Kopie met tabel



Home » Archieven » 06.2005 » Referenda zijn meestal dom en gevaarlijk


Referenda zijn meestal dom en gevaarlijk

Thomas Colignatus

Naaktstrand2 (135k image)

De uitkomst van het EU referendum laat weer eens zien dat referenda meestal dom en gevaarlijk zijn. Dat van referenda het onmogelijke gevraagd kan worden is zelfs een wiskundig-economische stelling, die in 1951 door Kenneth Arrow werd geformuleerd en bewezen. Dit theorema was een van de redenen om Arrow later de Nobelprijs in de economie toe te kennen.

Wanneer het gaat om een keuze uit twee logisch tegenstrijdige uitkomsten, zoals plus of min, of kop of munt, dan lukt het nog wel om te zeggen dat een uitkomst met meer dan 50 procent als gewonnen beschouwd kan worden. Maar zodra naast ‘plus of min’ ook nog ‘nul’ mogelijk is, of naast ‘kop of munt’ ook nog ‘de zijkant’ mogelijk is, dan kunnen de meningen van de kiezers verspreid raken, en is het onjuist te denken dat ‘meer dan 50 procent’ zou betekenen dat er werkelijk een meerderheid is. Er ontstaan dan paradoxen die beter opgelost kunnen worden door een proportioneel representatief parlement dan door zoiets als een noodzakelijkerwijs simpel ja/nee referendum. Politici die menen dat referenda en districtenstelsel gewenst zijn hebben niet alleen weinig van wiskundige economie begrepen maar laten ook zien dat ze eigenlijk niet weten wat democratie betekent.

In dit geval meende de Europese Raad van Ministers in al haar wijsheid dat er de keuze was tussen maar twee mogelijkheden, A = “Alles houden zoals het is” (dat is nu het verdrag van Nice) en B = “Het ontwerp Verdrag voor de Grondwet” (dat op 29 mei en 1 juni verworpen is). De keuze tussen deze twee mogelijkheden werd aan de Nederlandse kiezers voorgelegd en de uitslag was zo’n 60 procent voor A en zo’n 40 procent voor B. Was alles werkelijk zo eenvoudig?

Stel nu eens dat we ook een derde alternatief in de overwegingen betrekken, bijvoorbeeld C = “Er moet een Verenigde Staten van Europa (VSE) komen”. Stel nu eens dat de meningen over de drie alternatieven verdeeld zijn zoals in de tabel hieronder. Het is maar een denkvoorbeeld, er is niet onderzocht hoe die meningen werkelijk liggen, want die optie van een Verenigde Staten van Europa is ook maar een voorbeeld. In het voorbeeld is er een conservatieve groep van 20 procent die het liefst de huidige situatie heeft, als tweede het voorstel voor de grondwet, en dan pas die VSE als minste van alles. Een groep van 40 procent heeft het liefst de VSE, en wijst de grondwet af als het allerslechtste omdat die niet ver genoeg gaat. Een andere groep van 40 procent in de tabel vindt deze grondwet het beste, en vindt het verdrag van Nice zo onwerkbaar dat men indien nodig akkoord gaat met een VSE. In ieder geval laat dit voorbeeld zien dat een ‘meerderheid’ A beter vindt dan B, een ‘meerderheid’ B beter dan C, en een ‘meerderheid’ C beter dan A. Tel uit je winst. De eigenlijke conclusie is dat de stemmen staken.

Groep
 
Preferentie-volgorde
 
Uitslagen bij paarsgewijze stemmingen
     
Hoog
Midden
Laag
 
A
B
 
A
C
 
C
B
Zoals nu
20
 
A
B
C
 
20
   
20
     
20
VSE
40
 
C
A
B
 
40
     
40
 
40
 
Grondwet
40
 
B
C
A
   
40
   
40
   
40
Totaal
100
         
60
40
 
20
80
 
40
60


Wat een ‘meerderheid’ heet in de getalsmatige telling blijkt geen echte meerderheid die tot een besluit komt. Degene die bij het referendum kan bepalen waar de keuze tussen moet gaan, kan de uitkomst bepalen door het juiste paar in stemming te brengen. Zo’n manipulatie zal menigeen echter niet zo democratisch vinden. Wat het democratisch te nemen besluit is zal men dus op een andere manier moeten bepalen dan via zo’n referendum.

In mijn boek “Voting theory for democracy” (2001) beargumenteer ik dat de stemprocedure van een “Borda vast punt” door velen als de beste uitkomst gezien zou worden (met Borda’s methode wanneer de stemmen staken). Het is bewerkelijk om zoiets met referenda te willen bereiken. Juist het model van de proportionele representatieve democratie biedt dan de oplossing. Het volstaat dat kiezers met hun stemmen de gewichten van de politieke partijen bepalen, zodat de beroepspolitici dan aan de slag kunnen met onderhandelingen en genoemde stemprocedure om tot de uiteindelijke keuze komen. De parlementaire representatie is ook het antwoord op vragen omtrent de gekozen premier en burgemeester, want meestal zijn er ook meer dan twee kandidaten.

De suggestie van Boris van der Ham (NRC 8 juni 2005), om burgers de gelegenheid te geven om een referendum uit te breiden met eigen opties, is dus geen oplossing voor de inherente demagogie die met een referendum mogelijk is. Wanneer alle opties genoemd zijn en er is geen meerderheid van 50 procent voor een enkele optie, dan zijn ingewikkelder methoden nodig om tot een goede uitkomst te komen – want een besluit moet er altijd genomen worden. Het gevaar van referenda is bovendien dat de rechten van minderheden in de knel kunnen komen, en ook om die reden is de proportionele representatieve democratie te prefereren.

Wanneer de klacht luidt dat kiezers te weinig invloed hebben dan ligt de oplossing niet in referenda maar in het vaker houden van parlementaire verkiezingen. Een jaarlijkse stembus heeft het voordeel dat de discussie gewoner en zakelijker wordt, dat kiezers nog weten wat vorig jaar beloofd werd, en dat we het circus vermijden dat eens in de vier jaar langskomt en waar demagogie de boventoon voert. Parlementariėrs die duurzaam opkomen voor de belangen van hun kiezers, ook de belangen op lange termijn, hebben in een volwassen democratie weinig te vrezen. Wie hieraan twijfelt doet er goed aan om deze mogelijkheid niet meteen te verwerpen, maar wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke experimenten mogelijk te maken om deze aanpak, en de enige echte oplossing, een kans te geven.

Na de afwijzing van het ontwerpverdrag richten velen zich op zaken die intern aan de EU zijn, en zij lijken daarbij de wereld buiten de EU te vergeten. Het is curieus dat een discussie over meer referenda ontstaat, alsof men de Stelling van Arrow niet kent, en terwijl de externe problematiek veel groter is. Sergei Karaganov betoogde terecht (NRC 1 juni 2005) dat Rusland moest nadenken over zijn toekomst ten opzichte van de EU, maar dit geldt ook voor de EU ten opzichte van Rusland. Wanneer het zo is dat de EU zichzelf herkent als een losser verband dan moet een EU lidmaatschap van Rusland tot de mogelijkheden behoren. Zo’n samengang zou heel veel bijdragen aan de vrede, veiligheid en welvaart en een beter milieu in de wereld. Het zou mooi zijn wanneer de parlementen van oost en west de aandacht hierop zouden richten.

Thomas Colignatus is econometrist, auteur van “Voting theory for democracy” (2001) en samen met journalist Hans Hulst auteur van “De ontketende kiezer” (2003).

Gepubliceerd op 19.06.05 @ 07:57 AM

[Home]