Bea Ros (2003), "Een bekroning uit 1928. Een reis naar Rome". Blz. 49-58, LITERATUUR ZONDER LEEFTIJD, tijdschrift voor de studie van kinder- en jeugdliteratuur ISSN 0929-8274, Jaargang 17, nummer 60, Thema: Jubileumnummer: Van 'Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur 'tot 'Literatuur zonder leeftijd'. Met dank aan Bea Ros voor toestemming tot weergave alhier

=======================

Een bekroning uit 1928

Een reis naar Rome

In catalogi van kinderboekenantiquairs komt men het nog wel eens tegen: de 1000-guldenprijsvraag. Deze prijsvraag voor het beste Jongensboek en het beste Meisjesboek was eind jaren twintig van de vorige eeuw een initiatief van de Amsterdamse uitgeverij Van Holkema & Warendorf. Dat een bekroning geen eeuwige roem garandeert, bewijst het meisjesboek Wij, met ons vijven, in Rome van Tine Cool.

Bea Ros

Tegenwoordig hoor je er zelden meer over, maar lange tijd gold de prijsvraag als geliefd middel voor uitgeverijen om aan nieuw talent te komen. Vooral in de negentiende eeuw werd er regelmatig een prijsvraag uitgeschreven. In die zin viel het initiatief van Van Holkema & Warendorf in 1928 om een prijsvraag uit te schrijven alleszins in een bekende traditie. 

Deze Amsterdamse kinderboekenuitgeverij stond goed bekend met series als de Oranjebibliotheek en Ons Boekenplankje. Met haar prijsvraag zocht de uitgeverij niet alleen haar eigen, maar ook het algemeen belang te behartigen:

‘Reeds sedert jaren is geklaagd over het gehalte van de jongens- en meisjesboeken. Verschillende commissies werden samengesteld om deze kinderlectuur te beoordeelen en de goede boeken aan te bevelen. Om te komen tot een serie boeken, waarvan men vooruit weet, dat ze in alle opzichten zouden voldoen, hebben wij onze prijsvragen uitgeschreven. Wij hadden daarbij een tweede doel voor oogen en wel om aankomende auteurs aan te moedigen, sluimerende talenten te doen ontwaken en nieuwe auteurs te ontdekken, die wat aan onze jongens en meisjes te vertellen hebben. In dit opzicht zijn wij zeker ook geslaagd.’ [VOETNOOT 1]

Van Holkema & Warendorf schreef twee duizend-guldenprijsvragen uit: eentje voor auteurs van jongensboeken en eentje voor auteurs van meisjesboeken. Voor beide categorieën werd een jury van destijds gerenommeerde schrijvers samengesteld: Top Naeff, J.P. Zoomers-Vermeer en Anna van Gogh-Kaulbach zouden de meisjesboeken beoordelen; C. Joh. Kieviet, Theo Thijssen en A.B. van Tienhoven de jongensboeken. 

Met een welhaast modern gevoel voor marketing nomineerden de jury’s uit alle inzendingen vier jongensboeken en vier meisjesboeken. Alle acht viel publicatie ten deel in de nieuwe serie Bekroonde Boeken, maar in elke categorie kreeg slechts eentje de geldprijs van duizend gulden. In het eerste jaar [VOETNOOT 2], 1928, waren dat het jongensboek Averij van Marie C. van Zeggelen en het meisjesboek Wij, met ons vijven, in Rome van Tine Cool. In dit artikel beperk ik me tot de meisjesboeken. 

Het jeugdliteraire klimaat

In wat voor jeugdliteraire context vond de prijsvraag plaats? In bovenstaand citaat van de uitgever valt daarover al iets te beluisteren. Er is sprake van klachten over ‘het gehalte van jongens- en meisjesboeken’ en van ‘commissies’ die kinderlectuur beoordelen. Volgens De Vries kenmerkt het begin van de vorige eeuw zich door veelvuldige beschouwingen en discussies over jeugdliteratuur.[VOETNOOT 3]. Mensen als Nellie van Kol, J.W. Gerhard, K. Andriesse, Theo Thijssen en Mathilde Wibaut spreken zich uit over het contemporaine aanbod aan kinderboeken en geven aan waaraan volgens hen een goed kinderboek behoort te voldoen.

