De Samuel van Houten Penning voor
Hans van den Doel

 
 

 

 

Op 25 februari 1994 is in het stadhuis van Groningen de Samuel van Houten Penning uitgereikt aan prof. dr. J. van den Doel. Hieronder volgt het pleidooi van het Samuel van Houten Genootschap, het wetenschappelijk bureau van het Sociaal Liberaal Forum.

 
 

 

John Maynard Keynes, met Jan Tinbergen de beste econoom van deze eeuw, gaf op 17 maart 1928 voor de Essay Society van Winchester College een lezing met de titel Economic Possibilities for Our Grandchildren. (1) Nemen we enige vrijheid, beseffen we dat Keynes destijds 45 jaar oud was, en kijken we naar de leeftijd van de meeste leden van het huidige Samuel van Houten Genootschap, dan kunnen we zeggen dat juist wij die kleinkinderen zijn. Keynes heeft het natuurlijk ook over generaties na ons. Hoe dan ook, juist onze generatie zal Keynes’ essay met bijzondere aandacht lezen en er een bijzonder perspectief aan ontlenen. Met dit perspectief kijken we vandaag ook naar het werk van Hans van den Doel. Keynes’s essay laat zich vandaag het beste vertalen met de stelling dat Hans van den Doel de Samuel van Houten Penning verdient. Het bewijs van de stelling gaat als volgt.

Keynes schreef het essay na een bezoek aan de Sowjet-Unie. U zult nu het begin van de samenhang gaan zien. Het proefschrift van Van den Doel, geschreven bij zijn promotor Jan Tinbergen, behandelt de evolutie van economische stelsels, en de mogelijke convergentie van de maatschappelijke stelsels van de Sowjet-Unie en de Atlantische landen. (2)

Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 lijkt het vraagstuk van deze convergentie academisch geworden. Dit is maar ten dele waar. We zitten immers nog steeds met het vraagstuk van de optimale maatschappelijke orde. Dit is met andere woorden de vraag naar de goede samenleving. Dat was de vraag die Keynes zich stelde.

Van den Doel’s proefschrift is onlosmakelijk met deze vraag verbonden.

Van den Doel’s onderwerpkeuze laat zich goed begrijpen. De tegenstelling Oost-West tekent de 20e eeuw. In de jaren ‘20 was er al de nodige strijd, in de jaren ‘30 met de Grote Depressie verhevigde dat. Na de korte hete oorlog kwam de lange koude oorlog. En nu, voor onszelf, sinds 1989, bestaat het grootste gevaar uit de erfenis van de Sowjet-Unie. De economie in het Oosten ligt in gruzelementen en met de instabiliteit laat zich het ergste vrezen. (3) De hele wereld kampt wederom met een massawerkloosheid die alle tegenstellingen heviger en moeilijker maakt.

De vraag naar de goede samenleving heeft vele kanten. Er is een vraag wat je het beste kunt doen binnen een gegeven orde. Er is de vraag naar de orde zelf. Wanneer de mensen wel goede dingen willen maar de hele structuur deugt niet, dan kun je beter de structuur veranderen.

Het vraagstuk van de convergentie is om zijn leerzame effect goed gekozen. De probleemstelling is ruwweg als volgt. Oost en West beweren dezelfde doelen te hebben, namelijk een zo hoog mogelijke (duurzame) groei per hoofd van de bevolking en een redelijke inkomensverdeling. De technische relaties zijn overal hetzelfde. De natuurlijke hulpbronnen zijn verschillend, maar niet fundamenteel. Je moet e.e.a. flexibel zien: een rivier is wel een hindernis, maar een creatieve geest maakt het tot een kapitaal vermogen, een vaarweg. Ook mensen zijn fundamenteel niet zo erg verschillend. Als conclusie zouden Oost en West bij dezelfde optimale orde uitkomen. Toch is dat jarenlang niet zo geweest. Wanneer je dat kunt verklaren dan leer je daar veel van. Dat zijn geen academische maar heel bruikbare lessen. De Europese Unie is nu in een hevig gevecht met zichzelf verwikkeld, om zogezegd het subsidiariteitsbeginsel transparant toe te passen. De Verenigde Naties zijn er nog erger aan toe.

