrag voor de periode 1990 tot 1998, tegen 7% rente per jaar. In totaal heeft het gezin minimaal f 47912 verloren.
 

Figuur 1: Cumulatief verlies bij f 4000 per jaar en een rente van 7%

 

 
 

Ter conclusie

 

Waar politici almaar roepen ‘werk, werk en nog eens werk’ mag men verwachten dat alle mogelijkheden worden onderzocht. Één mogelijkheid wordt echter niet onderzocht. Er is een kundig econometrist van het Centraal Planbureau die op wetenschappelijke wijze laat zien dat er een nette manier is om de werkgelegenheid te bevorderen, en die ertegen protesteert dat deze analyse door de directie van het CPB gebreideld wordt. De analyse en het protest tegen de breidel krijgt van de ‘werk, werk en nog eens werk’-politici echter geen aandacht. De burger kan dan uitrekenen dat er meer aan de hand is, en doet er dan verstandig aan het advies tot een parlementaire enquête te ondersteunen.

 

Thomas Cool, Scheveningen, 6 april 1998