Hoewel hun eisen uiteenlopen van pedagogisch hoogstaand tot literaire kwaliteit, zijn ze het erover eens dat het doorsnee jeugdboek in hun tijd beneden peil is. Oppervlakkig, leeghoofdig en gevaarlijk anarchistisch zijn enkele van de gebezigde kwalificaties. In het kader van dit artikel is de mening van onderwijzer Gerhard over meisjesboeken vermeldenswaard: het is lectuur vol ‘nuffen, modepoppen, bakvischjes wier geestelijk leven beheerscht wordt door kransjes, bals en verlovingen, afgewisseld door partijtjes, uitstapjes en flauwe kostschoolgrappen’ [VOETNOOT 4]. 

Om ouders en onderwijzers een betrouwbare uitweg te bieden uit dit donkere woud van gevaarlijke en verderfelijke lectuur verschijnen steeds meer lijstjes met aanbevolen (en dus veilige) boeken. Elke zuil kende zijn eigen lijstjes, lectuurgidsen en commissies. Zo richtten de zes onderwijsgevende congregraties in 1924 de Keurraad voor Roomsche Jeugdlektuur op die vanaf 1925 de Rafaël-catalogus uitgaf. De gereformeerden hadden al langer hun Jachin-boekbeoordelingen, Mathilde Wibaut stelde in 1928, samen met bibiothecaresse Saskia Lobo, voor de socialisten een boekenlijst op en de neutrale Commissie voor kinderlectuur en kinderbibliotheken bracht sinds 1927 de gids De kleine Vuurtoren uit. 

Uiteraard stelde elke zuil zijn eigen eisen, maar generaliserend kun je zeggen dat een goed jeugdboek de lezer moest vormen en boeien. Het boek moest in vorm en inhoud uitstijgen boven pulp en prikkellectuur; ze moest de jeugd niet louter enkele uurtjes verpozing schenken, maar liefst een levensles die langer stand hield. 

Het is tegen deze achtergrond dat Van Holkema & Warendorf haar duizend-guldenprijsvraag organiseerde. De vier genomineerde meisjesboeken kwamen aardig in de beurt van de contemporaine jeugdliteraire maatstaven. In elk geval zijn hun hoofdpersonen meer dan nuffen, modepoppen of bakvischjes. 

De concurrentes

Naast Tine Cools Wij, met ons vijven, in Rome waren de drie andere genomineerde meisjesboeken Het beugeljong van Anna Hers, Ons honk van Diet Kramer en Didi’s avonturen van Christine Moresco-Brants. Wie waren deze concurrentes van Cool en wat schreven ze?

Van hen drieën is Moresco-Brants momenteel het minst bekend (ik heb haar geboorte- en sterfjaar niet kunnen achterhalen). Net als voor Tine Cool was haar prijsboek haar debuut als jeugdboekenschrijver. Ze was al wel actief als vertaalster, met name van Engelse romans voor volwassenen. Na haar eersteling verscheen alleen nog ‘t Kind Ina (1930) en een bewerking van de sprookjes van Duizend en een Nacht, dit laatste overigens niet bij Van Holkema & Warendorf, maar bij uitgeverij Groot Nederland. 

Anna Hers (1885-1968) was een stuk profijtelijker voor de uitgever. Ze debuteerde weliswaar eerder bij een andere uitgeverij - De familie Welmoed (1914) bij Van Kampen & Zoon - na publicatie van het succesvolle Het beugeljong bleef ze in de stal van Van Holkema & Warendorf. Ze was hier goed voor ruim tien titels plus de nodige herdrukken, onder meer een vervolg op het prijsboek, Beugeljong getrouwd (1937). In 1958 nog verscheen de negende druk van haar Beugeljong

Ook Diet Kramer (1907-1965) heeft vele titels op haar naam staan, doch alleen het prijsboek publiceerde ze bij Van Holkema & Warendorf. De titels waarmee ze naam maakte, De bikkel (1935), Razende Roeltje (1931) en Roeland Westwout (1937) publiceerde ze elders. Ook haar debuut, Stans van de vijfjarige (1927), verscheen bij een concurrerende Amsterdamse uitgever, Jacob van Campen. Van Holkema & Warendorf kon alleen drie herdrukken van Ons honk publiceren (in 1935, 1948 en 1953).