Na zijn bezoek aan de Sowjet-Unie schreef Keynes een vernietigend commentaar. Voor ons, echter: in 1928 was hij nog optimistisch voor de kleinkinderen. Hij berekende - ruwweg samengevat - dat met een economische groei per persoon van 2% per jaar, en met de nodige geboortebeperking, iedereen over honderd jaar 7 keer zo rijk zou zijn. Keynes vroeg zich af naar wat voor een maatschappij we zouden evolueren. Hij zag graag een ontwikkeling naar de goede dingen des levens. Hierbij noemt hij het probleem dat mensen zich graag van anderen onderscheiden, zodat zij goederen kopen die Fred Hirsch later ‘positionele goederen’ zou noemen - een punt waar juist ook Van den Doel veel nadruk op legt. Veel tijd heeft Keynes niet aan zijn vraag naar de economie van het goede leven kunnen besteden. De Grote Depressie, de oorlog en de wederopbouw gaven hem andere problemen om op te lossen.

Auteurs als Tinbergen en Van den Doel hebben dit werk aangevuld en voortgezet. Aan deze resultaten moeten we veel aandacht geven. Het prettige van een lezing als deze is dat benadrukt kan worden dat het werk van Van den Doel veel belangrijker is dan menigeen nog denkt.

Als goed wetenschapper, en zich baserend op de methodologie van A.D. de Groot, heeft Van den Doel in zijn proefschrift van 1970/71 een concreet toetsbare stelling opgenomen. Pagina 193 stelt ten eerste dat een periode van 25 jaar een goed criterium is - ongeveer een generatie - en ten tweede dat zijn eigen theorie van een gedeeltelijke convergentie, voor die periode en op grond van een aantal concrete criteria empirisch toetsbaar is. Welnu, 1970 plus 25 jaar geeft derhalve dat in 1995 getoetst zou kunnen worden of de Sowjet-Unie en de Atlantische samenlevingen meer op elkaar zijn gaan lijken. Van den Doel’s criteria zijn wat moeilijker dan de aanwezigheid in New York, Amsterdam en Moskou van MacDonalds en arme daklozen. Bovendien is het nog pas 1994. De eigenlijke toetsing moet nog plaatsvinden. Dus, hoe frappant de uitkomst t.a.v. deze stelling vooralsnog lijkt te zijn, is dit nog niet het echte punt waarop gesteld werd dat het werk van Van den Doel belangrijker is dan menigeen denkt. Dat punt volgt derhalve nog.

Tussen haakjes is Tinbergen’s oorspronkelijke analyse en stelling t.a.v. de convergentie van stelsels een prachtig staaltje van een wetenschappelijke self-fulfilling prophecy. Het laat heel goed begrijpen waarom de voormalige president van de Sowjet-Unie Mikhail Gorbatsjov bij zijn bezoek aan Nederland juist Tinbergen een bezoek bracht.

Volgen wij Van den Doel in zijn ontwikkeling. Professor in de politicologie in Nijmegen. Kamerlid voor de Partij van den Arbeid. Hoogleraar in de economie aan de Universiteit van Amsterdam. Het toeval wil dat in 1970/71 wanneer het proefschrift af is, de wereldeconomie over zijn top raakt en een terugslag inzet. De investeringen vallen terug, de prijzen stijgen, de werkloosheid neemt weer toe. In 1972 is er de dollarcrisis, en bijvoorbeeld in Nederland verdubbelt de werkloosheid naar het voor die tijd alarmerende getal van 3%. Het tijdperk is aangebroken van de oliecrises, de massawerkloosheid, inflatie, stagflatie, overheidstekorten. Het vraagstuk naar de beheersbaarheid van het economisch proces, waarvan men dacht dat het opgelost was door Tinbergen en Keynes, lag weer helemaal open.

Wanneer het economisch en maatschappelijk stelsel faalt komt de democratie vanzelf onder vuur - en indirect de verzorgingsstaat. De belangenstrijd - o.a. van vakbonden - was militanter dan wij nu gewend zijn. Internationaal oefenden Hayek en Buchanan, in Nederland Stevers en Hartog, een forse intellectuele critiek. Democratie zou kortzichtig zijn en tot inflatie leiden. De overheidssector zou veel groter worden dan wenselijk, en dan tot afwenteling en werkloosheid leiden. Een arme meerderheid zou - met het eufemisme van ‘inkomensherverdeling’ - het inkomen afnemen van de rijke productieve minderheid, en daarmee iedereen schade berokkenen. Hoe fors die critiek ook is, het moet gewaardeerd worden dat deze critici op open en wetenschappelijke wijze te werk gingen. De critiek was zo een katalysator - voor verschillende reacties.