Zoals gezegd stijgen de heldinnen uit de drie genomineerde meisjesboeken uit boven het niveau van nuffen, modepoppen en bakvischjes. In plaats van met bals en kransjes kampen ze met heuse levensvraagstukken. Didi’s avonturen van Christine Moresco-Brants past nog het best in het sjabloon van oppervlakkige meisjesboeken. De zeventienjarige Didi heeft een romantische hang naar avontuur en opwinding. Nu eens droomt ze van een leven aan het toneel, dan weer van een zwerversleven in een woonwagen of een wuft leven in Parijs. Ze leest romantische boekjes en verbeeldt zich verliefd te zijn op een jonge dominee. Maar Moresco-Brants maakt de lezeressen ook duidelijk dat dat toch allemaal niet je ware is. Didi mag als een echte bakvis veelvuldig zwijmelen en fantaseren, uiteindelijk komt ze tot innerlijke rust en verlooft ze zich met een betrouwbare man. 

Hoofdpersoon in Ons honk van Diet Kramer is de zeventienjarige Charry van Walen, oudste in een gezin met nog drie kinderen. Het moederloze gezin wordt bestierd door ‘Juf’. Als deze weg moet om haar zieke moeder te verplegen, loopt alles in het gezin uit de hand. Charry neemt het moeilijke besluit om na haar hbs-examen niet te gaan studeren, maar de zorg voor het gezin op zich te nemen.

Het Beugeljong zou een probleemboek avant la lettre genoemd kunnen worden. Titelheldin in deze klassieker van Anna Hers is Noortje ten Hemert die vanwege de zware beugel aan haar ene zieke been ook wel Beugeltje of Beugeljong wordt genoemd. Ze is de middelste in een gezin van vijf dochters. Moeder is haast nooit thuis en vindt de kinderen lastig, vooral van Beugeltje kan zij niets hebben. Op een dag verlaat ze het gezin en gaat bij haar moeder in Den Haag wonen. Beugeltje moet met haar oudere zus Joop bij haar komen wonen. Beugeltje heeft heimwee naar vader. Als ze erg ziek wordt, keert alles zich tenslotte ten goede: in plaats van met een andere man naar Indië te reizen keert moeder terug bij haar gezin.

De winnares

Het meest afwijkend van het destijds gangbare meisjesboek echter is dat van Tine Cool, Wij, met ons vijven, in Rome. Hier is niets dat zweemt naar bakvissen en giechelende vriendinnenclubjes. Cool schreef een autobiografisch verhaal over haar eigen jeugd: over hoe ze samen met haar moeder, haar jongere broertje en oudere zus in 1892 naar Rome reisden om zich te voegen bij hun vader, de kunstschilder Thomas Cool. Ze beschrijft de (ruim) vier jaren dat het gezin in Rome woonde. 

Catharina Alida Cool (Rotterdam 1887- Deventer 1944), kortweg Tine, was tuinarchitecte. Ze had in haar vak een goede reputatie; er is zelfs een viooltje naar haar genoemd, de viola cornute ‘tine cool’. Ze publiceerde veelvuldig over tuinieren en bijzondere tuinen in vakbladen als Onze Tuinen, Floralia, Weekblad voor het landhuis en Bouwkundig weekblad Architectura. Tussen maart 1926 en januari 1928 schreef ze zo nu en dan een soort tuincolumn op de vrouwenpagina van de Groene Amsterdammer. [VOETNOOT 5]. 

Daarnaast leverde ze regelmatig bijdragen aan Droom en Daad, maandblad voor jonge meisjes, een uitgave van de Wereldbibliotheek [VOETNOOT 6]. Volgens de informatie tijdens de tentoonstelling ‘Honderd jaar Gooise kinderboeken 1897-1997' bleef Tine Cool ongehuwd en was ze een ietwat excentriek en teruggetrokken persoon [VOETNOOT 7].

Wij, met ons vijven, in Rome is haar eerste kinderboek. Waar dit winnende boek verhaalt over het beroep van haar vader, spruit haar andere werk voort uit haar eigen beroep. Zo publiceerde ze, eveneens in 1928, Bloemen-mythen en legenden : hoe de menschen in vroeger tijden de bloemen, de boomen en al het kruid in direct contact met hun leven zagen. Later verschenen nog Dichters over bloemen (1941) en het jongensboek Frank, de plantenzoeker (1942). 

Wij, met ons vijven, in Rome beleefde drie drukken: in 1928, in 1932 en in 1942.[VOETNOOT 8] De eerste twee drukken werden geïllustreerd door Wam Heskes, de derde, in de Nieuwe Tip-Top-serie, door Rein van Looy. De eerste druk [VOETNOOT 9] bevat bovendien foto’s van bezienswaardigheden in Rome, van werk van Thomas Cool en eentje van twee marmeren bustes die twee bevriende Duitse beeldhouwers maakten van Tine en haar zusje. 