Het proefschrift van Van den Doel over de convergentie van Oost en West bevat, zoals haast gepast lijkt, een communistisch citaat:

"Where do correct ideas come from ? Do they drop from the skies ? No. Are they innate in the mind ? No. They come from social practice." (4) Met hart en ziel doet Van den Doel mee aan de maatschappelijke actie, het openbare debat en de politieke praktijk. Hier is hij het meest herkenbaar voor het grote publiek.

Reeds in 1966 was Van den Doel mede-oprichter van een geruchtmakende groep die zich Nieuw Links noemde, en hij was redacteur van het pamflet "10 over rood" (5) waarmee deze groep naar voren trad. Het Nieuw Linkse pamflet is vol goede moed voor de toekomst. - Het is als met Keynes in 1928 aan de vooravond van de Beurskrach van 1929. - Wanneer dan de grote problemen van de jaren ’70 toeslaan, en de vakbonden en intellectuelen de democratie aanvallen, staat Van den Doel voor een veel moeilijker taak dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij ontwikkelt echter zijn weerwoord, en op verschillende manieren.

Van den Doel verdedigt de democratie met haar eigen middelen, en is in vele media aanwezig. Dit leidt tot de spraakmakende boekjes "Lastig links" (1976), "Het biefstuk-socialisme en de economie" (1978), "De economie van de onbetaalde rekening" (1980). (6) Het is verleidelijk enkele van de vele juweeltjes van Van den Doels essayistiek en polemiek hier aan te halen. Beter kunnen we gewoon herlezing aanraden. Sommige polemieken tegen allang verdwenen en vergeten politici, commentatoren en vakbondslieden doen wat gedateerd aan, maar het is juist ook aan Van den Doel te danken, dat dit zo is. Zijn werk is ook te zien als een prachtige chroniek van die woelige dagen.

We volgen hier een ander spoor. Waar de problemen van massale werkloosheid, inflatie, overheidstekorten, en dergelijke internationaal van aard zijn, en de democratie dus internationaal ter discussie kwam en komt, zij gewaarschuwd voor een al te grote focus op alleen Nederland.

Van den Doel is ook in discussie met de wetenschap van zijn tijd. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de publiekspamfletten en de uitbouw van zijn wetenschappelijk oeuvre. Deze tak wordt ook wel de Public Choice genoemd, en wordt tegenwoordig in toenemende mate beschouwd als de normale politieke economie, de logische voortzetting van de economie van Tinbergen en Keynes. (7) Deze leer stelt dat het algemene economische proces zich alleen laat begrijpen door ook de besluitvormingsstructuur en de daarvoor relevante processen mee te nemen in de analyse.

Van den Doel’s oratie van 1973 vinden we terug in 1977 en is nog steeds van waarde. (8) Zijn in meer landen gebruikte studieboek "Democratie en welvaartstheorie" verschijnt in 1975, met een herdruk in 1978 en dankzij de voortreffelijke dr. Van Velthoven up to date gehouden met een derde druk in 1990. (9) Met professor Heertje bundelt hij artikelen van professor Hennipman.(10) Met professor Driehuis schrijft hij een bijdrage voor de vereniging voor arbeidsrecht, in verband met de vraag of werkgelegenheid nu een recht is of afhankelijk is van het beleid. (11) Van den Doel is redacteur voor de kring der Post-Keynesianen, en schrijft daarnaast in 1981 het leerboek "Economie in werkelijkheid". (12) De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag noemt 22 treffers, met overigens dubbeltellingen voor de vreemde talen, en uitgezonderd de bijdragen aan de wetenschappelijke tijdschriften.