Deze foto’s, een duidelijke brug naar de werkelijkheid, versterken het karakter van dit boek: dit is geen fictie, maar een, misschien geromantiseerd, reisverslag. Italië, in het bijzonder Rome, de gebouwen, de kunstschatten, de vreemde gebruiken, staan voorop, de personages staan daarbij in de schaduw. De auteur beschrijft het dagelijks leven van het gezin Cool, hun woning in een van de kunstenaarsateliers van villa Strohl-Fern op de Pincio, een van de zeven heuvels van Rome: 

‘Daar reden zij dus weer door de stad en nu kwamen zij in een voor hen nieuw gedeelte, waar zij nog nooit geweest waren. Zij reden over een ruim, groot plein met een obelisk in het midden, de Piazza del Popolo; aan de eene zijde wees vader de Pincio. "Daar kunnen jullie heerlijk spelen in den tuin, daar, boven op den berg," en zij zagen menschen en kinderen, als popjes zoo klein, in de hoogte.

Toen kwamen zij door een poort en waren buiten de eigenlijke stad. "Nu zijn we er gauw," zei vader, "de tuin achter dat open hek is de villa Borghese, daar mogen wij ook in wandelen als wij er plezier in hebben; de weg opzij, die omhoog gaat, brengt ons naar onze Villa."’ (1928: 34) 

Vader Cool is regelmatig in het Pantheon om daar te schilderen en te schetsen; ook elders in de stad is hij regelmatig aan het werk. Want ze zijn niet alleen in Rome voor hun plezier, zoals vader zijn oudste dochter uitlegt: 

‘"Vader moet heel erg hard werken, vader moet zooveel schilderen en eerst allemaal studie’s maken voor het groote schilderij [het doek van het Pantheon, BR]. Vader moet zonder rusten werken en dan wordt wat klaar is verkocht en komt er geld voor moeder. Maar dat is het niet alleen; ik moet het de menschen zeggen hoe mooi alles is, wat een licht er overal is. Het is net zoo als grootvader met zijn preeken. Grootvader wil dat de menschen goed zijn en vertelt hun dat en als mijn schilderij zegt wat ik gezien heb en gevoeld, dan worden de menschen ook goed, wanneer zij er naar kijken en roepen: "hoe verwonderlijk is alles!"’ (1928: 44) 

Rome en vader Cool zijn de eigenlijke hoofdpersonen. Tine Cool schildert een kunstenaarsstad en een kunstenaarsleven. Typerend is dat ze haar personages geen namen geeft. Te meer daar enkele bijpersonen wel met naam en toenaam vermeld worden, bijvoorbeeld de Friese beeldhouwer Pier Pander en de kunstcriticus Maurits Wagenvoort. Ze spreekt het hele boek door over moeder, vader, het oudste meisje, het broertje, het kleine meisje zonder hen ooit bij naam te noemen. Dat werkt afstand en vervreemding in de hand:

‘De oudste was van den tweeden dag af de koorts al kwijt, de kininekuur hielp goed en de berglucht deed het hare om de lieve patiënte op krachten te krijgen. Maar zij mocht zich niet vermoeien en daarom ging vader met de jongsten op stap (...)’ (1928: 145)

Wellicht dat ze op deze manier het al te intieme en persoonlijke wilde vermijden, maar het verhaal krijgt er wel iets gekunstelds door. Het blijft een beschrijving van buitenaf; identificatie met een van de hoofdpersonen is onmogelijk, laat staan dat de lezer via de personages een levensles aangereikt krijgt.

Het boek mist, en ook dit past beter bij een reisverslag dan een jeugdboek, een spanningsboog. Van een ontwikkeling bij de personages is geen sprake. Het verhaal kabbelt voort met alledaagse gebeurtenissen en beslommeringen. Het gezin komt in Rome, vindt onderdak, leeft er ruim vier jaar en keert, vanwege een ernstige ziekte van het oudste meisje, weer terug naar Nederland om zich daar in Bussum te vestigen. 