Noemen we nog een paar bijdragen. Van Van den Doel komt het concept van verantwoordelijk handelen, (13) waarmee hij ook invloed heeft uitgeoefend - doch wellicht naar zijn zin niet voldoende - op het Christendemocratische concept van de zorgzame samenleving. Van den Doel is een brilliant verdediger van selectieve groei onder volledige werkgelegenheid, en van het politiek bepalen van een evenwicht tussen overheid en particuliere sector. In 1976 - ruim voor de Commissie Wagner en Van der Zwan - waarschuwde hij samen met Tinbergen en De Galan voor de versnelde internationale concurrentie en de daarmee samenhangende stagnatie in de Atlantische economieën - wat vandaag de dag de globalisering wordt genoemd. Met professor Pen heeft Van den Doel de ideeën van Tinbergen over een rechtvaardige inkomenspolitiek critisch gesteund, levend gehouden en ook daarmee een brug naar de toekomst geslagen.

Het pièce de resistance van Van den Doel’s werk is het volgende, het beloofde punt waar we nu dan aan toekomen. Het punt is voor de politiek-economische wetenschap en voor de politiek-economische beschrijving van een volkshuishouding een cruciale vernieuwende stap. Daarmee is het vanzelfsprekend ook voor ons inzicht en voor het publieke debat van cruciale betekenis. Dit is dan Van den Doel’s ontdekking van het zwarte gat in de overleg-economie, en met name zijn toepassing van het prisoner’s dilemma op de centrale onderhandelingen van werkgevers en werknemers. Van den Doel gaf zijn analyse een theoretisch bevredigende duiding binnen het gehele leerstuk van de politieke economie. Hij bracht het ook naar voren in het publieke debat, en verduidelijkt(e) daarmee voor velen practisch de nijpende dilemmas die helaas nog steeds actueel zijn.

Van den Doel beschrijft de verschillende aspecten reeds medio jaren zeventig, een explicietere beschrijving zien we in het aangehaalde artikel samen met Driehuis in 1979, en het vormt de kern van hoofdstuk 3 van "Democratie en welvaartstheorie". De wetenschappelijke analyse wordt helder en in gewone mensentaal beschreven en voor het grote publiek vertaald, in het fraaie hoofdstuk 5 van "De economie van de onbetaalde rekening" uit 1980, met de letterlijke titel: De stagflatie als besluitvormingsprobleem.

Van den Doel verklaart de malaise van toen - en nu - als voortkomend uit het feit dat we in een overgangsfase verkeren. De besluitvormingsstructuren zitten tussen servet en tafellaken, we zitten op een supertanker met het stuur van een step. De besluitvorming over de baten vindt plaats op een andere plek dan de besluitvorming over de lasten. Regering en parlement besluiten tot een bepaald begrotingsplaatje, maar vakbonden en werkgevers zijn daar niet aan gebonden, en willen meestal wat anders. Er is geen bindend contract, en er zijn geen sancties wanneer iemand zich niet aan de afspraak houdt. Het is niet verbazingwekkend dat daar ellende van komt. Er ontstaat een institutionele aderverkalking, een "dichtslibben van de besluitvormingsstructuur met talloze autonome belangengroepen".

Van den Doel bepleit een geleide loonpolitiek. Niet de dwang van de bureaucratie maar een democratisch bepaald pakket dat maatschappelijk acceptabel is en gedragen wordt doordat het op verstandige en democratische wijze tot stand is gekomen. Het aangehaalde hoofdstuk 5 van 1980 besluit:

"Ons besluitvormingssysteem staat op de tweesprong: niet op de tweesprong tussen de vrijheid van het marktsysteem of de dwang van de bureaucratie, maar op de tweesprong tussen de bandeloosheid van de overlegdemocratie en de gebondenheid van hetzij het marktmechanisme, hetzij de representatieve demoratie. Op dit moment hebben we de oude schoenen van het marktmechanisme weggegooid, maar de nieuwe van de representatieve democratie hebben we nog niet aangetrokken. Wij moeten óf die nieuwe schoenen nu eindelijk aandoen, óf de oude schoenen toch maar weer opzoeken, want wij moeten hoe dan ook ontkomen van de misère van de barrevoets gaande maatschappij." In de derde druk van "Democratie en welvaartstheorie" van 1990 doen Van den Doel en Van Velthoven op grond van de relatief gunstige ontwikkeling van 1980-1990 de suggestie dat het met het zwarte gat van de overlegdemocratie misschien toch wel meevalt. Welbeschouwd echter zijn de ontwikkelingen in die periode toch niet zo gunstig. De ontwikkelingen na 1990 verduidelijken het belang van de oorspronkelijke ontdekking en conclusie. Het ‘valt dus mee’, het zwarte gat zuigt nog steeds maatschappelijke energie.