Dat Cool niet uitblinkt in vertellerstalent, valt ook op te maken uit een recensie van haar andere kinderboek, Frank, de plantenzoeker. Fr. Vermeulen schrijft in de Boekengids over dit jongensboek: 

‘Aan het verhaal, in zover men het dat kan noemen, ontbreekt spanning; vandaar dat het als ontspanningslectuur ook door jongens, die van bloemen houden, wel niet erg genoten zal worden. Ze vragen toch wel wat meer dan al die ellenlange citaten. Het nuttige overwoekert hier het aangename.’ [VOETNOOT 10]

De verdienste

Wie de vier meisjesboeken naast elkaar legt, kan niet anders dan verbaasd zijn over de keuze van de jury. Het boek van Hers of Kramer zou een veel logischer favoriet zijn. Toch is dat kijken en oordelen met moderne ogen. De namen Hers en Kramer zijn immers nu nog bekend, terwijl Cool in vergetelheid is geraakt - evenals Moresco-Brants, maar haar boek was al het meest doorsnee van de vier. 

Helaas vielen de argumenten van de jury niet meer te achterhalen [VOETNOOT 11]. Het blijft dus gissen naar de beweegredenen voor haar keuze. Misschien werkte juist het compleet afwijkende karakter van Wij, met ons vijven, in Rome in het voordeel van Cool. Haar boek kon onmogelijk het verwijt ten deel vallen een oppervlakkig en nuffig meisjesboek te zijn. Sterker, het boek is in principe even geschikt voor meisjes als voor jongens. Het is bovendien een educatief boek: de lezer steekt het nodige op over Italië, vooral over de kunsten en kerken van Rome. Dat humor en spanning ontbreken was wellicht eveneens een pre voor het boek. Immers, lichtzinnige lectuur was er al genoeg. 

In de enige recensie die ik van Cools boek heb kunnen achterhalen[VOETNOOT 12], uit het tweewekelijkse tijdschrift Het Kind (10 november 1928), noemt de, overigens anonieme criticus dit meisjesboek ‘absoluut afwijkend van alle boeken uit dit genre, die ik ooit heb gelezen’. Hij vindt het een ‘zeldzaam mooi boek’, dat ‘simpel en ontroerend’ het leven van een kunstenaarsgezin in Rome uitbeeldt. ‘Ik vraag me opnieuw af hoe het mogelijk is met zoo sobere middelen zooveel plastiek te geven en zoo fijn te typeeren.’ Waar de recensent bij het oordeel van de jongensboekenjury zo zijn vraagtekens plaatst, is hij het bij de meisjesboeken helemaal eens met het oordeel van de jury. Hij noemt het boek van Moresco-Brants het minst geslaagd van de vier: ‘te fragmentarisch en doet, vooral bij het Parijsche avontuur, al te zeer denken aan een middelmatige film voor bezoeksters ...boven de 18 jaar.’ Hij voegt er tot slot nog aan toe dat jaarlijks zo’n prijsvraag ‘het lectuurvraagstuk’ voor kinderen wel zal oplossen. 

Anno nu is Wij, met ons vijven, in Rome vooral verdienstelijk om andere dan literaire redenen. Het geeft een aardig sociologisch inkijkje in hoe een Nederlands gezin zich handhaaft in den vreemde. Enerzijds staat het gezin Cool open voor het Italiaanse dolce vita, anderzijds blijven ze echte Hollanders die hun kamers aan kant willen hebben en die hun neus ophalen voor een bord macaroni:

‘Tegenover hun huis waar de winkels waren, was ook de Trattoria, het eethuis, daar konden zij lekker eten had vader verteld, en daar gingen zij dus heen. Maar, o heden, wat waren zij verwend door oma; met brommen noch goede woorden viel er iets van de opgehoopte borden vol macaroni en tomaten naar binnen te krijgen. (...) Toen kochten ze een petroleumstel met acht pitten en potten en pannen en moeder ging aan het koken. Vader vond ook, dat dat wel wat anders was wat de pot in het vervolg schafte dan in het eethuis, en zij aten zich allemaal dikjes en rond.’ (1928:29/30) 

Ook de toenmalige vooroordelen en gebrekkige kennis komen mooi naar voren: 

‘"Wat zijn dat voor groene en roode vruchten?" wees de oudste. "Wat zijn dat voor meloenen?" "Die mogen jullie nooit eten, denkt daar goed aan," zei vader verschrikt, "nooit van z’n leven, dat zijn watermeloenen, die zijn te verkoelend voor vreemdelingen, daar word je heel erg ziek van, daar mag je nooit van eten."’ (1928:26)