Van den Doel heeft zijn werk niet normaal mogen afmaken. (14) Wie zijn ontwikkeling ziet kan niet anders dan vermoeden dat hij begin jaren tachtig op de vraag gedoken was waarom we in vredesnaam in die overleg-economie blijven steken. Met zijn leerlingen De Beus, Van Mierlo en anderen had hij zijn eigen ‘circus’ gehad, en had hij rond 1986 zijn General Theory geschreven zoals Keynes in 1936. Daarnaast had oud-premier en PvdA-voorman Den Uyl - op zoek naar een opvolger - hem voor een diepgaand gesprek uitgenodigd…

Het belang van de nieuwe politieke economie en van Van den Doel’s beschrijving van het manco van de overlegeconomie kan niet genoeg onderstreept worden. Vandaar dat het zinvol is het verhaal af te maken, en kort te beschrijven hoe de analyse is voortgezet, en waartoe die kan leiden.

Om te beginnen is de kennis van economen over de werkloosheid, inflatie en stagflatie sinds 1980 natuurlijk fors toegenomen. Werkloosheid was in 1980 al aan te pakken via de mogelijkheden die Van den Doel aangaf. Sindsdien zijn er middelen bijgekomen, waardoor het concept van de geleide loonpolitiek verbeterd is - nu te zien als effectieve begeleiding. (15) De conclusie verandert echter niet. Wanneer ons maatschappelijk stelsel er niet in slaagt fundamentele problemen op te lossen, of dit alleen doet tegen torenhoge kosten, dan scheelt er blijkbaar iets aan ons systeem. We kijken dan niet alleen naar de overleg-democratie, voor Nederland het spel van de centrale accoorden van overheid, werkgevers en werknemers, maar ook naar het democratisch stelsel zelf. Ons stelsel heeft de hoofdconclusie van Van den Doel te lang laten liggen.

We grijpen weer terug op Keynes. In 1946 was Keynes inmiddels lid van het Engels Hogerhuis geworden, en hield daar een speech die veel bijval kreeg. Sir Roy Harrod, biograaf van Keynes merkt op:

"But Keynes had been talking in this style … for some twenty-seven years. Why had his words not been listened to …?" Een andere biograaf van Keynes, Robert Skidelsky, iemand die werkelijk prachtig werk heeft geleverd, heeft juist deze vraag in 1975 geprobeerd te beantwoorden. (16) Skidelsky besluit in een sterk betoog dat het verschil is dat er intussen een wereldoorlog heeft plaatsgevonden die verstarringen doorbroken heeft. Massale werkloosheid is daarvoor blijkbaar niet genoeg. Dat is op zich begrijpelijk, wanneer we ons realiseren wie er normaliter door werkloosheid getroffen worden.

Kijken we naar de verstarring voorafgaand aan de tweede wereldoorlog en in de huidige situatie, dan ligt het voor de hand dat we een gezamenlijke noemer proberen te zoeken. Die overeenkomst moet internationaal dezelfde zijn. Een gelijkvormigheid die we internationaal kunnen vinden, een gelijkheid in de politiek-economische structuur, is de Trias Politica, de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke macht.

De werkgelegenheid, de bestaanszekerheid van mensen en hun persoonlijke vrijheid - de economie waar we het hier steeds over gehad hebben - komt hij de huidige Trias Politica blijkbaar in het gedrang.

Blijkbaar moeten we de Trias Politica heroverwegen. We hebben behoefte niet aan minder maar aan meer checks and balances. Een voorstel is de instelling van een apart Economisch hof, een Algemene Rekenkamer voor de toekomst. Na het onafhankelijk maken van de Centrale Bank is dit een logische volgende stap, maar het is veel ingrijpender dan het onafhankelijk maken van de Bank, het staat gellijk aan een ingreep in de politieke trits. Er is een belangrijke reden waarom dit voorstel goed zou kunnen werken. Indien dit Economisch Hof zich met name richt op wetenschappelijk verantwoorde voorspellingen ten behoeve van de rijksbegroting, dan doet het precies wat wetenschap moet doen, namelijk toetsbare voorspellingen aanleveren. De kwaliteit is voor iedereen controleerbaar. Daarmee legt zo’n Hof een extra beperking aan de politiek en het maatschappelijk proces op, conform Van den Doel’s analyse van het democratisch tekort. Toepassing van het genoemde effectief begeleide inkomensbeleid zal dan de democratisch gewenste uitkomst blijken.