Daarnaast is Tine Cools boek van belang, omdat het een van de meest uitgebreide bronnen is over leven en werk van Thomas Cool. De Romeinse periode is essentieel geweest voor het werk van de schilder Thomas Cool (1851-1904). Hij was begeesterd en geïnspireerd door Romes geschiedenis en legde deze vast op grote doeken: ‘t Pantheon, de Thermen, de Santa Maria Maggiore, het Forum bij Nacht, het Colosseum. In Rome vond de kunstenaar het licht en het drama dat hij als schilder nodig had: ‘Wanneer ik schilder, dan geef ik weer van ‘t landschap om Rome, de lieflijkheid der natuur, die wezenlijk muziek is, de ruïnenpracht en drama, het oude en nieuwe Rome.’[VOETNOOT 12] 

In haar boek schetst de dochter haar vader met precies dezelfde romantische kunstenaarsgeest: 

‘Moeder zag het, vader voelde dat hij begrepen werd en dat hij kon zeggen wat hij dacht en wat hij wilde met zijn werk. In vreugde ging het door haar heen: "mevrouw bewonderde het werk, zij bewonderde den schilder in zijn heerlijk enthousiasme!" Wat waren zijn oogen groot, hoe was het hooge voorhoofd bewogen, wat ging er een bezieling van hem uit! Mìjn man, dacht moeder, mìjn man; maar vader was de kunstenaar.’ (1928:74)

In die zin mag men Wij, met ons vijven, in Rome gerust een ode van de dochter aan haar vader noemen. En een ode aan een heerlijke jeugd in Italië. Terug in Nederland moest haar vader zich behelpen met een klein atelier te Bussum, zo klein dat zelfs de vloer opengebroken moet worden om het grote doek van het Pantheon te huisvesten. Maar ze dragen de grootsheid van Rome in hun hart: 

‘Zoo bleef de herinnering hen levendig vergezellen ook door het verdere leven, en van bekrompenheid bleven de ouders en de kinderen vrij, want de gedachten namen altijd, wanneer het te benauwd scheen te worden, de vlucht naar het zonnige land, waar de kostelijke jaren van het gelukkige werken en hun jeugd waren doorgebracht.’ (1928:227) 

[VOETNOTEN]

1. Geciteerd uit: Toin Duijx en Joke Linders, De Goede Kameraad. Honderd jaar kinderboeken. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1991, blz. 44.

2. In 1932 organiseerde Van Holkema & Warendorf nogmaals een duizend-guldenprijsvraag. D.L. Daalder, E. Molt en David Tomkins verkozen toen De Vrededwinger van A. den Hertog als beste jongensboek en Emmy van Lokhorst, Willy Petillon en Marie Schmitz kozen Beroepsfilm van R.W. Doodewaard-Godschalk als beste meisjesboek. Zie ook Duijx en Linders, blz. 47-50. 

3. Anne de Vries, Wat heten goede kinderboeken? Opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880. Amsterdam, 1989.

4. J.W. Gerhard, De aesthetische opvoeding der jeugd. Haarlem, 1905.

5. Deze columns zijn te lezen in het historisch archief van de Groene Amsterdammer op website www.groene.nl 

6. Zie ook: Marjoke Rietveld-van Wingerden, Jeugdtijdschriften in Nederland en Vlaanderen 1757-1942. Bibliografie. Leiden, Primavera Pers, 1995. blz. 230-231. 

7. Deze tentoonstelling vond plaats in 2000. Er verscheen geen catalogus, maar in de digitale Museumkrant is een uitgebreid verslag te lezen: www.museumserver.nl/museumkrant/editie31/index4.htm

8. Volgens de informatie bij genoemde tentoonstelling in het Goois museum leverde Tine Cool onder de titel ‘Hoe het begin van de reis was’ een bijdrage aan het vierde Het meisjes-jaarboek (1929) van uitgeverij Leopold. De titel suggereert dat ook dit verhaal over de Rome-periode gaat. 

9. Of de tweede druk deze foto’s ook bevat, heb ik vooralsnog niet kunnen nagaan. Ik heb alleen de eerste en de derde druk in handen gehad. 

10. Boekengids. Jaargang 20 (1942), recensienummer 21.919. 

11. Toin Duijx, die voor het gedenkboek voor Van Holkema & Warendorf, De Goede Kameraad, het archiefwerk voor zijn rekening nam, liet weten nooit een juryrapport gevonden te hebben. Het is zelfs onbekend of zo’n juryrapport ooit bestaan heeft. 

12. Dit is te danken aan de behulpzame medewerking van Rian van de Sande, medewerker bij het Letterkundig Museum. 

13. Deze woorden van Thomas Cool zijn te vinden in de catalogus bij de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum van Amsterdam, in 1916.