Verschillende auteurs denken al in de richting van zo’n besproken Economisch Hof. Die discussie wordt nu nog gevoerd in termen van het onafhankelijk maken van het Centraal Planbureau. Professor Van der Ploeg, momenteel kandidaat voor de Tweede Kamer, en De Klerk - beiden dergelijke kleinkinderen van Keynes - hebben gepleit voor een politiek onafhankelijk CPB. (17) Professor Bomhoff schrijft: "Maak van het Panbureau een onafhankelijk lichaam zoals de rekenkamer, zodat het ook voor de overheidssector eerlijke voorspellingen kan maken." (18) Bij een opiniepeiling onder economen in 1992 vond 54% het CPB ‘niet onafhankelijk en objectief’, en vond 75% dat in de beleidsvoorbereiding ook andere modellen en instituten een rol moesten spelen. (19) Het wetenschappelijk bureau van een van ‘s lands kleinere partijen heeft in 1993 zelfs een congres aan het CPB gewijd. (20)

Voor de versnelling van de maatschappelijke meningsvorming kan een informatief parlementair onderzoek van nut zijn. Het kinderwetje van Samuel van Houten van 1874 kwam zoals het CPB op ‘normale’ wijze tot stand, doch de arbeidswet van 1889 benodigde het instrument van de parlementaire enquête. Professor Stuurman concludeert hierbij:

"Voor degenen die zich al vele jaren met het onderzoek (…) bezig hielden, bracht het rapport van de enquêtecommissie misschien weinig nieuws, maar in de publieke opinie bewerkte het een doorbraak. Het belang van dit soort officiële onderzoekingen zit meestal niet in de originaliteit maar in het politieke effect dat er van uitgaat. Meningen die eerst ‘omstreden’ waren, worden plotseling ‘normaal’ en ‘respectabel’." (21) Bij de genoemde opiniepeiling onder economen in 1992 vond zo’n 40% een parlementaire enquête naar de voorbereiding van het economisch beleid en de rol van het CPB een goed voorstel. Naarmate het zware gat van de overleg-economie steeds meer maatschappelijke energie opzuigt en steeds meer werkloosheid veroorzaakt, zal dit percentage stijgen. De door Skidelsky wel erg aannemelijk gemaakte derde wereldoorlog zou zo vermijdbaar kunnen blijken, en zo kunnen de kleinkinderen van Keynes toch nog hun erfdeel krijgen.

Hiermee is geschetst hoe de gedachtengang, door Van den Doel ingezet, wordt voortgezet door economen van een jongere generatie. Van den Doel had het zelf kunnen doen, het is hem niet gegund, maar dat maakt zijn cruciale bijdrage er niet minder om. Zijn werk heeft over de jaren alleen maar aan kracht gewonnen en verdient het door jongere generaties bestudeerd te blijven - en eventueel herontdekt te worden.

Met zijn werk heeft Van den Doel de wetenschappers en politici van zijn generatie over alle partijen heen intensief, positief en blijvend beïnvloed. De bijdrage is van internationale waarde, met lijnen die ook lopen via de wetenschappelijke bladen en congressen, via zijn leerlingen en via de politiek, en dan niet alleen via het feitelijke beleid maar ook via partijcontacten bijvoorbeeld in de Socialistische Internationale.

De Samuel van Houten Penning is een uiting van erkenning voor personen die zich op het grensvlak van wetenschap en politiek zeer verdienstelijk hebben gemaakt voor de gedachte dat zowel sociale als liberale middelen en doelen - en juist hun combinatie - nodig zijn voor het bereiken van een goede samenleving.

De wetenschap van Hans van den Doel is de politieke economie. Voor het plaatsen van zijn werk bleek juist Keynes’ essay Economic Possibilities for Our Grandchildren een gelukkige inspiratiebron en kapstok. Ik hoop met dit betoog genoegzaam te hebben aangetoond hoe dit essay vandaag is te vertalen.

Voordat we afsluiten nog één opmerking. We hebben het nog niet over de Marquis de Condorcet gehad. Een bespreking van het werk van Van den Doel zonder vermelding van Condorcet kan niet. We kunnen dit kort en krachtig doen, met verwijzing naar het prachtige boek van Badinter & Badinter. (22) En wel als volgt:

Hans van den Doel. Met hart en verstand kunnen wij u allen dankbaar zijn. U staat, wat ons betreft, schouder aan schouder met Samuel van Houten en Condorcet, in de wetenschap, in de politiek, en in het openbare debat, tot zegen voor de mensheid. De penning die wij u geven is in de aard der zaak een zwak materieel gebaar. De respons, het enthousiasme bij velen, stijgt daar krachtig boven uit. Van ganser harte bedankt.

 

Samuel van Houten Genootschap, 25 februari 1994

 
 

Voetnoten

  1. Skidelsky (1992), “John Maynard Keynes. The economist as saviour 1920-1937”, Macmillan p234. Keynes’ essay is opgenomen in diens “Essays in Persuasion” 1931.
  2. Van den Doel (1971), “Konvergentie en evolutie”, Van Gorcum
  3. Healey (1994), “Waarschuwing aan het westen”, Opinie, maart (reeds in februari verschenen) pp62-63
  4. In concreto een citaat van Mao Tse Tung, dat Van den Doel aantrof bij Joan Robinson. Het moge hier herhaald worden met verontschuldigingen aan de slachtoffers van Mao - en mogelijk die van Robinson. Overigens roept het woordje ‘correct’ tegenwoordig helaas ook associaties met ‘Politically Correct’ op.
  5. Van den Doel e.a. (1966), “10 over rood; Uitdaging van nieuw links aan de PvdA”, Polak & Van Gennep
  6. Alle uitgegeven bij Het Spectrum.
  7. Van den Doel acht Sen en Buchanan hier belangrijker dan Keynes.
  8. Van den Doel (1977), “Economie en democratie in het staatsbestuur”, in Driehuis ed. (1977), “Economische theorie en economische politiek in discussie”, Stenfert Kroese pp 325-358
  9. Van den Doel & Velthoven (1990), “Democratie en welvaartstheorie”, Samson
  10. Hennipman (Van den Doel & Heertje, eds) (1977), “Welvaartstheorie en economische politiek”, Samson
  11. Van den Doel & Driehuis (1979), “Werkloosheid en economische orde”, in “Werkgelegenheid: recht of beleid ?”, Geschriften van de vereniging voor arbeidsrecht, Samson
  12. Van den Doel (1981), “Economie in werkelijkheid”, Wolters
  13. Van den Doel onderkent drie varianten: aansprakelijkheid binnen een (kleine) groep, altruïstische ethiek, en toekomst gericht zijn. “Biefstuk-socialisme” op. cit. p 115.
  14. In augustus 1981 werd Van den Doel getroffen door een dubbele hersenbloeding en hij heeft sindsdien afasie.
  15. Van Schaaijk (1983), “Loondifferentiatie en werkloosheid”, ESB 21 september; Bakhoven (1988), “Een marktgerichte oplossing voor het werkloosheidsprobleem”, ESB 13 januari; Cool (1992), “Definition and Reality in the general theory of political economy; Some background papers 1989-1992”, Magnana Mu Publishing &Research; Cool (1993), “Levies and stagflation”, wordt uitgegeven door Magnana Mu; Phelps (1994), “Structural Slumps: the modern equilibrium theory of unemployment, interest and assets”, Harvard; The Economist (1994), “Schools Brief; A bad case of arthritis”, February 26th.
  16. Skidelsky (1975), “The reception of the Keynesian revolution”, in M. Keynes (1975), “Essays on John Maynard Keynes”, CUP pp 89-107
  17. De Klerk & Van der Ploeg (1992), “Overheid en markt in het maatschappelijk debat”, ESB 18/3/92 pp 270-280
  18. Bomhoff, NRC 27-4-92
  19. G. den Broeder (1992), “Economen over beleidsmodellen; Resultaten van de Economen Enquete 1992”, Magnana Mu Publishing & Research, Rotterdam
  20. Van den Berg, Both, Basset, eds (1993), “Het Centraal Planbureau in politieke zaken”, Wetenschappelijk bureau Groen Links
  21. Stuurman (1992), “Wacht op onze daden”, Bakker  p308
  22. Badinter & Badinter (11993), “Markies de Condorcet 1743-1794; een intellectueel in de politiek”, Van Oorschot